Vandaag in de Nacht
De Oorlog IV: Werken voor de Duitsers: een onuitgewerkt dilemma
door Barbara HenkesOp ons verzoek volgt historica Barbara Henkes de nieuwe documentairereeks van de NPS, De Oorlog. Vannacht aflevering 4: Welvaart, beroving, honger (via deze link ook na te bekijken). Was er dan een keus voor mensen die moesten werken voor de Duitsers?
Zie voor Henkes' commentaar bij aflevering 1, 2 en 3 de Nachten van vorige weken. Boekentips bij aflevering 1, 2 en 3 en 4 zijn ook in afgelopen Nachten te vinden, in de (nu al toegankelijke) Nacht van morgen die bij aflevering 5: Hoe de Joden uit Nederland verdwenen.
De glanzend geoliede machinerie draait op volle toeren. Het zou een filmische verwijzing naar Modern Times kunnen zijn, met Rob Trip als Charley Chaplins serieuze alter ego. Want net als in de vooroorlogse slapstick wordt ook in deel vier van De Oorlog gerefereerd aan werkloosheid, armoede en honger — en naar de mens als machteloos balletje in het rad van de moderne geschiedenis. Maar daarmee houdt de filmische vergelijking op, want waar in Modern Times de sequentie van de beelden het verhaal bepalen, dienen in De Oorlog de (overigens knap gevonden) beelden veelal als illustratie van het gesproken verhaal; als plaatje bij het praatje.
Trip bevindt zich in een fabriekshal en legt uit dat meer dan een kwart van de Nederlanders het laatste oorlogsjaar in Duitsland werkte of ondergedoken was om aan de verplichte tewerkstelling (Arbeitseinsatz) in Duitsland te ontkomen, terwijl duizenden bedrijven moesten sluiten vanwege een tekort aan personeel. ‘Dat was een dreun voor de Nederlandse economie,’ formuleert Trip en prompt volgt het geluid van een bons waarmee de in beeld gebrachte fabriekspoort wordt gesloten. Hij vervolgt: ‘De eerste oorlogsjaren zag alles er nog positief uit; de productie steeg zelfs (weer beelden van draaiende machines) maar in 1945 zat Nederland aan de grond. Leeggeplunderd.’ Dan volgt de vertrouwde trailer die het thema van deze aflevering introduceert: ‘Welvaart, beroving, honger.’
Deel vier start met de aanvankelijke bloeitijd die het Nederlandse bedrijfsleven doormaakte onder het nationaalsocialistische regime, zoals de economisch historicus Hein Klemann in zijn studie Nederland 1938-1948 (2002) heeft becijferd. Hoewel de producten in hoofdzaak bedoeld waren voor Duitsland, werd ‘het probleem van de werkloosheid’ volgens Trip op deze manier in razend tempo opgelost. Vergeten wordt dat een aantal Nederlandse werklozen al vanaf de jaren dertig en ook na de inval als arbeidskrachten door Nederlandse overheden verplicht naar nazi-Duitsland werden overgeheveld.

Om de bloeiende productie te illustreren volgen zwart-wit beelden van draaiende raderen, nijvere typistes, en ernstige mannen achter hun tekentafels. Dat brengt Trip tot zijn retorische vraag: ‘Kon dat eigenlijk wel, werken voor de Duitsers?’ Natuurlijk kon dat. De vraag is niet of het kòn, maar of de betrokken fabriekseigenaren of de directie van handelsfirma’s zich daardoor voor een dilemma geplaatst zagen: doordraaien ten bate van de door nationaalsocialisten gedomineerde vraag, of stoppen waardoor niet alleen hun bedrijf maar ook hun werknemers in de problemen zouden komen. De keuzes en dilemma’s die voor aflevering 3 waren aangekondigd, lijken alsnog in aflevering 4 aan bod te kunnen komen. Maar gebeurt dat ook?
Nadat we — zonder nadere toelichting — vernomen hebben dat de directie van Philips naar Engeland uitweek (beeld van een boot op woelige baren) en de machines in Eindhoven weer op volle toeren gingen draaien, richt de aandacht zich op een andere sector van de Nederlandse economie: de middenstand. Ook de middenstand bloeide in de eerste jaren van de Duitse bezetting. De dochter van slager Staringh uit Den Bosch vertelt hoe haar vader bezoek kreeg van de plaatselijke Ortskommandant en voor de keuze werd geplaatst: leveren aan de Wehrmacht of de boel op slot. ‘Nou, dan is de keus niet zo moeilijk. Want je hebt je zaak, je hebt je gezin en wie wist hoe het allemaal zou gaan lopen?’ Zo stelt deze nuchtere vrouw achteraf, namens haar vader. Trip laat zich kennen als een weinig inventief interviewer als hij haar vervolgens vraagt: ‘Maar kón dat eigenlijk wel? Leveren aan de Duitsers?’ Ook hier geldt: natuurlijk kon dat en de afweging die daarmee gepaard ging heeft ze hem al in één zin helder uit de doeken gedaan. In hoeverre haar vader daardoor — toentertijd of na de oorlog — in de problemen is gekomen, worden wij helaas niet gewaar.
Toch wordt het dilemma van de middenstand in het vervolg op een verrassende manier belicht vanuit de ‘andere kant’, het perspectief van de Duitse soldaat en later beroemde schrijver Heinrich Böhl, die enige tijd in Nederland was gestationeerd. Hij observeert hoe zijn Duitse kameraden de winkels leegkopen en alle spullen op verlof meenemen naar Duitsland (geïllustreerd met foto’s van vrolijk verkopende vrouwen en inkopende mannen in uniform). Het komt de jonge Böhl voor als ‘lijkenpikkerij’, al is ook hij blij dat hij koffie kan inslaan.

Het ging echter niet alleen om de handel. De Nederlandse middenstand raakte ook betrokken bij de bunkerbouw, zo blijkt uit het gesprek met Johannes Kooistra, die op Schiermonnikoog samen met zijn vader de nieuwgebouwde bunker ‘Wassermann’ van binnen wit sausde. Binnen twee dagen was de klus geklaard, want ‘de verf dekte als…als…’ Kooistra aarzelt een moment voor de camera, maar maakt zijn zin toch af: ‘wij zeiden dan: als een dekhengst.’ De lach van zijn gesprekspartner wordt gesmoord door Trip:‘En dacht u dan niet van: dat is werken voor de Duitsers?’ ‘Uiteraard’, antwoordt Kooistra zonder spoor van terughoudendheid, ‘daar hebben we voor gewerkt’. Hij zit er niet mee, ondanks de pogingen van Trip hem tot een schuldbekentenis te verleiden: ‘Maar vond u dat niet erg?’ Nee dus, de 16-jarige Johannes wilde geld verdienen en meer gedachten heeft hij zich er toen niet over gemaakt – ook nu heeft hij daar weinig meer over te melden. Dat hangt wellicht samen met de kleine gemeenschap op het eiland Schiermonnikoog. Heel wat meer mensen en bedrijven — inclusief de nog immer belangrijke toeristentrekker hotel Van der Werff — hebben er destijds hun brood verdiend aan de aanwezige Duitsers, en dat zijn ze ook na de oorlog blijven doen.
Vader Kooiman, zo blijkt uit de naoorlogse processtukken, verweerde zich door te stellen dat hij met het schilderwerk in de bunker zijn zoon heeft behoed voor de Arbeitseinsatz. Een verweer dat achteraf door zijn liefhebbende zoon wordt bekrachtigd: ‘Ik had een goeie vader, die heeft ervoor gezorgd dat ik thuis ben gebleven gedurende de oorlog. Anders had ik naar Duitsland gemoeten.’ Daarmee wordt alsnog het dilemma blootgelegd waar zo velen zich tijdens de bezettingsjaren mee geconfronteerd zagen: de keuze voor werk & inkomsten, voor de voortzetting van het bedrijf, en de verantwoordelijkheid voor familieleden — of een principiële stellingname met alle risico’s van dien.
Die afwegingen worden echter door Trip te niet gedaan wanneer hij de veroordeelde bedrijfsleider van een bunkerbouwende aannemer citeert die na de oorlog voor de rechter verklaart: ‘Het is moeilijk, meneer de president, een principieel standpunt in te nemen wanneer men eenmaal een verkeerde weg is ingeslagen.’ Diepzinnig voegt Trip daar aan toe: ‘Een uitspraak die in veel meer gevallen gold – en geldt.’ Gevolgd door een blauwe lucht die de leegheid van zo’n constatering alleen nog maar benadrukt; temeer omdat hij daarmee voorbij gaat aan de velen die juist in de loop van de bezettingsjaren op hun meegaande houding zijn teruggekomen.
De bloeitijd voor het bedrijfsleven en de middenstand waarvan in het begin van de aflevering zo hoog werd opgegeven, behoorde al snel tot het verleden. De gedwongen tewerkstelling in Duitsland trof een steeds groter deel van de beroepsbevolking. In totaal zouden ‘meer dan 500.000 Nederlandse mannen’ enige tijd in Duitsland werken. De ‘meisjes’ die ook werden ‘gevorderd’, getuige het dagboekcitaat van de weduwe Droste van de Haarlemse chocoladefabriek, zien we nog een keer uit de treinraampjes hangen, maar verdwijnen dan voorgoed uit beeld. De makers kiezen ervoor twee tewerkgestelden in de Duitse staalindustrie te volgen op basis van hun brieven en dagboeken: de student Ernst Kossmann en de ‘doodgewone jongen’(?) Joop van Kalkeren. Dat is een gemiste kans, omdat ze beiden min of meer eenzelfde verhaal van ontbering en behouden terugkeer vertellen. Zodoende gaat de verscheidenheid van ervaringen teloor, evenals de kans om iets te verhelderen over het verschil in behandeling van tewerkgestelden uit de Oosteuropese (‘Slavische’) landen en die uit de ‘Germaanse’ bezette gebieden.
Tegen die tijd is er van de door de ‘bloeitijd’ van de Nederlandse economie weinig meer over en ook de voedselvoorziening wordt steeds problematischer. Trip constateert dat ‘de mensen die de oorlog zelf hebben meegemaakt’ ervoeren dat het eten steeds schaarser en slechter werd. ‘Maar was dat ook zo,’ luidt zijn retorische vraag. Met een verwijzing naar het onderzoek van de historicus Gerard Trienekens (Voedsel en honger in de oorlog, 1985) benadrukt hij dat er verschillende antwoorden mogelijk zijn. De eerste oorlogsjaren zouden goed zijn geweest voor de volksgezondheid omdat men minder vet en meer vitamine tot zich nam. Dankzij de introductie van het distributiesysteem werd het beschikbare voedsel bovendien ‘vrij eerlijk’ verdeeld, ook onder de armen.

De onderduikers of andere ‘illegalen’ die niet geregistreerd stonden en dus niet voor bonnen in aanmerking kwamen, worden in deze redenering vergeten. Maar ook de door de makers zelf geselecteerde filmbeelden van de opening van gaarkeukens in 1941 en van rijen wachtenden voor de winkels en distributiekantoren duiden erop dat de voedselschaarste geen idee-fixe was. Al helemaal niet als, aan het eind van de rij gekomen, de producten vaak uitverkocht bleken te zijn – of als de schoenenbonnen niet waren gearriveerd, zoals een uniek geluidsfragment van een gesprek in het Tilburgse distributiekantoor laat horen. De plaatjes en andere historische bronnen sporen niet langer met het algemene praatje van Trip, maar er vindt geen correctie plaats.
Het kan zijn dat de Nederlandse economie aanvankelijk bloeide en dat ‘de hongersnood’ dankzij het distributiesysteem ‘werd uitgesteld’ tot de winter van 1944, maar dat zegt weinig over de ervaren én feitelijke tekorten in het dagelijks bestaan van veel Nederlanders. Evenmin geeft dergelijke informatie over een opbloeiende economie en inventieve recepten waarmee men aan zijn vitamines kwam enig inzicht in de dilemma’s waarvoor zakenlieden, winkeliers, werkgevers en werknemers of kostwinners (die vaak ook vader of moeder waren) zich geplaatst zagen in relatie tot het nationaalsocialistische regime. Het is goed dat de slagersdochter en de schilderszoon daar, ondanks de moeizame interviewstijl, toch nog iéts over te berde brachten. De door Trips vragen opgeroepen, maar door de makers onbeantwoorde vraag blijft: waren er bedrijven of winkel die hun deuren uit principiële redenen gesloten hebben? En wat hadden ze daarmee bereikt?
Barbara Henkes is universitair docent Nieuwste Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze promoveerde op Heimat in Holland. Duitse dienstmeisjes 1920-1950 (1995) en schreef Uit liefde voor het volk. Volkskundigen op zoek naar de Nederlandse identiteit, 1918-1948 (2005).






