Vandaag in de Nacht
Amsterdam-New York Festival
door Keke Keukelaar & Mike DashTussen Amsterdam en New York bestaat er van oudsher een soort bloedverwantschap. En wie die verbintenis tussen de twee steden werkelijk wil ervaren moet naar het Amsterdam-New York Festival komen, van 18 tot en met 20 december in De Balie, georganiseerd door de SLAA. Drie dagen lang komt er een stevige New Yorkse wind van over de oceaan gevlogen: wat is de aantrekkingskracht van beide steden, waarom worden ze door schrijvers en kunstenaars over de hele wereld bezongen, is New York nog steeds een beetje Nieuw Amsterdam, of is alle Nederlandse invloed verdwenen?
Vanavond enkele foto's uit de tentoonstelling 'Amsterdam - New York. Schrijversportretten' (OBA, 17 december t/m 31 januari) die Keke Keukelaar (zie ook 3hoog-achter.nl) samenstelde uit haar werk, met als leidraad: wat bindt deze New Yorkers en Amsterdammers aan hun stad? Én de eerste pagina's van een van de buitenlandse gasten van het festival, Mike Dash. Zijn De eerste familie. De dramatische feiten achter de opkomst van de mafia in de Verenigde Staten (The First Family, vertaald door Pon Ruiter en Jan Willem Reitsma) verscheen onlangs bij Uitgeverij De Arbeiderspers. 19 december praat hij over de New Yorkse maffia op het Festival.
Ook in de etalage van Athenaeum Boekhandel zullen de foto's van Keke Keukelaar prijken.

Joseph O'Neill. Geboren te Cork, Ierland, in 1964. New Yorker. Auteur van onder andere Netherland (Laagland), dat naast New York ook Londen en Den Haag aandoet. O'Neill was dit jaar writer in residence in het appartement boven het Athenaeum Nieuwscentrum.
© Keke Keukelaar

Joost Zwagerman. Geboren te Alkmaar in 1963. Amsterdammer. Auteur van onder andere Gimmick, De buitenvrouw en Chaos en rumoer en het komende boekenweekgeschenk, Duet. 19 december spreekt hij op het Amsterdam-New York Festival over één locatie in zijn stad die de hele stad beschrijft.
© Keke Keukelaar

Russel Shorto. Geboren te Johnstown, Pennsylvania, Verenigde Staten in 1958/1959. (Momenteel) Amsterdammer. Auteur van onder andere The Island at the Center of the World (Nieuw Amsterdam) en Descartes' Bones (De botten van Descartes). Schreef lovend over de Nederlandse verzorgingsstaat in The New York Times. Directeur van het in Amsterdam gevestigde John Adams Institute. Shorto opent 18 december het Amsterdam-New York Festival.
© Keke Keukelaar

Charlotte Mutsaers. Geboren te Utrecht, 1942. (Deels) Amsterdammer. Auteur van onder andere Rachels rokje en Koetsier herfst, bekroond met de P.C. Hooftprijs 2009.
© Keke Keukelaar

Peter Carey. Geboren te Bacchus Marsh (Victoria), Australië, in 1943. New Yorker. Won de Booker Prize met True History of the Kelly Gang en schreef recent His Illegal Self (Zijn verborgen bestaan).
© Keke Keukelaar

Thomas Rosenboom. Geboren te Doetinchem in 1956. Amsterdammer. Auteur van onder andere Gewassen vlees, Publieke werken en recent Zoete mond.
© Keke Keukelaar
De eerste familie. De dramatische feiten achter de opkomst van de mafia in de Verenigde Staten
1. De vatmoord
Het vertrek had nog het meest weg van een grafkelder. Het was vochtig, er waren geen ramen, en in deze gure nacht in New York was het er even kil en onheilspellend als de blik van een politieman. Buiten, in Prince Street, in het hart van Little Italy, motregende het. Plassen water lagen tussen de hopen rottend afval langs de rand van de straat, zodat de kasseien verraderlijk glad waren. Binnen, onder een reclamebord voor een biermerk, liep een kale, goedkope arbeiderskroeg door tot diep in het binnenste van een gore huurkazerne.
Op dit late uur - het was 14 april 1903, drie uur in de ochtend - was de kroeg gesloten en stil. Maar in de schaduwen aan het eind van de toog was een grof gemaakte deur te zien. En in de kamer achter die stevig gesloten deur was Benedetto Madonia aan zijn laatste maaltijd bezig.
Ze noemden het een spaghettirestaurant, maar eigenlijk was het een doodeenvoudig eethuis. In een hoek stond een walmende oude kachel. Verstofte strengen knoflook hingen aan de muren en hun muffe lucht vermengde zich met de geur van gekookte groenten. De inrichting bestond uit een paar ruwe lage tafels, een stuk of wat oude stoelen en, in de hoek, een roestige ijzeren gootsteen. Gaslampen verspreidden een mosterdgeel licht en de kale planken van de vloer waren bestrooid met zaagsel, dat zich aan het eind van een drukke dag met fluimen, flarden dun papier en de peuken van donkere Italiaanse sigaren had vermengd tot een dikke prut.
Madonia viel gretig aan op een stoofschotel van bonen, bietole en aardappelen, stevig boers eten uit de provincie Palermo, waar hij vandaan kwam. Hij was een forsgebouwde man van gemiddeld postuur, en met zijn hoge voorhoofd, kastanjebruine ogen en dikke golvende haardos was hij volgens de normen van die tijd knap te noemen. Een grote snor, zorgvuldig in de pommade gezet en de uiteinden in een punt gedraaid, contrasteerde met de scherpe lijn van zijn Romeinse neus. Hij ging beter gekleed dan de meeste arbeiders. Zijn pak, hoge witte boord, stropdas en verzorgde schoenen wezen op een zekere welvaart. Maar hoe hij aan zijn geld kwam, was niet duidelijk. Als iemand ernaar vroeg, zei Madonia dat hij steenhouwer was. Maar ook een terloopse blik verried al dat dit geen man was die regelmatig fysiek werk deed. Op zijn drieënveertigste begon zijn lichaam al uit te zakken, en zijn zachte, keurig gemanicuurde handen waren niet eeltig, zoals die van een arbeider.
Na een tijdje had Madonia, die als enige zat te eten, genoeg gehad. Hij schoof zijn kom opzij en keek naar de andere kant van het vertrek, waar een aantal metgezellen tegen een muur hing. Net als hij spraken ze Siciliaans, een dialect dat zoveel woorden uit het Spaans, Grieks en Arabisch bevatte dat het ook voor andere Italianen vrijwel onverstaanbaar was, en net als hij spoorden de kleren en de sieraden die ze droegen niet met het beroep dat ze naar eigen zeggen uitoefenden: los werkman, boer, wasserijbediende. Toch was Madonia onmiskenbaar een buitenstaander. Alle mensen in het restaurant waren immigranten, maar de anderen waren New Yorkers geworden en voelden zich nu prima op hun gemak in de overvolle Italiaanse kolonie. Madonia daarentegen was pas een week in Manhattan en kende de stad niet. Tot zijn schrik bleek er iemand met hem mee te moeten gaan, anders verdwaalde hij in de straten van Little Italy. En verder maakte hij zich steeds meer zorgen over de manier waarop deze mannen, die hij nauwelijks kende, zacht met elkaar spraken en dan nog zo raadselachtig dat hij de portee van hun woorden niet begreep. Maar veel tijd om dit mysterie te ontraadselen werd hem niet gegeven.
De Siciliaan had nog maar net zijn kom leeg toen met een klik die luid door het vertrek galmde de enige deur openging en een tweede groep mannen binnenkwam. In het zwakke flakkerlicht van de gaslampen zag Madonia een gezicht dat hij kende: Tommaso Petto, een gespierde, sinister ogende reus met een ovaal gezicht, die dankzij zijn brede borst, gespierde armen en beperkte intelligentie de bijnaam 'de Os' gekregen had. Achter hem tekende zich tegen een muur van het eethuis heel even het silhouet van een tweede man af. Hij was tenger gebouwd en niet al te groot, en zijn ogen waren net stukken git, alsof er zwarte gaten in zijn schedel waren geboord. Het gezicht van de nieuwkomer was uitdrukkingsloos, zijn wangen wa41 ren hol en ongeschoren. Zijn snor was ruig, als bij een struikrover. De Os deed instinctief een stap opzij, zodat de tengere man verder naar binnen kon stappen. Een golf van vrees voer door de andere aanwezigen. Dit was hun leider en angstig betuigden ze hem hun respect. Niet een van hen durfde hem recht in de ogen te kijken. Ook Madonia was niet immuun voor de schrik die de man met de zwarte ogen anderen aanjoeg. De stem van de nieuwkomer was droog en zacht, zijn gebaren waren onopvallend, minimaal. Heel verontrustend was dat hij de rechterkant van zijn lichaam had omwikkeld met een grote bruine sjaal. Madonia wist dat de arm die hij altijd verborg, gruwelijk mismaakt was. De onvolgroeide onderarm was maar half zo lang als bij een normaal mens. Nog erger was dat de hand niet meer dan een klauw was. Al bij zijn geboorte ontbraken daaraan de duim en de eerste drie vingers. De enige vinger die hij had, was een nutteloze pink, alsof een onverschillige god een wrede grap met hem had uitgehaald. De man met de zwarte ogen heette Giuseppe Morello, maar zijn misvormde hand had hem de bijnaam 'de Klauw' opgeleverd.
Morello verspilde geen tijd met ceremonieel gedoe. Een klein gebaar met zijn goede linkerhand was voldoende. Twee van de mannen die tegen de muur hingen, veerden overeind, grepen Madonia aan weerszijden bij zijn armen en hesen hem overeind. Hun gevangene verzette zich even, maar dat haalde niets uit. Ze hadden hem zo stevig bij zijn polsen en schouders vast dat ontsnappen onmogelijk was. Schreeuwen had geen zin, want het vertrek was zo ver van de straat dat ook als je heel hard brulde niemand je hoorde. Half staand, half hangend tussen de twee anderen kronkelde hij hulpeloos terwijl de man met de zwarte ogen op hem toe liep.
[...]





