Vandaag in de Nacht
De telescoop van Schopenhauer
door Gerard DonovanHet is een van de beste vertaalde romans van 2010 volgens Athenaeum Boekhandel Haarlem: Gerard Donovan, De telescoop van Schopenhauer, vertaald door Marion Op den Camp. Vanavond kunt u een fragment uit het boek lezen en uw exemplaar aanschaffen.
Het is oorlog, het sneeuwt en het is ijskoud. Vrachtwagens met menselijke lading rijden af en aan. Een eenvoudige dorpsbakker graaft een gat, terwijl een leraar toekijkt. De leraar hoort de bakker uit. Wat weet hij over geschiedenis, wat over filosofie, en wat kan hij hem vertellen over liefde? De leraar lijkt de situatie onder controle te hebben als het graf verder wordt uitgediept. Eén cruciale vraag wil de leraar nog aan de bakker stellen: leeft zijn vrouw nog en waar is ze? Realiseert de leraar zich dat zijn wijsheid hem niet helpt en dat als de duisternis valt een van hen niet meer leeft?
Donovan weet de grote abstracties van oorlogen ver van huis te vertalen naar een confrontatie tussen twee mannen. De menselijke details kruipen onder de huid en maken de spanning in elke zin voelbaar. Net als in Julius Winsome maakt Gerard Donovan emoties tastbaar en zet hij een absoluut geloofwaardig kunstwerk neer.
De eerste pagina's van deze roman zijn te lezen op de site van de uitgever, Ailantus.nl.
De strijd
Twee dagen geleden kwam de oorlog naar onze stad.
De spanningen aan de grens leidden tot schermutselingen en daarna onvermijdelijk tot een veldslag en, natuurlijk, oorlog. Menselijke conflicten: je kunt je horloge erop gelijkzetten. Het is tot op de seconde nauwkeurig gelijk aan eigenbelang.
Een week lang werd er alleen aan de grens geschoten. De berichten deden een gelijke strijd en een mogelijke wapenstilstand vermoeden. Maar het vechten hield niet op. Ik kon het horen vanuit mijn slaapkamer, gedreun, af en toe een lichtflits op de muur. Ik werd op een nacht wakker toen het achtergrondgeluid veranderde in voorgrondgeluid, het kanongebulder klonk duidelijk harder, waarschijnlijk op de weg van de grensplaats naar ons. Er moest een doorbraak zijn geweest. De onzen konden ze niet tegenhouden.
Toen de explosies. De grond trilde.
Het was nog maar nauwelijks licht. Ik kwam uit bed en kroop op mijn buik naar het raam en gluurde door een hoekje. Mijn hart blokkeerde van angst en bonkte om zich te bevrijden van mijn bloed. In plaats van een ritmisch dedum, de-dum, zei het: Ga weg, ga weg.
Het kanongebulder werd luider, een hels lawaai, en de oorlog stelde zich voor met weinig meer dan een hoofdknik. Het begon met soldaten in zwarte uniformen, de verdedigers, die door de stad renden met alle wapens die ze konden dragen. De schermutselingen duurden vijf, hooguit tien minuten. De soldaten in het zwart trokken zich te snel terug om de stad te kunnen verdedigen. Waarschijnlijk verrast door een aanval.
Ze renden, draaiden zich om en losten een schot. Renden, draaiden zich om en losten een schot. Het was ze blijkbaar niet gelukt om een stelling te betrekken. En dan nog iets: zo metalig als het schieten klonk! Het was allemaal een kwestie van hitte en staal, en menselijke geluiden kwamen er volgens mij niet aan te pas. Helemaal niet. Het hadden net zo goed vechtende robots kunnen zijn. Geen gegil, geen geschreeuw. Cordiet, olie, de stank van kool uit een omgekeerde vuilnisbak op straat waar een kat aarzelde tussen eten en vluchten en een veilig heenkomen zocht in de vuilnisbak toen de kogels door de straat ricocheerden in een wilde tapdans van opspattende vonken. Dat is alles wat ik hoorde. Schaduwen renden, vlammen sprongen als lasbranders uit het donker tevoorschijn.
Toen een geluid alsof een orgeldraaier op lege blikken beukte.
Een tank.
Hij ratelde de hoek om en remde gierend op het stadsplein. De motor liet mijn huis dreunen op zijn grondvesten. Wat een verschrikkelijk geluid, dat gedreun. Mijn huis was van papier, mijn huid van water, mijn leven plotseling doorzichtig. Ik dacht: Ik ga dood.
Ze doden iedereen, weet u.
De zwarte uniformen draaiden zich om en schoten op de tank, maar de kogels ketsten af op de romp en raakten in plaats daarvan de huizen. Het kanon van de tank ging knarsend omhoog en spuwde gele rook: tweehonderd meter verderop verloor een toren zijn spits in een doffe bruine explosie van bakstenen. De geschutkoepel draaide, het voorste machinegeweer vuurde met korte salvo’s. En plotseling, alsof de tank ze gebaard had, wemelde het rondom van mannen in groene uniformen. Ze schoten op de zwarte uniformen. Een van de aanvallers, misschien overmoedig vanwege de tank, bleef midden op straat staan in plaats van dekking te zoeken bij muren en huizen, maar een lichtspoorkogel ketste af en raakte hem, en hij liet zijn wapen los, zakte op z’n knieën, viel voorover in de modder en bewoog niet meer.
Als een voorjaarsbui trok de oorlog door de stad. De metalige knallen stierven weg, werden holler, ieler. Daarna bleef het ongeveer een uur stil. Niemand durfde de straat op te gaan. De zon kwam op. Toen arriveerden er vrachtwagens met nog meer soldaten in groene uniformen, beter gekleed, minder vermoeid van de strijd – of misschien zagen ze er beter uit omdat het licht hun huid vleziger deed lijken. Minder als spookverschijningen. Maar goed, ze leefden en de zon scheen. Niemand ziet eruit als een spookverschijning onder die omstandigheden. En toen de zon hoger stond zag ik nog drie doden, een met zijn been in de lucht, zijn voet hangend aan een enkelband. De andere twee hadden ook kunnen liggen dutten na een dag hard werken op het land. Ik was een beetje teleurgesteld bij de aanblik van mijn eerste oorlogsdoden.
De groene soldaten verspilden geen tijd. Huis na huis joegen ze iedereen naar buiten.
Ze kwamen ook voor mij.
Winter
Felle kou, dat leer je gauw genoeg, wordt bij zijn komst altijd gevolgd door een neefje dat stilte heet. Zelfs het slaan van een spade tegen stenen is niet lang bestand tegen de kou. Niets is bestand tegen de kou. Je adem bevriest in de lucht, je spraak splijt een seconde na het verlaten van je keel open, je woorden breken in de cocon van je zinnen.
Terwijl de wind onbarmhartig over het veld joeg, ging mijn hoofd omlaag en mijn mond stijf dicht. Mijn lippen persten zich op elkaar met een koude blauwe tong ertussen. De sneeuw drapeerde zich over mijn schouders, zweefde mijn longen binnen, lag duimendik op mijn hart, metersdik op mijn ogen, stak messcherp tussen mijn tenen, drong hels mijn poriën binnen, gleed als rivieren van ijswater langs mijn bezwete rug.
Als de perfecte parasiet is sneeuw een geniaal obstakel, dat sterke druk uitoefent op je wilskracht; hoe evenwichtig je gemoedstoestand ook is bij het aanvaarden van de reis, de sneeuw breekt je verzet, maakt je aan het vloeken. Zuigt je energie weg door de zolen van je laarzen. Zo is de winter hier. Die laat zich niet negeren. Niet bestrijden. Niet met stokken verjagen. Hij komt aan het eind van oktober en laat meteen zijn tanden zien. Vijf maanden lang buig je voor hem. Dan vertrekt hij. Je herstelt je.
Dat is mijn visie op de winter.
De linkerhand van de leraar
Om begrijpelijke redenen had ik de linkerhand van de leraar scherp in het oog gehouden. Toen hij hem uit zijn zak haalde, verwachtte ik een of ander vuurwapen, een antiek ding als een soort geste, een Derringer, een Webley, een Mauser. Niets daarvan. De sigarethand verwijderde zich van zijn mond en zijn tengere linkerhand zette een heupflacon aan zijn lippen. Hij hief de flacon bij wijze van groet naar me op.
‘Goede whisky.’
Het houweel sloeg vonken uit een steen en doorboorde de harde klei.
Ik zei: ‘Ik drink niet.’
Hij glimlachte. ‘Je weet niet wat je mist.’
‘Hoe laat is het?’ vroeg ik.
‘Je hebt vijfendertig, veertig minuten gegraven. Dat betekent dat het bijna kwart voor een is.’
Linkerhand terug in de zak. Wat zat daar nog meer in?
‘Wil je wat water?’
Ik negeerde hem, zodat hij niet de baas over me kon spelen met nog meer vragen. Bovendien stond ik voor een logistiek probleem. Nu ik een diepte van iets meer dan een meter had bereikt, moest ik het gat zowel verbreden als verder uitgraven. Zou ik eerst op één plaats alle grond afgraven en het dan verbreden? Op die manier zou ik een tijdje uit de wind zijn. Na enig nadenken besloot ik het te verbreden en gelijktijdig in de diepte te werken. Dan kon ik mijn armen gestaag en regelmatig blijven uitzwaaien en mijn ogen langer op de leraar en de soldaten achter hem gericht houden.
Als het kwam, wilde ik het recht in de ogen kijken.
Om een uur of een betrok de lucht. Het gat was niet dieper, maar het had de juiste lengte en breedte gekregen en bovendien had ik langs één rand een mooi windscherm van klei en sneeuw opgeworpen.
De leraar, die zijn plaats bij het gat geen moment had verlaten, vroeg of ik even wilde pauzeren.
‘Zou je willen praten over de reden waarom je hier bent?’ zei hij.
Daar trapte ik niet in. Geen bekentenissen, geen gesprekken van hart tot hart, van mens tot mens.
‘Je weet dat het nog erger zal worden,’ zei hij.
Ik verstarde.
Hij zei: ‘Ik bedoel het weer. We zijn hier misschien nog wel een paar uur, en we moeten echt praten terwijl je werkt.’
Hij draaide zijn hoofd in de richting van de soldaten bij de geschutstelling.
‘Aan die twee zou ik niet veel hebben als gezelschap. Jij daarentegen moet heel wat te vertellen hebben dat voor mij bijzonder interessant is.’
Ik zei, zonder op te kijken: ‘Ik ben bakker van beroep. We kunnen over het bakkersvak praten als u wilt. Veel anders heb ik u of wie dan ook niet te vertellen.’
Dat beviel hem niet, hij deed een paar stappen naar achteren en keerde me de rug toe. En toen, geloof het of niet, veranderde de wind van richting en striemde er koude lucht onder de zwarte wolken. Ik vervloekte de wind, vervloekte het nutteloze windscherm en groef sneller, rillend en zwetend tegelijk. Ik was nu verwikkeld in een strijd met het weer en met mijn vijanden, en de enige manier om tijd te winnen was mezelf dieper ingraven in een gat in de grond.
© Gerard Donovan
Foto © Jim DeSario





