Dag en nacht over boeken lezen, boeken kopen
Bestel online! Keuze uit meer dan 10 miljoen titels.
Of bezoek onze winkels in Amsterdam en Haarlem.

Leesfragment: Politicus uit hartstocht. Biografie van Pieter Jelles Troelstra RSS

door Piet Hagen

Vandaag is Piet Hagen, Politicus uit hartstocht. Biografie van Pieter Jelles Troelstra verschenen. We mogen enkele revolutionaire pagina's laten lezen, en u kunt nu uw exemplaar reserveren of bestellen.

Troelstra, medeoprichter en dertig jaar aanvoerder van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, is een van de kleurrijkste politici die Nederland gekend heeft.
Deze biografie schetst zijn Friese jeugd en zijn Groningse studententijd, zijn romantisch dichterschap en zijn ontwikkeling van sociaal advocaat tot politiek leider van de Nederlandse sociaal-democratie. Troelstra bestreed anarchisten en communisten even hard als kapitalisten. Hij pleitte voor een Verenigd Europa en verwierf internationale faam als vredesactivist tijdens de Eerste Wereldoorlog. Zijn leven werd getekend door een permanente spanning tussen socialistische theorie en alledaagse praktijk, met als dramatisch hoogte- en dieptepunt de ‘revolutie die niet doorging’ in 1918.
Politiek en persoonlijk leven waren bij Pieter Jelles nauw verweven. Daarom is er ruime aandacht voor de conflicten met zijn liberale vader, zijn huwelijk met en scheiding van schrijfster Nynke van Hichtum, zijn religieuze aanleg en belangstelling voor spiritisme, zijn directeurschap bij een verzekeringsmaatschappij, zijn vriendschappen en ruzies, zijn relaties met dubieuze miljonairs en zijn frequente bezoeken aan buitenlandse kuuroorden.
Politicus uit hartstocht is het levensverhaal van een charismatisch ‘strijder’ die zichzelf zag als de Mozes die zijn soms morrend volk leidde naar het beloofde land.

[...]

Recht uit het hart

’s Middags werd Troelstra opnieuw verrast, nu door het hoofdredactionele commentaar in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Onder het kopje ‘De arbeiderseisen’ pleitte de liberale krant voor inwilliging van een aantal door de arbeidersbeweging gestelde eisen. Naar later bleek was het commentaar in een uur geschreven door hoofdredacteur mr. G.G. van der Hoeven. Op het moment dat hij zijn opzienbarende artikel schreef wist Van der Hoeven uiteraard niet dat Troelstra met revolutie zou dreigen. Dan had hij misschien een andere toon aangeslagen. In ieder geval heeft hij het effect van zijn commentaar onderschat.
In het knipsel dat bewaard is in het Troelstra-archief staat een dikke rode streep onder de zin: ‘Wij staan als het ware voor een maatschappelijke vacuum.’ Hogere lonen, staatspensioen, socialisatie van bedrijven — voor de nrc was het allemaal bespreekbaar. De krant achtte het nodig dat ‘ieder voor zich de oude denkbeelden [...] herziet en tracht de evolutie mee te maken’. ‘De bourgeoisie deed’, in de woorden van Troelstra, ‘vrijwillig afstand’.
Onder invloed van de opzienbarende nieuwsberichten van die dag, het toch nog radicaal uitgevallen eisenpakket van sdap en nvv en het commentaar van de nrc besloot Troelstra wel naar de bijeenkomst in het Algemeen Verkooplokaal aan de Goudsesingel in Rotterdam te gaan. De zaal was stampvol en denkend aan Duitsland, waar de sociaal-democraat Ebert nu rijkskanselier was, zong men over de Internationale die ‘morgen heersen zal op aard’.

Toen heb ik het woord gekregen en de redevoering gehouden die deze mensen van mij verwachtten en die recht kwam uit mijn hart, zonder door het nuchtere verstand te zijn gecontroleerd. Ik miste [...] in die dagen een rem en liet mij — iets wat, ik geef het toe, de politicus niet mag overkomen — door de grootheid van het ogenblik en door de geestdrift van mijn kameraden [...] meeslepen. [...] Ik ondervond een eenheid met mijn hoorders als ik nog niet had gekend en ik moet aan deze avond blijven denken als aan een van de mooiste ogenblikken van mijn leven. Mijn woorden verdienden ongetwijfeld kritiek van tactische en organisatorische aard, maar zij gaven uiting aan het beste wat er in de harten der socialistische arbeiders leefde.

Troelstra was zich ervan bewust dat hij inging tegen de besluiten van de verantwoordelijke besturen. Maar hij verdedigde zich later met een beroep op de Rotterdamse leiders die ‘zeer krachtig optreden’ noodzakelijk vonden om de arbeiders die ‘in sterke gisting waren’ in de hand te houden.
De partijleider had zijn rede wel voorbereid. Aantekeningen in zijn archief vermelden steekwoorden als ‘buitenlandse revolutie’, ‘revolutionaire situatie hier’, ‘oorlogstoestand, leger, dreigende anarchie’ en ‘behoefte aan leiding der revolutie’. Verder moest het gaan over ‘nieuwe klasse, nieuw systeem’. In de overgangssituatie zouden ook arbeiders. en soldatenraden nodig kunnen zijn. Maar hoe ver hij precies wilde gaan, valt uit deze notities niet op te maken. Volgens Vliegen was het Troelstra in ieder geval ernst met de oprichting van arbeiders. en soldatenraden, want dat idee kwam ook voor in het eisenpakket dat hij al voor zijn Rotterdamse rede aan nvv-secretaris Edo Fimmen had voorgelegd.

Aantekeningen Troelstra voor de revolutierede in Rotterdam
Aantekeningen voor Troelstra's revolutierede in Rotterdam.

Hoewel Troelstra zich dus globaal had voorbereid, liet hij zich tijdens zijn rede meevoeren door de stemming in de zaal en zijn eigen emotie. Al in het begin benadrukte hij ‘de grote historische betekenis’ van de bijeenkomst. Dit was ‘het ogenblik dat de arbeidersklasse de macht in handen zou geven’. Na een schets van de machtsovername door het proletariaat in Duitsland, Oostenrijk, Hongarije en Bulgarije concludeerde hij dat ook in Nederland een kentering gaande was. Het leger was de heersende klasse ontvallen als steunpunt van het geweld. Er heerste een ‘revolutionaire toestand’, waarin de arbeidersklasse gereed moest staan voor haar geweldige taak.

Verzuimt het ogenblik niet, grijpt de macht die u in de schoot geworpen wordt. [...] Wij hebben geleerd van het Russische bolsjewisme; een Nederlandse revolutie kan en mag daarvan geen naaperij zijn. Indien de bourgeoisie toont te begrijpen dat de historische ontwikkeling ons aan de macht heeft gebracht, dan willen wij de democratie die wij pas veroverd hebben ook aan de andere delen van het volk toekennen. Wij wensen geen anarchie, maar willen langs organisatorische weg wat nodig is totstandbrengen.

Troelstra prees het hoofdartikel in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, maar waarschuwde dat het niet slechts ging om een paar sociale hervormingen. Ook in Nederland zou de arbeidersklasse de macht grijpen. Hoe dat precies zou gaan, moest over enkele dagen op het congres van de arbeidersbeweging worden besloten. Hoewel Troelstra het bolsjewisme afwees, bepleitte hij wel arbeidersraden, niet slechts als aanvulling op het ‘langzaam sukkelende’ parlement maar als ‘macht daarboven’. Als leger, politie en ambtenaren zich niet verzetten, konden zij blijven functioneren onder toezicht van arbeiders. en soldatenraden. Ook de burgerlijke partijen hadden zich daarin te schikken, want ‘de arbeidersklasse in Nederland grijpt thans de politieke macht’.

Gij, bourgeoisie, gevoelt dat de arbeidersklasse geworden is de macht [...] die zichzelf als opperste macht moet constitueren. Dit is de eis der historie, voeg u ernaar. Wat onze rechtsgrond is? Onze noodzakelijkheid en onze onmisbaarheid. [...] Geen verstandig arbeider meent dat thans van bovenaf de heilstaat zal nederdalen, maar al wat kan worden gedaan door een socialistische macht in de staat, zullen wij doen. [...] Bezoedelt deze grote tijd niet door onwaardige daden. Laat er eenmaal worden gezegd: [...] de Nederlandse proletarische revolutie is geweest het gloriepunt in de geschiedenis van Nederland.

Na afloop van zijn rede werd Troelstra gehuldigd als de leider die ‘in deze grootse en zware tijd’ de strijdende arbeidersklasse van Nederland leidde naar ‘het heerlijke doel’. ‘Innig ontroerd’ nam hij de eindeloze toejuichingen in ontvangst. Op vier andere plaatsen in de stad werden soortgelijke bijeenkomsten gehouden, waar vakbondsleider Johan Brautigam en de Kamerleden Sannes en Suze Groeneweg het woord voerden. Heijkoop, die ook in het Verkooplokaal sprak, was overtuigd dat de ‘dictatuur van het proletariaat’ nabij was. ‘Morgen is het de grote dag’, zei hij. Hij zou daaraan hebben toegevoegd dat Troelstra dan in de Tweede Kamer ‘het revolutionaire woord tot de bezittende klasse en de regering’ zou spreken.
A.C. Butselaar van de Bond van Dienstplichtigen werd min of meer geprest zijn adhesie te betuigen. Hoewel hij zelf niet geloofde in de revolutionaire kracht van het leger, verklaarde hij dat zijn bond de vorming van soldatenraden zou steunen als het congres daartoe besloot. Daarmee werd de suggestie van Troelstra versterkt dat de regering niet meer op het leger kon rekenen.
Aan het eind van de Rotterdamse volksvergaderingen werd een motie aangenomen, waarin ‘de grootse revolutionaire beweging in Europa’ met vreugde werd begroet. Iedereen werd opgeroepen ‘het parool der leiding te volgen’. Maar wie was de leiding? Troelstra en zijn secondant Heijkoop? Of Vliegen en de meerderheid van het partijbestuur? Voorlopig bleef die vraag onbeantwoord.
Na afloop van de drukbezochte bijeenkomsten in Rotterdam gingen de mensen ordelijk naar huis. Men kan slechts speculeren over de vraag wat er gebeurd zou zijn, als ze in drommen naar de Coolsingel waren gegaan om het stadhuis te bezetten. B.C. de Jonge, tot september 1918 minister van oorlog, is niet de enige die meende dat Troelstra dan massale steun zou hebben gekregen. Maar in plaats van zich aan het hoofd van de menigte naar het stadhuis te begeven keerde de sdap-leider per rijtuig terug naar Den Haag — doodmoe.
In Rotterdam was Troelstra bejubeld als de grote leider, maar de in Amsterdam wonende partijbestuurders vreesden een catastrofe. Wat zou het congres straks beslissen als de agitatie nog enkele dagen aanhield? Floor Wibaut gaf Vliegen het advies Troelstra te ‘sommeren’ zich aan de eerder genomen besluiten te houden. Maar de partijvoorzitter verwachtte daar weinig van. Hij zag geen andere mogelijkheid dan de zaak uit te vechten op het aanstaande congres.

Bereid te sterven

Dinsdag 12 november was de beslissende dag. Nu moest blijken of Troelstra de revolutionaire woorden die hij de avond tevoren in Rotterdam had gesproken in de Tweede Kamer zou herhalen. De ochtendkranten berichtten dat het Revolutionair Socialistisch Comite van Wijnkoop het aftreden van de regering en de instelling van arbeiders. en soldatenraden eiste. Wilde Troelstra in wezen niet hetzelfde?
Uit Duitsland ontving Troelstra die ochtend alarmerend nieuws. Gezamenlijk smeekten de meerderheids. en minderheidssocialisten hun partijgenoten in de neutrale landen stelling te nemen tegen de uithongering van hun land. De ongenadige vredesvoorwaarden van de Entente zouden Duitsland veranderen in een woestenij. Men mocht de jonge republiek niet de dupe laten worden van de misdaden van het oude regime. Voor Troelstra zal deze noodkreet een extra stimulans zijn geweest om trouw te blijven aan het revolutionaire ideaal.60
Toen de sdap-leider op het Binnenhof arriveerde, stonden lange rijen mensen te wachten voor een plaats op de publieke tribune van de Tweede Kamer. Het nieuws over zijn Rotterdamse rede had zich als een lopend vuur door het land verbreid. Rooms-katholieke jongeren deelden pamfletten uit waarin ze waarschuwden tegen een revolutie.
Toch werd in de fractie nauwelijks gesproken over de consequenties van Troelstra’s optreden in Rotterdam. Pas tegen het eind van de vergadering waarschuwde J. van den Tempel tegen avonturen. Hij wees erop dat de partijleider was afgeweken van de lijn die door sdap en nvv was afgesproken. Maar er volgde nauwelijks discussie, ook omdat Troelstra zelf niet reageerde — het leek of hij in gedachten elders vertoefde.61
Zo kwam het voor de fractie als een verrassing dat Troelstra kort daarna in ’s lands vergaderzaal de revolutie aankondigde. Voordat hij het woord kreeg, legde eerst premier Ruijs een verklaring af. Geweld in welke vorm dan ook zou niet getolereerd worden, maar de regering was wel bereid met het parlement overleg te plegen over ‘de eisen van de nieuwe tijd’. Bovendien kondigde Ruijs een verhoging van het broodrantsoen aan. Er waren al schepen naar Engeland onderweg om extra voedsel te halen.
Troelstra had in de woorden van de premier een handreiking kunnen zien, maar zo vatte hij dat niet op. ‘De sfeer van de vorige avond werkte nog in mij na’, schreef hij later. In een urenlange rede betoogde hij dat het niet meer ging om kleine concessies maar om wezenlijke hervormingen. Ondanks het algemeen kiesrecht maakten de kapitalisten nog altijd de dienst uit. Dat ging nu veranderen. In Berlijn wapperde de rode vlag al van het keizerlijk paleis, het verslagen land kon zich alleen redden dankzij de leiding van de sociaal-democraten. Dit was het moment waarop de internationale arbeidersbeweging de macht overnam.
Uitgedaagd door interrupties ging Troelstra in op de vraag of een partij met slechts 22 zetels zich de macht mocht toe-eigenen. Gemakshalve telde hij de vier zetels van de revolutionaire partijen mee, waardoor de antikapitalisten op 26 zetels kwamen. Dat is nog geen 51, gaf hij toe, maar bij nieuwe verkiezingen zouden het er veel meer zijn. Vervolgens beriep hij zich op zijn morele en historische gelijk. De regering was niet meer in staat de levensvoorwaarden van het volk te vervullen. Net zoals in het verleden de calvinistische burgerij het Spaanse gezag had afgelost, zou nu de arbeidersklasse de macht grijpen, niet alleen ter wille van zichzelf maar van heel het volk. ‘De rechtsgrond is onze noodzakelijkheid en onze onmisbaarheid.’
Als het aan Troelstra lag zou de wisseling van de wacht vreedzaam gebeuren. ‘Wij moeten van geweld niets hebben.’ Maar als de regering het leger inzette, zou de arbeidersklasse niet wijken. ‘Wat ook van ons gevorderd zal worden aan persoonlijke toewijding en offervaardigheid, al zou het ons leven moeten gelden, wij zullen het gaarne en jubelend geven ter voldoening aan de eisen van het historisch ogenblik.’
De sdap-leider waarschuwde de regering dat zij niet langer kon vertrouwen op het leger, dat immers bestond uit ‘mannen van het werkende volk zelf ’. Ook twee derde van de politie zou de kant van de arbeidersbeweging kiezen. Troelstra zei dat niet uit ‘snoeverij’ maar op basis van ‘gegevens en cijfers’. Later zou blijken dat die gegevens verre van betrouwbaar waren.
Troelstra wees ook op zijn 21-jarige staat van dienst in de Tweede Kamer. Zijn medeleden kenden hem niet als een ‘fantast die zoekt naar geweld en onmogelijke revolutie’. Nee, het was ‘politiek inzicht’ dat hem dwong op te treden ‘als woordvoerder ener nieuwe revolutionair-socialistische beweging’.

Uw stelsel, mijne heren, uw burgerlijk stelsel is vermolmd en het zal u moeilijk vallen, wanneer gij geweld wilt gebruiken, iets anders uit te lokken dan een geweld dat sterker is dan het uwe.

Hoe dreigend het ook klonk, onduidelijk was wat Troelstra zich concreet voorstelde. Moest de regering aftreden? Socialistische ministers in het kabinet opnemen? Nieuwe verkiezingen uitschrijven? Hij liet het in het ongewisse. ‘Wat uit deze beschouwingen direct en praktisch voortvloeit’, zo besloot hij, ‘zal aanstaande zondag worden beslist op het congres der moderne arbeidersbeweging’.
In zijn Gedenkschriften zegt Troelstra dat, net als de avond daarvoor in Rotterdam, ook nu zijn gemoed en niet zijn verstand sprak. Hij had zijn rede niet kunnen voorbereiden, althans niet zo gedegen als hij gewend was. Volgens de journalist E. van Raalte, die vanaf de perstribune het debat volgde, was dat maar gedeeltelijk waar: Troelstra had wel aantekeningen, maar naarmate zijn rede vorderde keek hij daar steeds minder naar. Hoe dat zij, Troelstra gaf toe dat de overstelpende indrukken van de laatste dagen hem verder hadden doen gaan dan hij van tevoren had bedoeld.
Het besef dat hij te ver was gegaan, is pas later gekomen. Vlak na het uitspreken van zijn rede kon Troelstra nog denken dat hij het allemaal trefzeker had geformuleerd. Bij bepaalde opmerkingen had hij een instemmend knikje vanachter de regeringstafel waargenomen en ook de meeste Kamerleden leken onder de indruk. Hoewel de sdap-fractie verrast geweest moet zijn, applaudisseerden de meeste leden luid. Alleen Schaper en Van den Tempel weigerden Troelstra te complimenteren; zij keurden zijn revolutionaire taal scherp af. Een van hen liet in de wandelgangen aan parlementair redacteur Doe Hans van De Telegraaf weten dat ‘een aanzienlijk deel’ van de fractie het niet met Troelstra eens was. Hans gaf dat onmiddellijk door aan enkele ‘burgerlijke’ Kamerleden die dat nieuws weer in hun fracties meldden. Zo werd duidelijk dat Troelstra buiten het partijbestuur om had gehandeld. Daardoor werd de sfeer in de Kamer minder gespannen, men wist dat Troelstra’s soep wel vaker te heet werd opgediend.
De enige spreker die nog dezelfde dag aan het woord kwam was het katholieke Kamerlid Bomans, die Troelstra ‘bedenkelijke opruiing’ verweet. Hij wees hem op de confessionele organisaties die wel ‘diep ingrijpende hervormingen’ wilden, maar toch tegen een revolutie waren. Als Troelstra zich niet langer liet opjagen door ‘de zweep van Wijnkoop’, zou hij met hen kunnen samenwerken.
Hoewel het debat pas de volgende dag kon worden voortgezet, was duidelijk dat Troelstra’s oproep tot revolutie door heel de Kamer, met uitzondering van de communisten, werd veroordeeld. Maar tegelijk was er een grote bereidheid tot hervormingen, zowel bij de liberalen als bij veel katholieken. Zoals De Tijd schreef: ‘De revolutie had zich al voltrokken in de hoofden der staatslieden en leiders aller partijen’. Als Troelstra op dat moment had willen retireren, zou hem zijn revolutionaire taal nog vergeven zijn. Dan had hij zijn dreigement kunnen uitleggen als een drukmiddel om hervormingen af te dwingen. Vervolgens had hij, eventueel met excuus voor enkele al te felle uitspraken, het succes van zijn actie kunnen claimen.
Maar de solistisch opererende partijleider wist niet van wijken. Door het applaus na zijn rede van dinsdag kon hij denken dat de meeste fractiegenoten achter hem stonden. Pas later bleek dat de meerderheid van de fractie, net als het partijbestuur, niets voor revolutie voelde.
Na de Kamerzitting kwam het kabinet in spoedvergadering bijeen. Een dag eerder waren verschillende ministers nog ‘radeloos’ geweest. Minister Van Karnebeek van buitenlandse zaken was ‘doodsbang’ geweest voor een bolsjewistische opstand en had ‘gebeefd als een riet’. Maar na Troelstra’s rede in de Kamer was de stemming in het kabinet ‘over het algemeen kalm’. Volgens minister Aalberse was ‘alleen Heemskerk nog zeer zenuwachtig en onder zijn invloed Ruijs ook een weinig’. Heemskerk wilde ook concessies doen, bijvoorbeeld een referendum toestaan. Maar Aalberse verzette zich fel. De geschiedenis leerde dat revoluties slaagden als regeringen begonnen toe te geven. ‘Dan ben je weg.’ Aalberse kreeg steun van anderen. ‘We hebben ’t gewonnen en daarmee [...] ons land gered’, constateerde hij later.
In een proclamatie beloofde het kabinet invoer van levensmiddelen uit het buitenland en verhoging van de rantsoenen. De regering was bereid tot hervormingen, maar zou ook de orde handhaven en niet toestaan dat naar Russisch voorbeeld het wettig gezag werd aangetast door een minderheid. De ‘meest te vertrouwen troepen’ werden naar de grote steden gestuurd en de staat van beleg werd uitgebreid. Waarnemend opperbevelhebber Pop, die het kabinetsberaad bijwoonde, kreeg opdracht regeringsgebouwen, stations en nutsbedrijven te bewaken. Het besluit om de Vrijwillige Landstorm te mobiliseren was al eerder genomen. Daarnaast meldden zich nog eens duizenden dienstplichtigen met groot verlof voor de Bijzondere Vrijwillige Landstorm, een initiatief van het antirevolutionaire Kamerlid L.F. Duymaer van Twist. ‘Op een groot deel van het leger konden we rekenen’, concludeerde minister Aalberse.

Zorgen ten paleize

Voor koningin Wilhelmina waren het bange dagen. Zou ze tot troonsafstand worden gedwongen? Kon ze beter naar Engeland uitwijken, zoals haar Militair Huis zou hebben gesuggereerd? Ook prins Hendrik was ‘terneer gedrukt’, vooral door de ontwikkelingen in Duitsland waar al zo veel vorsten waren afgetreden. Binnen de Raad van State bestond grote ongerustheid. Zo merkte staatsrechtsgeleerde A.A.H. Struycken op dat ‘dit wel eens de laatste vergadering kon zijn’. Zijn medelid D. Josephus Jitta antwoordde: ‘Dat kan je wel denken maar beter niet zeggen’. De in Londen confererende oud-ministers Colijn en R. de Marees van Swinderen, nu respectievelijk bpm-directeur en Nederlands gezant in het Verenigd Koninkrijk, waren ‘vrij pessimistisch over de mogelijkheid van de handhaving der koningin’. Haar gedrag in de kwestie van de opperbevelhebber had het prestige van de monarchie geschaad.
Wilhelmina’s persoonlijke aantekeningen van die dagen verraden grote verwarring: ‘Staatsmacht verouderd’, noteerde ze, ‘Kroon moet buiten woelingen blijven’. Helemaal duidelijk zijn haar notities niet en ook de datering is onzeker — waarschijnlijk zijn ze halverwege de ‘Rode Week’ geschreven.
De koningin vroeg zich af wat ze kon doen als haar ministers of het parlement ‘niet ver genoeg gingen met hervormingen’. ‘De ministers toch meeslepen’ of ‘weggaan omdat ik bij volk pas en te rood ben voor regeermachine’? Of ‘meegaan met volk’ met voorbijgaan van kabinet en Kamer? De notities wekken de indruk dat Wilhelmina bereid was tot concessies, ze wilde niet in de ‘conservatieve hoek’ zitten maar met herinnering aan Willem van Oranje ‘voorvechter’ zijn van de ‘vrijheden van het volk’. Misschien bood een plebisciet uitkomst; daaraan zouden dan ook vrouwen moeten meedoen. Als ze geen vertrouwen genoot, zou ze liever aftreden. ‘Ik wil niet vallen voor een sage, wel voor mijn overtuiging. In ieder geval niet met mij laten spelen, eer aan mij.’
Wat kon Wilhelmina verwachten als Troelstra werkelijk de macht kreeg? Van de laatste twee kabinetsformaties kende ze hem als een intelligent politicus, maar ze wist ook dat de monarchie in zijn ogen een vermolmde instelling was die vanzelf zou instorten op de dag dat de imperialistische bolwerken het begaven. Na de keizer van China (1911) en de tsaar van Rusland (1917) hadden nu de keizers in Berlijn en Wenen het veld geruimd en in hun val twee dozijn vorsten van kleinere koninkrijkjes en hertogdommen meegesleept, inclusief een neef van prins Hendrik. Was nu het Nederlandse koningshuis aan de beurt?
Aan minister Aalberse vertrouwde de vorstin toe dat ze wilde meeleven met haar volk. Zij wilde anders zijn dan Wilhelm II, die de ‘volksziel’ nooit had begrepen. ‘Niets verheugt me meer dan wanneer ik me onder het volk kan bewegen. En het volk wil dat ook.’ Maar nu werd ze geconfronteerd met een deel van het volk dat de monarchie wilde afschaffen.
In de kranten stonden berichten over de oprichting van een Republikeinse Partij. Het partijtje zou even snel verdwijnen als het gekomen was, maar in die novemberdagen klonk het nieuws verontrustend. De sociaal-democraten en de communisten waren vanouds tegen de monarchie geweest, al stak de sdap geen energie in een campagne tegen het populaire koningshuis. In het eisenpakket van sdap en nvv had niets gestaan over afschaffing van het koningschap, maar hoe dacht Troelstra daar zelf over?
Tijdens de laatste kabinetsformatie had hij Wilhelmina gewaarschuwd tegen haar adviseurs. Van haar en haar omgeving zou een ‘militaristische invloed’ uitgaan ‘die lijnrecht indruist tegen de geest des volks’. Nu had hij in de Kamer haar verzet tegen het ontslag van opperbevelhebber Snijders in de vorige kabinetsperiode gehekeld. Door het handhaven van iemand die de nieuwe tijd niet verstond, zou zij medeverantwoordelijk zijn voor het uitbreken van de ongeregeldheden in het leger. Het ‘autocratische’ optreden van de koningin was in strijd met de parlementaire democratie. De commentator van Het Volk had naar aanleiding van deze kwestie zelfs geschreven: ‘Als de koningin hangt aan de opperbevelhebber, dat dan de koningin met de opperbevelhebber verdwijne’.73
Er waren meer voorbeelden van een antimonarchale opstelling van de sdap. Nog altijd schitterde de sdap op prinsjesdag door afwezigheid. In de fractie waren dit jaar wel stemmen opgegaan om de boycot van het staatshoofd te staken — ook omdat sommige echtgenotes de plechtigheid maar al te graag zouden meemaken —, maar men was ook ditmaal collectief weggebleven, vooral omdat Troelstra het driewerf ‘hoera’ voor de koningin niet over zijn lippen kon krijgen.
Kort na prinsjesdag had de vicevoorzitter van de sdap-fractie, Jan Schaper, in veel opzichten een gematigd man, in het levensmiddelendebat kritiek geuit op prins Hendrik, die in een tijd van voedselschaarste 500 hectare grond voor zijn zwijnenjacht onttrok aan de landbouw. Daarmee maakte het koninklijk huis zich niet populair.
Het enige geruststellende nieuws was dat Troelstra’s Rotterdamse mederevolutionairen Heijkoop en Brautigam aan burgemeester Zimmerman hadden beloofd de koningin ongemoeid te laten, indien zij zich niet tegen een machtswisseling verzette. Misschien was dat haar gerapporteerd. Maar ook als Troelstra niet doorzette, zou Wijnkoop de lont in het kruitvat kunnen steken. Zou de sdap dan niet proberen alsnog de leiding in handen te krijgen? En aan welke kant stond het leger dan?
Sinds maandag waren zo’n dertig betrouwbare reserveofficieren van de Vrijwillige Landstorm gelegerd in de koninklijke stallen van paleis Noordeinde. Het initiatief daartoe was uitgegaan van de groep rondom Gerretson en Oosterhoff, maar ook de eerste stalmeester van de koningin, C.A. baron Bentinck, was erbij betrokken. Later was de bewaking versterkt met extra manschappen en twee mitrailleurs. Maar de situatie bleef gespannen. Joelende mensen trokken door de omliggende straten en er werden briefjes bezorgd met teksten als ‘Weg met de geldslurpende hofkliek’. De grootmeesteres van de koningin werd tijdens een wandeling van haar bonten mof beroofd. ‘Moeten wij heus weg?’ vroeg de verzorgster van prinses Juliana aan oud-minister De Jonge, die haar op straat passeerde.
Op de dag dat Troelstra in de Kamer zijn revolutionaire rede hield, liet Wilhelmina’s particulier secretaris, F.M.L. baron Van Geen, in overleg met koningin-moeder Emma maar buiten medeweten van Wilhelmina, twee handkoffers met juwelen bij de thesaurier ophalen. Ook droeg hij veertigduizend gulden contant geld op zijn lichaam ‘om in geval van uiterste nood koningin en prinses voort te kunnen helpen’.
Om een beter beeld te krijgen van de toestand had Van Geen, vermomd in een oude trui en getooid met een sportpet, op eigen initiatief een demonstratie bijgewoond. Daar had Willem Drees, voorzitter van de Haagse sdap-federatie, opgeroepen tot ordelijk optreden, maar er had ook een christen-socialist gesproken die het koningshuis wilde afschaffen. De aanwezigheid van veel militairen en politie had Van Geen wel enigszins gerustgesteld. De ergste dreiging was misschien voorbij. Als Troelstra enkele dagen eerder in Rotterdam onverwacht een staatsgreep had gepleegd, had hij kans van slagen gehad. Nu waren de troepen paraat.
Wilhelmina was intussen gedwongen lijdelijk af te wachten. De ministerraad voelde op dit moment niets voor een koninklijke proclamatie. Aalberse was ‘woest tegen’. Interventie van de koningin zou de indruk wekken dat het kabinet de situatie niet aankon. Ook wilde men vermijden dat de koningin betrokken raakte in de politieke discussie. Pas toen op 20 november alle gevaar was geweken, zou het kabinet alsnog akkoord gaan met een proclamatie van het staatshoofd, maar dan wel medeondertekend door alle ministers.

[...]

Copyright © Piet Hagen.
De foto van Pieter Jelles Troelstra stamt uit 1913 en komt uit het boek.



Bookmark and Share