Vandaag in de Nacht
Nawoord bij Ernst Jünger, Luitenant Sturm
door Frits BotermanOp 22 oktober verschijnt Ernst Jüngers autobiografische novelle Sturm in de reeks Oorlogsdomein van Uitgeverij Arbeiderspers. De novelle beschrijft hoe drie bevriende Duitse officieren zich staande proberen te houden in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. De jonge luitenant Hans Sturm, zoöloog van beroep, is een dandyeske estheet wiens zintuigen door de oorlog op scherp worden gezet. Tussen de bombardementen door schrijft hij verhalen, die hij onder het genot van grog en pijptabak voorleest aan zijn vrienden. Op die manier tracht hij zijn artistieke temperament in balans te brengen met het soldatenleven.
In het nawoord van historicus Frits Boterman, waarvan vanacht de eerste pagina's zijn te lezen, wordt Ernst Jünger en zijn werk in de tijd geplaatst.
Oorlog als bron van zuiverheid: Ernst Jüngers conservatieve revolutie
De ervaringen in de Eerste Wereldoorlog beheersten het denken en doen van de Duitse schrijver Ernst Jünger tijdens de Republiek van Weimar. Hij was in vele, vaak tegenstrijdige opzichten representatief voor de intellectueel in de meest gewelddadige periode van de moderne Duitse geschiedenis. Het werk van deze onverwoestbare auteur — zijn leven (1895-1998) omspant meer dan een eeuw — was één lange getuigenis van de revolutionaire veranderingen in zijn tijd. Niet alleen de Eerste Wereldoorlog, maar ook de Russische Revolutie hield deze oorlogsgeneratie in de ban.
Jünger was een van de velen die in het interbellum geconfronteerd werden met een diepgaande cultuurcrisis en die moesten leren leven met het waarderelativisme en het gapende gat van het nihilisme. De overkoepelende problematiek in zijn werk was de innerlijke strijd tussen de «zuiverheid» van de negentiende eeuw en de «onzuiverheid» van de twintigste eeuw, het idee gedoemd te zijn te leven in de cesuur van twee tijdperken. Hij dwaalde tussen twee werelden, die van de burgerlijke estheet en die van de staalharde frontsoldaat, tussen romantisch subjectivisme en politiek activisme, tussen Innerlichkeit en moderniteit. Dit dilemma, dat hem gevaarlijk dicht bij de afgrond van het nazisme zou brengen, zou Jünger steeds achtervolgen en maakte hem vanwege zijn politieke engagement in de jaren twintig tot de dag van vandaag omstreden. De een ziet in zijn werk de verheerlijking van de oorlog en een militante antidemocratische stellingname, terwijl de ander de realistische weergave van de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog prijst.
Jünger wisselde in zijn leven steeds als een kameleon van rol. Hij noemde zichzelf de «Anarch», een mengeling van de anarchist of conservatieve anarchist zoals Hans-Peter Schwarz hem heeft getypeerd, en van de aristocraat van de geest, de verheven individualist. Het proteïsche karakter van zijn denken en handelen geeft hem nog steeds iets hermetisch, ongrijpbaars en irritants.
Ook wat zijn terminologie betreft maakte hij omtrekkende bewegingen, cirkels die een onzichtbare kern verhulden. Het was alsof hij een groot geheim voor de lezer verborgen hield.
Een vergeten novelle: Sturm
Na het verschijnen van zijn oorlogsboeken In Stahlgewittern (1920) en Der Kampf als inneres Erlebnis (1922) publiceerde Jünger in het conservatieve dagblad Hannoverscher Kurier tussen 11 en 27 april 1923 zijn eerste verhaal Sturm. Dit feuilleton in zestien afleveringen werd niet in boekvorm uitgegeven en gold lange tijd als verdwenen. Pas in 1963 werden deze afleveringen gebundeld, wat opvallend is, omdat Jünger bekendstaat om de talloze herschrijvingen en veranderingen van zijn teksten. Het verhaal is dan ook pas veel later in Jüngers verzameld werk opgenomen.
Het thema van deze korte roman is de frontervaring van de jonge vaandrig Hans Sturm, die door de «atavistische springvloed» van de oorlog uit zijn luxueuze studentenleventje is gerukt. De hoofdfiguren zijn drie met elkaar bevriende officieren, die als individualisten worden voorgesteld. Zij houden zich behalve met oorlogvoering bezig met de literatuur, met schrijvers en dichters als Baudelaire, Huysmans, Trakl, Dostojevski en Wilde, allen typische vertegenwoordigers van het fin de siècle. De oorlog is voor hen nog een schouwspel dat de burgerlijke verveling moest verdrijven. Het dandyisme is voelbaar; de drie vrienden zijn aristocraten van de geest, die zich te midden van het oorlogsgeweld en de culturele nivellering staande proberen te houden door middel van de kunst. Sturm leest tijdens de gevechtspauzes zijn novelles voor aan zijn vrienden.
Wat de novelle Sturm interessant maakt, is dat de hoofdfiguur nog niet gekozen heeft tussen het artistieke bestaan als bohémien en het soldatenleven. De oorlog wordt in het boek (nog) niet als een oercatastrofe beschouwd waaruit de politieke vernieuwing van Duitsland zou voortkomen. Achter het masker van de staalharde frontsoldaat, zoals die uit Jüngers oorlogsboeken naar voren komt, wordt af en toe de twijfel zichtbaar over de zin van de loopgravenstrijd, een conclusie die hij later als politiek activist het liefst wilde verdringen. Niet de dappere oorlogsheld staat voorop, maar de enkeling als het slachtoffer van de allesvernietigende oorlogsmachine, of zoals Jünger het verwoordt: de «vlucht van de kunstenaar uit een heroïsche tijd». De schrijver in spe worstelt duidelijk nog met de vraag hoe zijn schokkende oorlogservaringen literair vorm te geven zijn; de afstand is nog te gering, het puur feitelijke is nog te dichtbij. Het verhaal is in zekere zin een zelfportret; het gaat over de onmogelijkheid om een roman over de oorlog te schrijven zonder dat ideologische legitimatie een rol van betekenis speelt. Jünger aarzelt nog tussen literatuur en politiek engagement, tussen distantie en betrokkenheid en tussen Geist und Macht.
De hoofdpersoon in Sturm sterft aan het front, waarmee de tegenspraak tussen schrijver en strijder schijnbaar wordt opgelost. «Zijn laatste gevoel was dat van verzinken in de werveling van een oeroude melodie.» Met deze slotzin neemt Jünger afstand van zijn held en alter ego Sturm en tevens van de ideologische uitgangspunten van zijn eerste twee boeken. Om zich te bevrijden van zijn dilemma, schrijver of soldaat, laat hij zijn hoofdfiguur een mooie romantische dood sterven, een dood die Jünger zich wellicht zelf gewenst had. In de praktijk koos Jünger voor een andere oplossing van zijn dilemma. Het is niet toevallig dat hij op 31 augustus 1923 uit de Reichswehr trad om zich aan het schrijverschap en het politieke activisme te wijden. Het is ook niet toevallig dat Jünger de novelle Sturm niet als boek heeft uitgegeven, omdat deze hem te veel herinnerde aan zijn mislukte poging om de rol van soldaat en die van schrijver met elkaar te combineren. De fin-de-sièclestemming die uit dit boekje spreekt, stond op gespannen voet met de barbaarse dimensies van de Eerste Wereldoorlog en de politieke conclusies die hij als activist hieruit zou trekken. Waarschijnlijk paste de novelle niet in het beeld van de onverschrokken oorlogsheld, zeker niet toen hij politiek actief was in de rechts-nationale oppositiebeweging tegen de Republiek van Weimar.
Een aantal thema’s in Jüngers werk is in Sturm al herkenbaar. Jünger had last van schuldgevoelens over het overleven van de oorlog, omdat zijn vrienden en schoolkameraden wel waren gesneuveld. Het ging om het afwentelen van zijn schuldgevoelens op anderen, het verdringen van de traumatische ervaring in een mythische romantisering van de catastrofe en een esthetisering van de dood om zelf te kunnen overleven. Het ging ook om puberteitsescapisme, de afscherming en projectie van eigen angstgevoelens. Daarbij speelde natuurlijk het streven mee om de nagedachtenis van degenen die sneuvelden zuiver te houden. Om dit te begrijpen moet natuurlijk een onderscheid gemaakt worden tussen de motieven om vrijwillig mee te doen aan de oorlog en de zingeving van de oorlog achteraf.
Avontuurlijk leven
Sturms leven heeft raakvlakken met dat van Jünger, die op 29 maart 1895 in Heidelberg was geboren als zoon van een chemicus en apotheker. Het gezin, dat in 1907 naar Hannover verhuisde, telde zeven kinderen, van wie er twee vroeg waren gestorven.
Jünger was een dromer, hunkerend naar gevaar en spanning; het ontvluchten van de realiteit en het vlakke materialisme van zijn tijd zouden kenmerkend zijn voor de rest van zijn leven. Hij was een einzelgänger, een escapist op zoek naar een kosmische ordening, een diepe beleving, naar «extase». Het zoeken van een avontuurlijk leven buiten de gereguleerde, saaie burgerlijke wereld en het verlangen om daden te stellen bepaalden zijn leven vóór 1914. «Een verborgen afkeer jegens al het nuttige werd van dag tot dag sterker. Lezen en dromen waren de verdovende tegengiften, maar de gebieden waarin daden mogelijk waren, schenen onbereikbaar ver.» Met zijn broer Friedrich Georg had hij een hechte band en deelde hij de liefde voor de natuur. Samen maakten zij wandeltochten door de Karpaten, samen sloten zij zich aan bij de Wandervogelbewegung, waarin zij een Männerbund van gelijkgezinden vonden. Hij trok zich terug in een literaire wereld en schreef al snel zijn eerste gedichten. Een vurig verlangen naar verre streken maakte zich van hem meester. Jünger ontwikkelde een passie voor Afrika («het summum van het wilde en oorspronkelijke»), waar «het gevecht van natuurlijke krachten zuiver en doelloos tot uitdrukking kwam». Tijdelijk kwam hij in dienst van het Franse vreemdelingenlegioen, op de vlucht voor de alledaagse verveling, ver weg van de westerse civilisatie. Deze eerste confrontatie met de werkelijkheid liep echter uit op een teleurstelling, die Jünger later in zijn roman Afrikanische Spiele (1936) verwoordde. Hij werd teruggehaald door zijn vader, aan wie hij moest beloven pas na zijn eindexamen mee te doen aan een nieuw avontuur. Dat avontuur werd de Eerste Wereldoorlog.
De gymnasiumleerling meldde zich in augustus 1914 als oorlogsvrijwilliger in Hannover bij het fuseliersregiment nr. 73 en deed enkele dagen later Notabitur, een soort vervroegd eindexamen in verband met de oorlog. Ook Jünger werd overvallen door het enthousiasme van de augustusdagen dat Europa in zijn greep hield. «Geen geestdrift was dieper en overweldigender dan op die dag. Het was een indruk van bloed, rozen en verrukkelijke tranen.» Zijn avontuurzucht kwam niet zozeer voort uit zijn liefde voor het vaderland, als wel uit zijn drang om een zelfstandige levensweg te volgen. In afwachting van zijn oproep liet Jünger zich inschrijven bij de universiteit van Heidelberg, en pas op 6 oktober werd hij ingelijfd en naar het front gestuurd. Hij had een klein aantekeningenboekje op zak waarin hij zijn belevenissen noteerde. In plaats van een snelle overwinning mee te maken kwam hij terecht in een verstarde stellingenoorlog aan het westelijk front, vol «smerigheid, geploeter en slapeloze nachten». De opmars van de Duitse troepen kwam bij de Marne tot stilstand en bij Langemarck en Ieper vonden duizenden jongeren de dood. De Materialschlacht bracht al snel ontnuchtering en niet de gedroomde ridderlijkheid van vrolijk wapengekletter en mooie uniformen.
Pas op 27 december 1914 kwam hij aan het front in de Champagne terecht. Er volgde een snelle militaire carrière. Hij werd bevorderd, eerst tot aspirant-officier, vaandrig en ten slotte tot luitenant, en raakte meerdere malen gewond. In 1917 werd hij officier van een stoottroep, een soort zelfstandige commando-eenheid die belast werd met de uitvoering van allerlei lastige opdrachten. Op 22 september 1918 kreeg hij de hoogste militaire onderscheiding, Pour le Mérite, uitgereikt. Het einde van de oorlog beleefde hij in een lazaret in Hannover.
Na de oorlog bleef Jünger als een van de weinige niet-beroepsofficieren in het leger. Op 26 oktober 1923 ging hij eerst in Leipzig bij Hans Driesch en later in Napels zoölogie studeren, hoewel hij deze studie al weer in 1925 (officieel op 26 mei 1926) afbrak. De interesse voor kevers en andere insecten zou hij als «subtiele jager» en verzamelaar zijn leven lang behouden.
In 1925 trouwde hij met Gretha von Jeinsen, die hem twee zonen schonk.
In Stahlgewittern en der Kampf als Inneres Erlebnis
Niet de wilhelminische periode van voor 1914, maar de frontervaring was Jüngers belangrijkste ervaring, niet als aanklacht of protest, maar als levenstaak en inspiratiebron. Welke plaats moesten de oorlogservaringen in zijn persoonlijke leven krijgen en hoe moest hij ook na een oorlog zien te overleven? Hoe moest de betekenis van deze wereldramp literair, filosofisch en historisch geduid worden en welke lessen waren eruit te trekken? De oorlog werd voor Jünger in navolging van Heraclitus de oerbron van het leven zelf, en dat gold ook voor geestverwanten als zijn broer Friedrich Georg, Friedrich Hielscher, Franz Schauwecker, Ernst von Salomon en andere revolutionaire nationalisten. «De oorlog is onze vader, heeft ons als een nieuw geslacht verwekt in de gloeiende schoot van de oorlogsgraven, en wij zijn trots op onze afkomst.»
Al snel na de oorlog begon Jünger — op aanraden van zijn vader — over zijn ervaringen aan het front te schrijven, gebaseerd op dagboekaantekeningen die hij tijdens de oorlog had gemaakt. In Stahlgewittern werd in 1918-1919 geschreven onder invloed van de nederlaag en de Novemberrevolutie, in een toestand van volledige geestelijke verlatenheid («verschrikkelijke tijd»). Later zouden er nog talloze versies van het boek verschijnen, die niet alleen stilistisch, maar ook in politiek opzicht van elkaar verschillen.
De motieven om dit boek te schrijven waren divers. Behalve de behoefte om technisch-militaire zaken aan de orde te stellen en om rekenschap af te leggen over wat hij in de oorlog had gedaan, was het vooral een poging om zijn frontervaringen op een literaire wijze te verwerken, niet te objectiveren, maar te subjectiveren en esthetiseren. In politiek opzicht was het vooral geschreven tegen de naoorlogse tijdgeest, tegen de «schooiers» en «deserteurs» die door hem verantwoordelijk werden gehouden voor de smadelijke nederlaag. De heroïsche waarden van de soldaten moesten verdedigd worden tegenover de wereld van de laffe «filisters» die de wereld «met hun elleboog maten». Jüngers tegenargumenten lagen op het terrein van de strijdlust en van het stand weten te houden te midden van trommelvuur en vijandelijke aanvallen.
In In Stahlgewittern bezong Jünger de moed van de soldaat tijdens de lijf-aan-lijfgevechten. Het is alsof hij zich alleen aan het front bevond, want elke sociale of historische context ontbreekt. Er is een spanning tussen de exacte en zakelijke beschrijving van de gebeurtenissen en de idealisering van de daden van de hoofdpersoon. Deze was meer observator, een «registrerende waarnemer» dan een man van de daad. De figuren in het boek worden beschreven alsof ze op een toneel acteren, terwijl de hoofdfiguur als eenzame oorlogsheld wordt gestileerd, zonder dat men kan zeggen dat het boek echte propagandistische waarde heeft gehad voor een militaire vernieuwing van Duitsland. Daarvoor staan in het boek te veel gruwelijke details.
In Jüngers beschrijving van de oorlogsellende ligt de nadruk op het meest verschrikkelijke moment, wat Karl Heinz Bohrer «die Ästhetik des Schreckens» heeft genoemd. De burgerlijke ethiek moest wijken voor de esthetiek van het nietzscheaanse nihilisme. Estheticisme kwam in de plaats van moraliteit, distantie in plaats van compassie, koelheid in plaats van werkelijk gevoelde afschuw. Tegelijkertijd verheerlijkte Jünger de «extase», de droom en de energie die de oorlog in hem opriep. De oorlog wordt door hem geassocieerd met het schemergebied tussen dromen en waken, met een wereld waarin grenzen tussen werkelijkheid en fictie, leven en dood vervagen. Men zou hierin een poging kunnen zien om zich met zijn verstand tegen eigen angstgevoelens te beschermen, en tegelijkertijd het «leed» op een hoger niveau te plaatsen, namelijk in de grootst mogelijke chaos de hoogste sereniteit te willen bewaren. De shock van de oorlog kon alleen met een literair schokeffect bestreden worden; de herbeleving van traumatische ervaringen aan het front kon alleen vergroot en geïntensiveerd worden door deze door hemzelf opgeroepen afgrijselijke beelden. Hij moest in contact treden met het gruwelijke, wilden de verschrikkingen uiteindelijk overwonnen kunnen worden, bijvoorbeeld de afkeer om naar gesneuvelde soldaten en gedode paarden te kijken.
Naast de herbeleving van het oorlogstrauma in droombeelden of liever gezegd naast de doodsangst die zich in nachtmerries uit, is er in Jüngers werk meer aan de hand. De volgende thema’s keren regelmatig terug en hebben een politieke implicatie: de mythologisering van de oorlog, de verhouding van de soldaat tot de vernietigende kracht van de Materialschlacht, de machteloze positie van het individu tegenover de techniek, het «heroïsch realisme», het radicale nationalisme, en uiteindelijk de «Gestalt» van de arbeider-soldaat.
In zijn tweede boek, het essay Der Kampf als inneres Erlebnis, «verinnerlijkte» Jünger de oorlog. Niet de buitenkant van de strijd, maar het vormgeven aan de beleving van de oorlog kreeg meer ruimte. Hiermee bereidde hij zijn overgang naar het kunstenaarsbestaan voor. Hij werd in deze tijd, behalve door het expressionisme, beïnvloed door de ideeën van Oswald Spengler, Maurice Barrès en natuurlijk van Friedrich Nietzsche. Het dierlijke aspect van de oorlog, waarin de nietzscheaanse dionysische extase tot uitdrukking kwam, gaf Jünger ook een artistieke impuls. Ondertussen hield hij nog vast aan de heroïsche mens achter de machine. Technische aspecten werden door hem zo veel mogelijk weggelaten.
Dit minst succesvolle boek van Jünger is op te vatten als cultuurkritiek op de «kuddemoraal» van de burgerij, zoals die ook al in navolging van Nietzsche aan het eind van de negentiende eeuw werd geuit. De burger was laf en onrein, terwijl de soldaat de status van heilige had bereikt. De burger stond voor het negatieve, want deze werd verantwoordelijk gesteld voor het hoogverraad van de Novemberrevolutie en de partijenstaat van Weimar. De oorlog was daarentegen de ware Duitse Revolutie en vooral een esthetisch schouwspel. «Niet waarvoor we strijden is het wezenlijke, maar hoe wij strijden», luidt de sleutelzin uit Der Kampf als inneres Erlebnis. In de oorlog had elke moraliteit haar waarde verloren; de zin van de strijd lag in de schoonheid van de strijd zelf. Esthetiek en geweld liggen, zoals Peter Reichel heeft aangetoond, dicht bij elkaar. Niet politieke of militaire overwegingen, maar geestelijke waarden gaven de doorslag, de oorlogvoering als een soort l’art pour l’art. In het vasthouden aan authenticiteit en schoonheid werd de zin van de oorlog gevonden.
De innerlijke tweestrijd van Jünger is ook in dit essay aanwezig. Hierin voltrok zich wederom de scheiding tussen de estheet en de landsknecht, het avontuurlijke hart en de kilte van het verstand, en gaapte er een diepe kloof tussen cultuur en leven. Het voornemen de heroïsche rol te combineren met het artistieke plan om schrijver te worden mislukte uiteindelijk. Het probleem waarvoor Jünger stond, strijder of schrijver, werd niet opgelost. Het hart werd niet voldoende verwarmd en bleef wederom eenzaam achter, verlangend naar de dood. De strijder bestond niet meer en een schrijver was hij (nog) niet. Zijn eerdergenoemde verhaal Sturm was van deze worsteling het in zijn ogen mislukte resultaat. Om zijn dilemma te omzeilen koos Jünger vervolgens voor het politieke activisme.
Boek van de Nacht
![]() |
Luitenant Sturm
De Arbeiderspers
|
€ 16,50 |
In samenwerking met
![]()




