Vandaag in de Nacht
In elke kamer een ander wonder
door Daniyal MueenuddinOver twee weken verschijnt Daniyal Mueenuddins In elke kamer een ander wonder in de vertaling van Carla Hazewindus bij Uitgeverij Meulenhoff. De verhalenbundel stond al op de shortlist voor de Amerikaanse National Book Awards, en verscheen in de top-10 van 2009 van TIME, Publisher's Weekly, The Economist en in de eindejaarslijstjes van The Guardian en The New York Times. Vanavond mogen we u al enkele pagina's uit het boek laten lezen; u kunt het ook al reserveren.
In In elke kamer een ander wonder beschrijft Daniyal Mueenuddin de wereld van meesters en bedienden, rijken en rechtelozen in Pakistan. Alle personages in deze met elkaar samenhangende verhalen jagen een droom na: het verlangen om iets te bezitten wat buiten hun bereik ligt. Zo besluit een jonge vrouw uit een ooit vermogende familie de minnares te worden van haar oom, de puissant rijke maar oude K.K. Gurmani. Het is haar enige kans om hogerop te komen, ook al weet ze dat schaamte haar deel zal zijn.
In zijn afwisselend tragische, ontroerende en hartveroverende debuut houdt Daniyal Mueenuddin de moderne Pakistaanse maatschappij een spiegel voor. Deze rijke en epische verhalen doen zowel denken aan Russische meesters als Toergenjev en Tsjechov als aan de verhalen van Jhumpa Lahiri.
Husna had een baan nodig. Stilletjes liep ze over de lange oprijlaan van het huis van de gepensioneerde rijksambtenaar en landeigenaar K.K. Harouni in Lahore. In haar kleine vingers met gelakte nagels hield ze een aanbevelingsbrief, uitgerekend afkomstig van zijn eerste vrouw die gescheiden van hem leefde. De butler, die wist dat Husna bij de oude begum Harouni een nogal vage positie vervulde, iets tussen dienstmeisje en gezelschapsdame in, liet haar niet in de woonkamer plaatsnemen. In plaats daarvan bracht hij haar naar het kantoortje van de secretaris die elke middag in steno een aantal pagina’s noteerde van meneer Harouni’s memoires, met de voorzichtige titel Wellicht is dit geschied.
Nadat Husna een kwartier later door de secretaris in de woonkamer was binnengelaten, keek ze zoals iedereen die met een verzoek kwam, eerder gespannen dan nieuwsgierig om zich heen. Haar oog viel op het versleten goudbrokaat van de sofa, en op een groot Chinees schilderij van ruiters boven de rozenhouten schoorsteenmantel. Vervolgens werd haar aandacht getrokken door een reeks zwart-witfoto’s in zilveren lijstjes van jagers met jagerspetjes op die poseerden met een rits vogels of stapels wild; verschillende foto’s van vrouwen in sari’s, eentje van hen gekleed in paardrijbroek, met hoge kapsels uit de jaren vijftig, en voorzien van een opdracht in buitensporig grote, zwierige letters. Aan de zijkant stond een foto van meneer Harouni, opgesteld in de rij van een ontvangstcomité, die een jeugdige Jawaharlal Nehru de hand schudde.
De deur ging open en Harouni kwam binnen met een welwillende uitdrukking op zijn knappe, goudkleurige gezicht. De secretaris legde een dossier op tafel, bladerde door een aantal pagina’s en wees de oude man waar hij moest tekenen, onderwijl mompelend: ‘Begum Sahiba heeft deze jongejuffrouw met een brief gestuurd, meneer.’
Hoewel K.K. een uitstekend geheugen had en de familiebetrekkingen van alle oude families in Lahore kende, stond hij Husna toe tot in detail haar verwantschap tot hem uit te leggen, die terugging tot zijn grootmoeder van moeders kant. De oudste tak van de familie had zijn landbezit en macht uitgebreid onder de Britten, die bij hun bestuur voorname landeigenaren betrokken. De familie van Husna, een jongere tak, was niet echt tot armoede vervallen maar eerder niet in staat geweest hogerop te komen. Haar grootvader had in de oude stad van Lahore nog dertig tot veertig winkels bezeten, maar die waren allemaal al verkocht voordat de prijzen stegen toen Lahore zich in de jaren vijftig en zestig uitbreidde. Aangemoedigd door K.K. let Husna, omdat ze koekjes en thee kreeg, zich gaan en schakelde over op het volkse, klankrijke Punjabi-dialect van de binnenstad. Vol vuur vertelde ze een verhaal over haar moeder die zich nog herinnerde dat ze ooit op de trap naar de binnenplaats van een voormalig familiehuis was gevallen, waarbij een stukje van haar tand was afgebroken. De traptreden waren groot en breed geweest, om plaats te bieden aan de enorme poten van een olifant die als rijdier werd gebruikt, het symbool van de familiestatus.
Husna hield even haar mond, kneep haar ogen samen en riep zichzelf tot de orde. ‘In deze wereld komen sommige families hogerop en andere gaan ten onder,’ zei ze plotseling nogal kil en weinig onderdanig. ‘En nu ben ik hier om u om hulp te vragen. Ik ben arm en ik heb een baan nodig. Zelfs begum Harouni vindt dat ik een beroep moet hebben. Mijn vader kan me niets bieden, hij is zwak en heeft geen relaties meer. Iedereen zegt dat ik moet trouwen, maar dat doe ik niet.’
Buiten de salon die uitkeek op de zijpatio, deed een tuinman de tuinlichten aan die een met cement verhard zwembad beschenen dat half gevuld was met water waarin bladeren dreven. Een bediende kwam binnen met een armvol hout, gooide dat met veel geraas in de open haard, pakte toen een fles petroleum en kwakte er een flinke scheut overheen. Hij wierp er een lucifer bij en het vuur laaide op. Een poosje bleef hij op zijn hurken bij het vuur zitten, in volle ernst voor dit oeroude mysterie, toen verbrak hij de betovering, stond op en ging de kamer uit.
Over de lange, cirkelvormige oprijlaan kwam een auto aangereden, waarna een gesoigneerd ouder echtpaar de kamer binnenkwam. De vrouw liep naar Harouni toe, kuste hem op de wang en zei met hese stem: ‘Hallo, darling.’ De man, in het bezit van een keurig bijgehouden snor, en die er nogal saai uitzag naast zijn in felle kleuren gestoken gezellin, bleef afwachtend naast haar staan.
‘Hallo, Riffat,’ zei Harouni. Hij gaf haar een kus op haar kruin, liep toen naar de muur en trok aan de bel. ‘Wil je iets drinken, Husky?’
De man keek zijn vrouw even vluchtig aan. ‘Geef mij maar een kleine whisky.’
De vrouw nam Husna taxerend op, en Husna kromp in elkaar. Hier was ze niet op voorbereid. De bezoekster droeg een roze kurta, te jeugdig voor haar leeftijd, maar duidelijk erg duur, en fraai bedrukt met een zilverkleurig patroon.
‘Dit is Husna,’ zei K.K. tegen de vrouw die naast het meisje op de sofa was gaan zitten. ‘Husna studeert binnenkort af en zoekt een betrekking als lerares.’
‘Heel interessant,’ zei de vrouw zonder enige argwaan en met doorrookte stem.
Ze hadden Engels met elkaar gesproken, en Husna gaf blijk van haar gebrekkige beheersing van die taal door te zeggen: ‘Heerlijk dat ik kennis met u moet maken.’
Twee bedienden kwamen binnen met een theewagen en zetten die voor het bezoek neer. Rafik, dezelfde butler die Husna mee had genomen naar het kantoortje van de secretaris, bracht twee whisky’s op een zilveren dienblaadje.
‘Cheers,’ zei Husky, die een slokje nam en toen met zijn lippen smakte. ‘Wat heerlijk, dat haardvuur.’
Riffat begum schonk de thee in en gaf een kopje aan Husna. Het gesprek kabbelde voort, waarbij Riffat Husna een paar keer betekenisvol aankeek. Wanneer Husna met begum Harouni een bezoekje aan de hogere kringen bracht was dat niet als gast, eigenlijk bestond ze dan niet eens, maar fungeerde ze meer als hulpje voor de oude dame, om dingen te halen of te dragen en aan haar zijde te blijven opdat de begum niet in haar eentje bleef zitten. Omdat Husna nu niet met de situatie uit de voeten kon, volgde ze de conversatie vanaf de zijlijn, ze voelde zich klein worden en haar mondhoeken stonden strak, alsof ze waren bevroren. Plotseling stond ze op en bleef toen met haar voet achter de theewagen haken, waardoor de kopjes en schoteltjes rinkelden.
‘Bedankt, oom, voor uw hulp en uw vriendelijke raad,’ zei ze, hoewel K.K. haar geen enkele raad had gegeven. Het was alleen maar bedoeld om iets tegen hem te zeggen, min of meer als een berisping.
‘Ik laat je wel afzetten met de auto.’ Hij liep met Husna mee naar de veranda, terwijl de chauffeur de auto haalde. ‘Om te beginnen moet je een paar vaardigheden onder de knie krijgen,’ zei hij. ‘Waarom leer je niet typen? Kom morgen maar terug, dan zorg ik er wel voor dat Shah sahib je les geeft.’
Toen ze in de auto stapte, gaf hij haar een vaderlijke kus op haar wang.
Bij zijn terugkeer in de woonkamer trok Riffat een wenkbrauw op en tuitte haar lippen. ‘Ouwe deugniet,’ zei ze, en ze blies een wolk sigarettenrook uit.
K.K. nam een slok whisky. ‘Op mijn leeftijd, my dear, loopt ze geen enkel gevaar.’
Om de paar dagen kwam Husna voor haar typeles. Ze zat dan in het donkere kantoortje naast de woonkamer en was Shah sahib de secretaris tot last, omdat die pas weer met zijn werk verder kon als ze haar zwakke pogingen had gestaakt. Hij probeerde haar de correcte techniek bij te brengen, maar ze weigerde het te leren en volhardde in het typen met twee vingers om zo snel mogelijk haar dagelijkse halve pagina af te raffelen. Een van de bedienden bracht haar dan een kop thee met veel melk, die ze nuttigde in aanwezigheid van Shah sahib, die op die tijd ook nog twee geroosterde boterhammen met kaas kreeg, een traktatie die zijn maag deed knorren en waarvan hij zich had verzekerd door de rekeningen die de kok indiende zonder op- of aanmerkingen te laten passeren.
K.K. Harouni, die polo en tennis had gespeeld totdat hij zeven jaar geleden een hartaanval had gekregen, maakte elke dag ’s ochtends en ’s avonds een wandeling van precies zes kilometer. Meestal liep hij de hele bochtige achtertuin door, maar een paar dagen nadat Husna met haar lessen was begonnen, was het gras nat geworden van een winterse regenbui. Omdat hij het eigenlijk wel prettig vond dat zijn dagelijkse patroon werd doorbroken, maakte hij die avond een wandeling over de verharde oprijlaan voor het huis, die zich om een cirkelvormig gazon slingerde en doorliep onder een afdak waar een uit de toon vallende glazen kroonluchter een vriendelijk gelig licht verspreidde.
Toen de schemering viel hoorde hij een riksja de oprijlaan naderen en stilhouden bij het wachthokje van de poortwachter, terwijl de tweetaktmotor bleef pruttelen. Even later kwam er een gestalte uit de deur van het kantoortje van de secretaris die vlug naar de poort trippelde. K.K. versnelde zijn pas en kwam achter haar aan.
‘Hallo, Husna,’ zei hij.
Ze bleef staan en draaide zich om. Net als de vorige keren had ze te veel make-up op en droeg ze kleren met te felle kleuren. Over haar schouder hing een grote witte tas aan een lange ketting en haar haar was bedekt met een dupatta. ‘Hallo, oom,’ zei ze terwijl haar gezicht zich onwillekeurig in een brede glimlach plooide.
‘Je ziet er opgewekt uit. Hoe gaat het met de lessen?’
‘Dank u, oom,’ zei ze.
‘Waarom loop je niet even met me mee?’
‘Er staat vervoer op me te wachten,’ zei ze bedeesd, omdat ze zich schaamde dat iemand zag dat ze een riksja nam, want dat deden alleen arme mensen.
‘Zeg maar dat hij kan gaan, de chauffeur zal je later wel wegbrengen.’
Ze begonnen aan hun wandeling. Husna nam twee stappen tegen één van hem, klikklakkend op haar hakken. Haar voeten begonnen pijn te doen, en elke keer dat ze bij een plasje kwamen, stapte hij opzij en liet haar voorgaan, zodat ze zich steeds onwennig voor hem uit moest haasten.
‘Dat zijn geen goede schoenen om op te wandelen,’ zei hij toen hij achter haar stond en zag dat ze een plasje ontweek. ‘Je voeten doen pijn, hè?’
‘Nee hoor, het gaat wel.’ Deze kans om in zijn gezelschap te zijn wilde ze niet verspelen.
‘Dat zeg je uit beleefdheid. Waarom doe je ze niet uit? Wees maar niet verlegen, er is hier niemand.’
‘U houdt me voor de gek, oom.’
Ze aarzelde even, maar toen bukte ze zich, en met haar hand aarzelend op zijn schouder maakte ze de riempjes los.
Toen ze bij het volgende plasje kwamen, bleef hij geamuseerd staan. ‘Zo, nu ben je op blote voeten, laat maar eens kijken hoe je over die plas springt.’
Ze versnelde haar pas en keek hem van opzij aan, nog steeds een meisje van twintig dat tikkertje speelde met haar neefjes op de binnenplaats van het huis van haar ouders, maar zich er inmiddels van bewust dat mannen blikken op haar wierpen terwijl ze door de smalle straatjes van de oude stad liep.
Hij pakte haar arm en zwaaide die op en neer. ‘Een, twee, drie, en springen maar!’
Ze aarzelde even, wilde eigenlijk niet springen, deed het toen toch, en kwam met gespetter net aan de overkant van de plas neer.
‘Nog een keer!’ drong hij aan. Ze sprong over het volgende plasje, kwam met een bons neer en draaide zich toen lachend naar hem om.
‘Goed zo! Ik heb pony’s gehad die het slechter deden dan jij.’
‘Nu houdt u me toch écht voor de gek.’
Rafik kwam aanlopen over de oprijlaan met de melding dat Sarwat, K.K.’s jongste dochter, had gebeld. Sarwat was getrouwd met een puissant rijke industrieel en woonde in Karachi. Zonder zich te haasten liep K.K. weer naar binnen, en Husna ging op de veranda in een van de stoelen zitten die daar stonden voor de mensen die ’s morgens om een gunst kwamen vragen: of de oude man een brief wilde sturen naar de regeringsbeambten, of hij misschien werk had op een van zijn boerderijen.
Rafik ging ontspannen naast haar staan en tuurde in het duister. Hij wierp een blik op haar blote voeten, maar gaf verder geen commentaar.
‘Zo, Husna bibi,’ zei hij. ‘Hoe gaat het met die brave mensen in het huis van begum Sahib? Hoe is het met Chacha Latif?’
Chacha Latif vervulde in het huis van K.K.’s vrouw dezelfde functie van butler als Rafik en onderhield hartelijke betrekkingen met hem. Op basis van wederzijds respect hielden ze elkaar op de hoogte van de huishoudelijke roddels.
Omdat Chacha Latif Husna altijd met weinig plichtplegingen benaderde, als een gelijke, begreep ze de dubbelzinnigheid van deze opmerking en antwoordde liefjes: ‘Het gaat goed met hem, oom, dank u.’
‘Doe hem de groeten, jongedame,’ zei Rafik, en daarmee was de kous af.
K.K. Harouni kwam naar buiten en hervatte zijn wandeling met Husna. Nadat ze precies drie kilometer hadden gelopen, twintig rondjes, nodigde hij haar uit voor het eten. Hij liet het op een karretje naar de woonkamer brengen, want dan zou ze zich minder opgelaten voelen.
Terwijl Husna zittend op de achterbank van K.K.’s grote, weliswaar oude auto, naar huis werd gereden, en tegen het enorme achterhoofd van de chauffeur aankeek, gingen haar gedachten alle kanten op. Omdat ze te kampen had met vlagen van verpletterende, sombere lethargie, die werden afgewisseld door bijna hysterisch opgewekte momenten, had ze er altijd in geloofd dat ze op een dag zou ontsnappen aan het sombere ouderlijk huis dat in een weinig deftige buurt van de stad stond. Weg van de kale, stoffige, betonnen trappen die uitkwamen op kamers zonder ramen, waarvan de muren in heldere, felle kleuren waren geschilderd, alsof die de mistroostigheid moesten compenseren, en met een televisie waar een geborduurde doek overheen lag. Ze had zichzelf zo lang verpest met dagdromen dat haar ouders bang voor haar buien waren geworden. Ze verachtte hen omdat ze nog altijd in het verleden leefden, en steeds maar weer met verhalen kwamen over het land en geld van hun grootouders. Maar tegelijkertijd had ze het gevoel dat zij het recht had om deel uit te maken van deze wereld en griefde het haar dat ze hiervan was buitengesloten. Haar trots kreeg iets onverzettelijks – net zoals anderen die zich boven hun stand verheven voelden, weigerde ze haar huidige status te accepteren. De onduidelijke dienstbetrekking die ze bij begum Harouni had aanvaard, was de grootste concessie die ze ooit aan haar middelmatige vooruitzichten gedaan. En vanwege deze concessie werd ze alleen nog maar vasthoudender in haar voornemen hogerop te komen; alleen had ze er geen idee van hoe ze dat zou moeten aanpakken.
Husna wist dat ze niet mocht hopen op een huwelijk met een jonge man uit een van de rijke, gegoede families. Ze was net iets beter gekleed dan een dienstmeisje en bekeek hen op afstand tijdens de trouwerijen waar ze met begum Harouni naartoe ging. In die periode, de jaren tachtig, maakten de oude magnaten nog de dienst uit in de regering en was de minister-president een feodale grootgrondbezitter. De zonen uit deze families, tenminste degenen die zich hadden aangepast en snel van geest waren, werden op hun dertigste minister, kwamen aanwaaien op saaie feestjes, gaven acte de présence en onderhielden zich ongedwongen met ouderen, op hun weg naar koele vertrekken waar ijs en alcohol op de tafels prijkten, vertrekken waar zaken werden gedaan. Ze zag voor zich hoe ze zich over buitenlandse vliegvelden haastten, zich op hun gemak voelden in Europese steden waarover ze had gelezen. Ze had zelfs wel een positie willen veroveren in de demi-monde van zangeressen en filmactrices, flamboyante en gevaarlijke wezens van arme komaf – geen enkele vrouw uit de hogere klassen zou erover peinzen dit soort beroepen uit te oefenen – maar het ontbrak haar zowel aan talent als aan schoonheid. Het enige wat haar onderscheidde was doorzettingsvermogen en gewiekstheid; onzichtbare kwaliteiten.
Zonder dat het hem was gezegd, wist de chauffeur dat Husna niet wilde dat iemand zag dat ze ’s avonds laat in de auto van de oude man naar huis werd gebracht, dus zette hij haar af net binnen de poort van het huis in het chique Gulberg. K.K. had dit huis aan zijn vrouw gegeven toen hij uiteindelijk een voor zijn doen ferm besluit had genomen en tegen haar had gezegd dat ze moest vertrekken. Omdat ze, nog maar net uit de purdah, Harouni’s belangstelling niet had weten vast te houden, had ze haar toevlucht genomen tot amuletten, liefdesdrankjes en bezweringen. Tegen zijn vrienden had hij gegrapt dat ze hem per ongeluk nog een keer zou vergiftigen. Maar toen kwam ze op een dag de veranda naast zijn slaapkamer op, waar hij samen met een vriendin thee zat te drinken en een onschuldig spelletje rummy speelde. Temperamentvol als ze was, had ze er in het Punjabi uitgegooid: ‘Ga mijn huis uit, laat mijn man met rust, heks die je bent!’ Harouni’s vriendin, een vrouw uit de hogere kringen die bij de nonnen op school had gezeten, nauwelijks Punjabi sprak en slechts een vaag idee had wie deze vrouw mocht zijn, bleef maar vragen: ‘Wat zegt ze nou, K.K.? Moet ik weg?’ Toch was hij niet van zijn vrouw gescheiden, omdat hij niet van plan was te hertrouwen en er ook niet op uit was haar te vernederen. Sindsdien verkeerde de oude begum Harouni in een staat van broos evenwicht, in de hoop weer aan de zijde van haar man te worden genood. Ze zou natuurlijk razend worden als ze te weten kwam dat Husna net samen met K.K. het avondeten had genuttigd.
Husna liep behoedzaam over de lange, rechte oprijlaan waarlangs bougainville en jasmijn was geplant. Ze ging naar de achterkant van het huis waar de bedienden onder dekens op een binnenplaats lagen, glipte door de openstaande keukendeur en liep via de viezige keuken waar het naar knoflook en curry stonk naar de rijkelijk van tapijten voorziene eetkamer. Ze zag zichzelf in de spiegel boven de open haard die in al geen jaren meer had gebrand. Het beeld van haar onregelmatige trekken, haar steile, droge haar en kleine mond, deed haar ineenkrimpen en ze voelde zich plotseling heel kwetsbaar toen ze dacht aan een aantal domme opmerkingen die haar die avond waren ontsnapt. Ze voelde de enormiteit van haar samenzijn met K.K. Harouni.
De oude dame werd niet wakker toen Husna binnensloop, maar tegen het ochtendgloren riep ze haar met de mededeling dat ze niet meer kon slapen en dat het meisje haar benen moest masseren.
[...]
© Daniyal Mueenuddin
foto © Cecilie Brenden





