Vandaag in de Nacht
De Oorlog IX: Vergeten, herdenken en dromen van een duurzame vrede
door Barbara HenkesOp ons verzoek volgt historica Barbara Henkes de nieuwe documentairereeks van de NPS, De Oorlog. Vannacht aflevering 9, De oorlog na de oorlog (via deze link ook na te bekijken). Waren verzet en collaboratie toeval of toch een keuze?
Zie voor Henkes' commentaar bij aflevering 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 de Nachten van vorige weken. Boekentips bij aflevering 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 zijn ook in afgelopen Nachten te vinden, en onder Henkes bijdrage hebben we ze op onderwerp geschikt, en nieuwe titels toegevoegd.
De laatste aflevering van De Oorlog eindigt waar de eerste aflevering begon: in het bos van Compiègne. De boodschap in aflevering 1 luidde dat de wapenstilstand die daar werd afgesloten in 1919 en die toen slecht uitpakte voor de Duitsers, geleid zou hebben tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In 1940 dwong Hitler op zijn beurt de Fransen tot het ondertekenen van een vernederende overgave in Compiègne. ‘Maar dat is geschiedenis. Dat is allemaal heel lang geleden’, stelt een opgewekte Rob Trip in bewoordingen waarmee gewoonlijk sprookjes worden geïntroduceerd. Anno 2009 luidt zijn boodschap dat de naoorlogse toenadering tussen Duitsland en Frankrijk geleid heeft tot ‘een duurzame vrede’ binnen het fort Europa. De cirkel is rond, het einde van de oorlogsgeschiedenis is in zicht. Engeland telt in deze ode aan de Europese eenwording niet mee, evenmin als Rusland, de Verenigde Staten of de rest van de wereld. Het is een merkwaardig slotakkoord, dat niet zonder politieke motieven lijkt, waarmee het dramatisch oorlogsverleden in Nederland en het voormalige Nederlands-Indië verbonden wordt aan een blijde boodschap vlak voor de kerstdagen: dat de parlementaire democratie heeft overwonnen en dat we de toekomst vol vertrouwen tegemoet kunnen zien binnen een vredelievende Europese gemeenschap.
Toch gaat deze aflevering, getiteld ‘De oorlog na de oorlog’ niet over de ambivalente en nog altijd omstreden eenwording van Europa. Ze gaat evenmin over de naoorlogse oorlog in Indonesië, of over de Koude Oorlog die de wereld en ook Europa lange tijd in tegengestelde kampen uiteen dreef. Zij gaat daarentegen over de strijd om de herinnering aan De Oorlog in Nederland na mei en augustus 1945. Hoe kregen de uiteenlopende ervaringen en de persoonlijke herinneringen die daarmee gepaard gingen een plaats binnen een collectieve herinneringscultuur? Nu kwam deze vraag in feite al in alle voorafgaande afleveringen aan de orde, wanneer mensen — overlevenden van de Shoah, leveraars aan de SD, strijders voor de SS, geallieerde en Indonesië veteranen, of brave bewoners van de Wagnerkade in Heemstede - vertelden over hun persoonlijke herinneringen aan De Oorlog. Hun verhalen werden onherroepelijk gekleurd door het kader dat daarvoor is geschapen in de nationale geschiedschrijving, de literatuur, de musea, monumenten, speelfilms en documentaires waarmee De Oorlog in de publieke ruimte wordt herdacht. En waar ook deze televisieserie, zoals eerder die van Loe de Jong, haar eigen bijdrage aan levert. In deze laatste aflevering staan echter niet de persoonlijke herinneringen, maar de publieke herdenking van De Oorlog centraal.
‘Venray 4 mei 2009,’ luidt de introductie. We beginnen in het heden, in de Sint Petrus Banden Kerk te Venray, waar jong en oud zich heeft verzameld om De Oorlog de herdenken. De Duitse ambassadeur heeft plaatst genomen achter het spreekgestoelte dat — oh, ironie van de geschiedenis — wordt opgesierd door een gigantische koperen adelaar; een van de bijzondere kunstschatten van de kerk die echter ook reminiscenties oproept aan het Derde Rijk. De ambassadeur dankt voor de uitnodiging om te mogen spreken ‘op deze dag waarop wij allen herdenken, zowel burgers als combattanten, die gedurende de Tweede Wereldoorlog en in de conflicten sindsdien slachtoffer zijn geworden van oorlogsgeweld of terreur.’

Op de 4de mei heeft hij een druk programma. Na de kranslegging in Venray volgt Rob Trip de ambassadeur op zijn weg naar het voormalige kamp Vught waar hij nogmaals, samen met een padvindermeisje, een krans zal leggen namens de Duitse regering. De boodschap is duidelijk: zijn aanwezigheid bij de dodenherdenkingen geeft uitdrukking aan de toenadering en verzoening tussen beide landen. Al is hij op de Dam in Amsterdam nog steeds niet welkom. Als men die verzoening werkelijk serieus neemt, zo laat hij Trip weten, dan zou hij ook, of juist, in Amsterdam erbij moeten zijn ‘om op die centrale plek samen te vieren’ (‘feiern’ laat hij zich ontvallen in plaats van ‘gedenken’).
Vervolgens zien we historische beelden van de eerste herdenking op de Dam, waar toenmalig Minister van Staat, Beelaerts van Blokland, stelt dat ‘den geschiedenis’ zal uitwijzen welke invloed de vijf oorlogsjaren op de Nederlandse bevolking zal uitoefenen. ‘Wat thans geschied is een poging om ons los te maken, ons te ontdoen van wat ons in die oorlogsjaren heeft benauwd. We willen de oorlog van ons afschudden.’ Dat was één kant van de medaille, maar direct daarmee verbonden was de andere kant: de behoefte aan rituelen en tastbare monumenten om de doorwerking van ‘de benauwenissen’ uit de oorlogsjaren te bezweren; om ze een plaats te kunnen geven in het naoorlogse bestaan. Dat zagen we al heel vluchtig in deel 8, toen intrigerende beelden passeerden van het defilé dat koningin Wilhelmina afnam op de Dam in juni 1945. Onder haar ogen vertoonden zich een uitbundige menigte die portretten meedroeg van Churchill (met sigaar!), Stalin en Truman, evenals enkele praalwagens. Op een daarvan stonden voormalige gevangenen van de concentratiekampen in streepjespak achter prikkeldraad met het opschrift ‘Vught, Neuengammme, Dachau’, even later gevolgd door een wagen vol padvinders die sneeuwwitje en de zeven dwergen verbeeldden. Dat maakt duidelijk hoe men direct na de oorlog op zoek was naar vormen waarin zowel het leed als de vreugde tot uitdrukking gebracht konden worden.
Die zoektocht komt opnieuw tot uitdrukking in de filmbeelden van de grootschalige viering van de bevrijding in het Olympisch Stadion enkele maanden later. Vanaf de volle tribunes kijkt men naar een spektakel op de grasmat, waar de kaart van Nederland staat afgetekend. Trip vermeldt dat daar de oorlog en de bevrijding werden nagespeeld, en onderwijl zien wij naast gewapende militairen ook vendelzwaaiende mannen, Alkmaarder kaasmakers, vrouwen in Volendammer kostuum, brandweermannen en verpleegsters die het stadion betreden. Dat alles doet denken aan het massaal bezochte Vaderlandsch Historisch Volksfeest dat kort na de Eerste Wereldoorlog werd georganiseerd om de ‘eenheid in verscheidenheid’ van het Nederlandse volk te celebreren. Maar helaas staan de maker niet langer stil bij de symbolische betekenis van een dergelijke manifestatie. Dat het herdenken van een dramatische episode in de geschiedenis niet vanzelf gaat, tonen deze eerste, enigszins verward aandoende pogingen om gelijktijdig te vieren en te herdenken. Spoedig zouden die ceremonies dan ook uit elkaar getrokken worden en kregen zij een meer vaste vorm, verdeeld over 4 en 5 mei.

Beelden van de viering in het Olympisch Stadion.
Het duurde enige tijd voordat een andere pijler van de herinneringscultuur rond de oorlog tot stand kwam: het dagboek van Anne Frank. Aanvankelijk, zo vertelt de historicus Jan Romein in een gefilmd interview, bestond er weinig interesse voor. Maar sinds de eerste uitgave in 1947 zijn er inmiddels zo’n 35 miljoen exemplaren van verkocht en is het een wereldwijd icoon van de Jodenvervolging. Dat geldt zowel voor het dagboek, als voor de plek waar het boek zich afspeelt. Na een bescheiden start van 9000 bezoekers in 1960 trekt het Anne Frankhuis inmiddels zo’n 1 miljoen mensen per jaar uit de hele wereld. Die toename valt te verklaren uit een verandering in de herinneringscultuur sinds de jaren 1960. Lag de nadruk voor die tijd vooral op de herinnering van het Nederlandse verzet tegen de Duitse bezetting, nadien verschoof het accent naar de joodse slachtoffers van het nationaalsocialisme.
Dat gebeurde mede onder invloed van het proces tegen de hoge SS’er Adolf Eichmann, die de systematische moord op de joden en de Sinti en Roma organiseerde en nadien naar Argentinië was ontkomen. Daar werd hij in 1960 ontvoerd door de Israëlische geheime dienst om in Jeruzalem terecht te staan. Waarom dat geïllustreerd moet worden met een duistere, nagespeelde scene uit de film Hitlers Helfer blijft onduidelijk, te meer omdat het gaat om de impact van het proces op de collectieve oorlogsherinneringen in Nederland. Behalve de Nederlandse radio en het polygoonjournaal deed ook Harry Mulisch verslag van het proces en bewerkte zijn stukken voor zijn vermaarde boek De zaak 40/61.
Bijna een halve eeuw later herinnert de schrijver zich de oorlogsmisdadiger: alleen in een glazen hok, tegenover een volle zaal. ‘Een tragische toestand’, al vindt Mulisch niet dat je medelijden met hem zou moeten hebben. Het proces bood inzicht in de mechanismen van terreur: ‘Daar ging het mij om; dat heb ik geprobeerd duidelijk te maken’. Eichmann werd veroordeeld en de as van zijn lichaam werd verstrooid boven de Middellandse Zee. ‘Dus als je daar gaat zwemmen moet je oppassen,’ waarschuwt een schalkse Mulisch. Met het proces Eichmann zette de Shoah zich vast in de collectieve herinnering aan de oorlog, zoals ook het — in deze aflevering onbesproken — boek De Ondergang uit 1965 van de historicus Jacques Presser over de Jodenvervolging in Nederland daartoe bijdroeg. Dat geldt eveneens voor het in 1972 hoog oplopende debat rond de voorgenomen vrijlating van de Drie van Breda, waarvan we emotionele beelden in zwart-wit te zien krijgen.
Illustratief voor het ontbreken van aandacht voor hun lot in de eerste decennia na de bevrijding is het (beeld)verhaal over de omzwervingen van een urn met as van in Auschwitz vermoorde joden. Na een herdenkingsbijeenkomst in het voormalige vernietigingskamp in januari 1952 was de as door een Nederlandse delegatie vanuit Polen mee naar Nederland genomen. Na veel vijven en zessen werd de urn in de aula van de coöperatieve crematievereniging in Amsterdam opgesteld. Foto’s tonen hoe op 15 juni 1952 een lange rij van zo’n 6 à 7000 mensen buiten in de stromende regen hun opwachting maakten bij dit ‘tastbare symbool van de Holocaust’, zoals een van de organisatoren het noemt. Hier werd aan overlevenden en anderen voor het eerst de kans geboden gezamenlijk te rouwen. De urn kreeg uiteindelijk een plek op de Oosterbegraafplaats en later, samen met het Spiegelmonument van Jan Wolkers, in het Werthheimpark. Maar het zou tot het eind van de jaren 1970 duren voordat de Auschwitz Herdenking een begrip werd.
Ook de slachtoffers van de Japanse interneringskampen in Indonesië pasten aanvankelijk niet in het nationale heldenepos van na de oorlog. Het duurde lang voordat zij zich een plek wisten te veroveren binnen de collectieve herinnering aan De Oorlog en ook in hun geval werd de eerste aanzet tot herdenking gegeven door een urn, niet gevuld met as maar met aarde van 22 erebegraafplaatsen in Indonesië, die werd bijgezet in het Monument op de Dam. Pas in 1988 werd het Indisch Monument onthuld, waar sindsdien jaarlijks de Japanse capitulatie wordt herdacht.
Nadat de makers op deze manier de ‘vergeten’ ervaringen in kaart hebben gebracht, evenals de rituelen en monumenten waarmee hun vertraagde opname binnen de Nederlandse herinneringscultuur gepaard ging, stelt Trip: ‘De belangstelling voor de oorlog neemt alleen maar verder toe met mensenrechten, racisme en discriminatie als invalshoek.’ Daar kunnen weinig mensen bezwaar tegen hebben, zou je denken. Maar die uitspraak vormt de opmaat naar de veroordeling van het ‘misbruik’ van De Oorlog als metafoor. Onverhoeds nemen de makers ons terug naar de jaren 1960: we zien beelden van stakende bouwvakkers gesteund door jongeren, die de Nederlandse politie uitmaken voor SS’ers en protesten tegen de oorlog in Vietnam met spandoeken waarop ‘Nixon oorlogsmoordenaar’ staat geschreven. Trip constateert dat verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog het goed doen in demonstraties tegen oorlog en racisme. Sterker nog: ‘De Tweede Wereldoorlog is de maat der dingen. De oorlog met al zijn verschrikkingen biedt veel mensen houvast; ze is de norm voor goed en fout, tot in het absurde.’ Waarna we getrakteerd worden op hilarische beelden van demonstrerende pitbulleigenaren die zichzelf en hun honden met gele davidsterren hebben opgetuigd en borden meedragen met teksten als ‘Pitbullwet is nog erger dan Jodenvervolging’ en ‘stop de pitbullrazzia’.
Dan volgt een verwijzing naar de oorlog in de Balkan in de jaren 1990, die ‘maar weinig betrokkenheid te weeg bracht’, totdat een foto van een uitgemergelde man achter prikkeldraad tot grote verontwaardiging leidde. Bij demonstraties tegen die oorlog op het Museumplein en elders in Europa luidt Trips dubbelzinnige commentaar: ‘Het leed dat de Tweede Wereldoorlog heeft aangericht vormt de inspiratie voor talloze demonstranten overal in Europa tegen geweld, tegen fascisme, tegen racisme en vernietiging in het algemeen’. Het is en blijft volstrekt onduidelijk wat de makers met deze tekst en beelden willen suggereren. Veroordelen zij dergelijke verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog als politiek incorrect? Of zien zij de verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog, en met name de betrokkenheid die overeenkomstige beelden van geweld en terreur kunnen oproepen, als een positief te waarderen inspiratiebron voor protest? Ook het boek van Ad van Liempt geeft daar geen uitsluitsel over. Al lijkt het erop dat de makers willen waarschuwen tegen een instrumentalismering van de Tweede Wereldoorlog in het politieke debat. Tegelijkertijd hebben Van Liempt en de zijnen in deze aflevering over ‘de oorlog na de oorlog’ een onverbloemd politieke stelling ingenomen door de Europese eenwording als de vredescheppende beweging bij uitstek te propageren en daar ‘de onaantastbare positie’ van de parlementaire democratie aan te verbinden. De geschiedenis zal uitwijzen hoe lang die vrede zal duren en aan welke ingrijpende veranderingen die ‘onaantastbare’ parlementaire democratie onderhevig zal zijn.
Barbara Henkes is universitair docent Nieuwste Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze promoveerde op Heimat in Holland. Duitse dienstmeisjes 1920-1950 (1995) en schreef Uit liefde voor het volk. Volkskundigen op zoek naar de Nederlandse identiteit, 1918-1948 (2005).
Thema's De Oorlog
- De aanloop naar de oorlog: Eerste Wereldoorlog, interbellum, de invallen in Tsjecho-Slovakije, Oostenrijk en Polen, Verdrag van München, Nazi-Duitsland, de NSB: aflevering 1, De wraak van Duitsland (zie hier de NPS-pagina)
- Het Duitse rijk, de inval, het bombardement op Rotterdam, persvrijheid en Radio Oranje, de Duitse militaire aanwezigheid, dagboeken en voedselvoorziening, Seyss-Inquart, openbaar bestuur en politie, universitair verzet: 2, Verder onder vreemd gezag (zie hier de NPS-pagina)
- De NSB, Anton Mussert, SS en SD, verzet in Nederland, verzet in Europa, persvrijheid: 3, Keuze's en dilemma's (zie hier de NPS-pagina)
- De economie van Nederland en Duitsland, voedselvoorziening, dwangarbeid, bedrijven en banken: 4, Welvaart, beroving, honger (zie hier de NPS-pagina)
- Jodenvervolging, Holocaust, dagboeken, Anne Frank, roof en daderschap: 5, Hoe de Joden uit Nederland verdwenen (zie hier de NPS-pagina)
- Onderdrukking en verzet, de bevrijding van Europa, D-Day, Arnhem, represailles, de Hongerwinter: 6, Oorlog voor iedereen (zie hier de NPS-pagina)
- Azië in de Tweede Wereldoorlog, jappenkampen: 7, Oorlog in Indië (zie hier de NPS-pagina)
- De bevrijding, zuivering, berechtiging, Neurenberg, Wederopbouw, dekolonisatie en politionele acties, de materiële afwikkeling van de kolonisatie: 8, Loodzware jaren (zie hier de NPS-pagina)
- Publieke herinnering, persoonlijke trauma's, polarisatie, vergelijkingen: 9, De oorlog na de oorlog (zie hier de NPS-pagina)
Nieuwe titels over de Tweede Wereldoorlog, uitgekomen in de afgelopen weken, zijn:






