Athenaeum Boekhandel
Elke nacht verdieping: voorpublicaties, interviews, beschouwingen en boeken bestellen

Vandaag in de Nacht RSS



Bookmark and Share

Douwe Draaisma, De tweede dood. En hoe eraan te ontkomen (Spui25)

door Douwe Draaisma

Vrijdag 18 september houdt Douwe Draaisma de derde Spui25-lezing, over schrijven en herinnering: De tweede dood. En hoe eraan te ontkomen. Hij zal ingaan op de teksten die mensen in hun laatste momenten schrijven om niet vergeten te worden. De lezing, in de aula van de Universiteit van Amsterdam, zal geïntroduceerd worden door José van Dijck, decaan van de Faculteit der Geesteswetenschappen (FGw) en hoogleraar Televisie, media en cultuur aan de UvA. We spraken kort met haar over de kwaliteiten van de spreker, en mochten de twee eerste pagina's van Draaisma's lezing publiceren.

José van Dijck over Douwe Draaisma

'In de eerste plaats is Douwe Draaisma een bijzonder interessante spreker, omdat hij expert is op vier wetenschapsgebieden, psychologie, geschiedenis, filosofie en literatuurwetenschap - een ongewone veelzijdigheid, zeker als je vaststelt dat hij buitengewoon erudiet is op al die gebieden. Maar hij weet het ook te verpakken: zijn literaire talent, zijn vermogen om materie toegankelijk te maken maakt hem de Spui25-spreker bij uitstek.

Ik kende hem al van congressen en dergelijke, we hebben al eens samengewerkt aan een symposium over muziek en geheugen, we delen een fascinatie. Maar ik leerde hem als schrijver en popularisator pas goed kennen met De metaforenmachine, zijn proefschrift. Daarin stelt hij een grote kennis tentoon van metaforen, van stijl, en het idee dat hij daarin oppert, van apparaten die de geheugenfunctie overnemen, is ijzersterk. Daarna ben ik zijn werk blijven volgen.

De derde reden om ook de 18de naar hem te komen luisteren is dat hij naast een veelzijdig wetenschapper en een goed schrijver, ook een uitstekend spreker is. Hij is eigenlijk een echte verhalenverteller - hij heeft niet voor niets de Eurekaprijs gekregen -, en weet dat met onderkoelde humor en met een aansprekende, nooit neerbuigende toon te doen. Ik kijk ernaaruit hem dat ook vrijdag weer te zien doen.'

Meer Douwe Draaisma bij KRO Profiel, en op zijn website: douwedraaisma.nl. Naast De metaforenmachine schreef hij de volgende boeken:

De tweede dood - de eerste pagina's

Tussen het najaar van 1792 en de zomer van 1794 leek Parijs één grote gevangenis. Het nieuwe revolutionaire bewind, dat in september 1792 de Republiek had uitgeroepen, vorderde door de hele stad kloosters en kerken, scholen en kazernes. De gevangenen die hierin werden ondergebracht waren gearresteerd op verdenking van contra-revolutionaire activiteiten. Het is het tijdvak in de Franse geschiedenis dat bekend staat als de Terreur. Zo'n zevenduizend mensen verschenen voor de revolutionaire Raad die speciaal voor delicten tegen de Revolutie was ingesteld; tijdens het hoogtepunt van de Terreur, de julimaand van 1794, werd over 1370 mannen en vrouwen het doodvonnis uitgesproken. Zij stierven onder de guillotine, die stond opgesteld op de Place de la Révolution.

Waar waren ze van beschuldigd? De aanklachten liepen uiteen. Soms betrof het verraad, verduistering of corruptie, anderen zouden er verdachte betrekkingen op nahouden of iets geschreven hebben dat uitgelegd kon worden als in strijd met de geest van de Revolutie. Vooral tegen economische delicten - of het vermoeden daarvan - werd streng opgetreden. Het revolutionaire bewind had in snel tempo een serie decreten uitgevaardigd die moesten voorkomen dat geld of goederen aan de Franse staat onttrokken werden. Zo bepaalde een van de ene op de andere dag uitgevaardigde 'wet op de emigranten' dat bezittingen van leden van de vroegere aristocratie die naar het buitenland waren gevlucht verbeurd werden verklaard. Veel hertogen, graven en markiezen reisden halsoverkop terug uit Zwitserland of Holland om hun verblijf in Frankrijk officieel te laten registreren. Dat lukte alleen nog met vervalste verblijfsvergunningen en vaak liep het erop uit dat ze werden gearresteerd en ze hun kapitaal alsnog geconfisqueerd zagen. De veertig tijdelijke gevangenissen in Parijs vulden zich met adel, maar ook met gewezen rechters, vroegere officieren aan het koninklijk hof of priesters die hadden geweigerd de constitutionele eed af te leggen. De wetgeving was uiterst willekeurig, de handhaving wreed en repressief. De openbare aanklager van de revolutionaire Raad heette Fouquier-Tinville. Hij was aangesteld op de omineuze jaarwedde van 666 pond. Hij hield zich strikt en zonder enig mededogen aan de letter van de wet, hoe willekeurig die wet ook was.

Fouquier-Tinville slaagde erin zo goed als elke voorgeleide veroordeeld te krijgen. Soms was bij een huiszoeking een brief uit het buitenland gevonden die niet was aangegeven, soms was er het vermoeden van een samenzwering. De aanleiding voor de arrestatie kon zijn dat iemand ervan werd 'verdacht verdacht te zijn.' Eenmaal in handen van deze aanklager en zijn machtige justitiële apparaat koesterden de meeste arrestanten geen illusies meer over hun kans het er nog levend vanaf te brengen. Veroordeling betekende een zekere dood, hoger beroep bestond niet. De wet stond slechts één vorm van uitstel toe. Als een veroordeelde in verwachting was werd de executie opgeschort tot een etmaal na de bevalling, wat betekende dat de eerste weeën tegelijk de aankondiging waren van een spoedige dood.

De veroordeelden kregen toestemming afscheidsbrieven te schrijven. Er zijn enkele honderden van gepubliceerd. Ook tweehonderd jaar later lees je ze nog met ontroering, maar ook met schroom. Ze zijn ze niet aan jou gericht. Ze zijn bestemd voor de dierbaarsten, voor kinderen, ouders, man of vrouw, broers en zussen, geliefden, vrienden, of wie ze ook maar kozen om hun laatste bericht aan te zenden. Je maakt inbreuk op het pact van intimiteit dat tussen een briefschrijver en zijn lezer bestaat.

Maar er is nog een tweede reden om je beschroomd te voelen. Je leest ze in plaats van de nabestaanden - geen van deze brieven heeft ooit zijn bestemming bereikt. Ze zijn stuk voor stuk onderschept, onderzocht op informatie die voor de revolutionaire Raad nog van belang kon zijn en daarna in het gevangenisarchief gestopt. Niemand van die kinderen, ouders, echtgenoten of vrienden heeft ze onder ogen gekregen. Daaraan danken die brieven trouwens ook hun overleving; de afscheidsbrieven die later tijdens een milder regime wel bij de nabestaanden bezorgd werden zijn vrijwel allemaal verloren gegaan. Het is een ironische omkering: met voorbijgaan van de geheugens waar ze door hun schrijvers voor bestemd waren houden de brieven die in het archief belandden nu de herinnering aan de Terreur levend.

Wat al die schrijvers gemeen hebben is de zekerheid dat ze binnen vierentwintig uur, vaak nog veel korter, zullen sterven. Ze weten dat wat ze nu schrijven het laatste is dat ze hun dierbaren nog kunnen zeggen. Ze beseffen dat ze heel spoedig alleen nog in de herinnering van hun dierbaren zullen voortleven. Nu hun dood zo dichtbij is, krijgt juist die herinnering betekenis. In dit moeilijkste uur zoeken ze troost in het vooruitzicht herinnerd te worden. Het is in onze tijd wel aangeduid als 'de tweede dood': dood ben je pas als je uit de herinneringen van de achterblijvers bent verdwenen. Die eerste dood, op het schavot, morgenochtend of over een paar uur, daarin konden ze niet anders dan berusten, die was onafwendbaar; bij de tweede dood wilde niemand zich neerleggen. Iedere briefschrijver probeerde er zijn eigen woorden voor te vinden, maar ze hebben als kern 'vergeet mij niet', wat in al zijn eenvoud ook de meest gebruikte formulering is.

Maar meestal bleef het niet bij deze smeekbede. Zo goed als elke brief bevat instructies over het juiste beheer van de nagedachtenis. Soms betrof dat de omgang met aandenkens, vaker de omgang met de herinnering zelf. Wat kon er gedaan worden om het vergeten op afstand te houden? Wat moesten achterblijvers als herinnering koesteren en wat juist niet? Hoe om te gaan met de herinneringen van kinderen, nu nog te jong om te bevatten wat er met hun vader of moeder was gebeurd? En vooral: hoe wilde de schrijver in de herinnering voortleven? Wat voor vrouw of man, vader of moeder, zoon of dochter, geliefde of vriend waren ze geweest? Wat wilden ze hun dierbaren nog meegeven? Wat was, als je maar een paar vellen papier tot je beschikking had, vaak nog minder, het meest wezenlijke dat je over jezelf in de herinnering wilde aanbevelen? Deze vragen hadden nu een plotselinge urgentie gekregen.




Gerelateerde artikelen

Korting op alle 518 delen Loeb Classical Library: Griekse en Latijnse klassiekers van € 21,95 voor € 18,95.

Boek van de Nacht

De metaforenmachine
Douwe Draaisma
Historische Uitgeverij Groningen
€ 27,50

In samenwerking met

Spui25