Vandaag in de Nacht
Ademschommel
door Herta MüllerAanstaande donderdag 10 december ontvangt Herta Müller de Nobelprijs voor de Literatuur 2009. Haar laatste roman, Atemschaukel, zal bijna gelijktijdig in de vertaling van Ria van Hengel beschikbaar zijn bij Uitgeverij De Geus als Ademschommel. Volgende week maandag zal Müller de Nobelprijsrede houden (een Nederlandse vertaling daarvan is nu beschikbaar op de site van De Geus), en dinsdag 8 december vindt een discussie plaats in Spui25 rond schrijven in ballingschap, naar aanleiding van Müllers schrijverschap.
Vanavond kunt u vast uw exemplaar van Ademschommel reserveren en de eerste pagina's lezen.
Januari 1945. Roemenië, dat aan de kant van Hitler stond, heeft al gecapituleerd en de Duitstalige minderheid van de bevolking leeft in angst. De Russische overwinnaars eisen als vergelding alle Duitse mannen en vrouwen tussen de zestien en zesenveertig op voor de ‘wederopbouw’ van de Sovjet-Unie.
In Ademschommel ontrukt Herta Müller deze duistere periode aan de vergetelheid. Leopold Auberg wordt als zeventienjarige in een veewagen naar de Russische steppe afgevoerd en komt vijf jaar later getraumatiseerd terug. De ervaring bepaalt zijn verdere leven.
Over het inpakken van een koffer
Alles wat ik heb draag ik bij me.
Of: Alles wat van mij is draag ik met me mee.
Ik droeg alles wat ik had. Van mij was het niet. Het was óf aan zijn eigenlijke bestemming onttrokken óf van iemand anders. De varkensleren koffer was een grammofoonkistje. De zomerjas was van mijn vader. De stadse mantel met het fluwelen bandje aan de hals van mijn grootvader. De pofbroek van mijn oom Edwin. De leren beenwindsels van mijn buurman, meneer Carp. De groene wollen handschoenen van mijn tante Fini. Alleen de wijnrode zijden sjaal en de necessaire waren van mij, cadeaus van afgelopen Kerstmis.
Het was nog oorlog in januari 1945. Geschrokken dat ik midden in de winter wie weet waarheen naar de Russen moest, wilde iedereen mij iets geven dat misschien van pas zou komen, ook al hielp het niet. Omdat niets ter wereld hielp. Omdat ik onherroepelijk op de lijst van de Russen stond, gaf iedereen mij iets en dacht er het zijne bij. En ik nam het aan en dacht met mijn zeventien jaar dat dit vertrekken op het juiste moment kwam. Het had niet per se de lijst van de Russen hoeven te zijn, maar als het niet te erg werd, was het voor mij zelfs wel goed. Ik wilde weg uit de vingerhoed van de kleine stad, waar alle stenen ogen hadden. In plaats van angst had ik dat geheimgehouden ongeduld. En een slecht geweten omdat de lijst, die mijn familieleden wanhopig maakte, voor mij een aanvaardbare toestand was. Zij vreesden dat mij iets zou overkomen in den vreemde. Ik wilde naar een plek die mij niet kende.
Mij was al iets overkomen. Iets verbodens. Het was abnormaal, smerig, schaamteloos en mooi. Het gebeurde in het Elzenpark helemaal achterin voorbij de heuvel met het korte gras. Op de terugweg liep ik naar het midden van het park, naar het ronde paviljoen waar op feestdagen de orkesten speelden. Daar bleef ik een poosje zitten. Het licht prikte door het fijngesneden hout. Ik zag de angst van de lege cirkels, vierkanten en trapezia, verbonden door witte ranken met klauwen. Het was het patroon van mijn afdwaling en het patroon van de ontzetting in het gezicht van mijn moeder. In dat paviljoen heb ik gezworen: Ik kom nooit meer in dit park.
Hoe meer ik mezelf daarvan afhield, des te sneller ging ik er weer heen – na twee dagen. Naar het rendezvous, zo heette dat in het park.
Ik ging naar het tweede rendez-vous met dezelfde eerste man. Hij heette de zwaluw. De tweede man was een nieuwe, hij heette de spar. De derde heette het oor. Daarna kwam de draad. Vervolgens de wielewaal en de pet. Later de haas, de kat, de meeuw. Daarna de parel. Alleen wij wisten welke naam bij wie hoorde. Het waren wisselende contacten daar in het park, ik liet me doorgeven. En zomer was het en witte schors op de berken, in de jasmijn- en vlierstruiken groeide de groene wand van ondoordringbaar loof.
De liefde heeft haar seizoenen. De herfst maakte een eind aan het park. Het hout werd naakt. De rendez-vous trokken met ons mee naar het Neptunusbad. Naast de ijzeren poort hing het ovale embleem met de zwaan. Elke week ontmoette ik de man die tweemaal zo oud was als ik. Het was een Roemeen. Hij was getrouwd. Ik zeg niet hoe hij heette, en niet hoe ik heette. We kwamen op verschillende tijdstippen, de caissière in het glas in lood van haar loge, de spiegelende stenen vloer, de ronde middenpilaar, de wandtegels met het waterleliepatroon, de gesneden houten trappen mochten niet op het idee komen dat wij een afspraak hadden. We gingen met alle anderen zwemmen in het bassin. Pas bij de zweetbaden ontmoetten we elkaar.
Toen, vlak voor het kamp en evenzo na mijn terugkeer tot 1968, toen ik het land verliet, zou er op elk rendezvous gevangenisstraf hebben gestaan. Minstens vijf jaar als ik was gesnapt. Er werden er heel wat gesnapt. Ze gingen na brute verhoren rechtstreeks van het park of het stadsbad naar de gevangenis. Vandaar naar het strafkamp bij het kanaal. Nu weet ik dat je van het kanaal niet meer terugkwam. Wie toch terugkwam was een wandelend lijk. Vergrijsd en verwoest, onbruikbaar voor welke liefde ter wereld ook.
En in de kamptijd – in het kamp gesnapt zou ik dood zijn geweest.
Ik zwierf na de vijf kampjaren dag in dag uit door het tumult van de straten en oefende in mijn hoofd de beste zinnen voor het geval dat ik gearresteerd zou worden: op heterdaad betrapt – tegen dat vonnis had ik duizend uitvluchten en alibi ’s bedacht. Ik draag stille bagage. Ik heb mezelf zo lang in zwijgen verpakt, ik kan mezelf in woorden nooit uitpakken. Ik pak mezelf alleen maar anders in wanneer ik praat.
In de laatste rendez-vouszomer ging ik, om de terugweg uit het Elzenpark te verlengen, op de Grote Ring toevallig de kerk van de Heilige Drievuldigheid binnen. Dat toeval speelde voor lot. Ik zag de tijd die komen ging. Naast het zijaltaar op een pilaar stond de heilige in zijn grijze mantel, met als kraag een schaap in zijn nek. Dat schaap in de nek is het zwijgen. Er zijn dingen waarover je niet praat. Maar ik weet waarover ik het heb als ik zeg dat het zwijgen in je nek iets anders is dan het zwijgen in je mond. Voor, tijdens en na mijn kamptijd, vijfentwintig jaar lang heb ik in angst geleefd, voor de staat en voor mijn familie. Voor het dubbele neerstorten, dat de staat mij als misdadiger zou opsluiten en mijn familie mij als schande zou buitensluiten. In het gewoel van de straten keek ik in de spiegels van de etalages, de ramen van trams en huizen, de fonteinen en de plassen, ongelovig, of ik niet toch doorzichtig was.
Mijn vader was tekenleraar. En ik, met het Neptunusbad in mijn hoofd, dook in elkaar alsof ik een schop kreeg wanneer hij het woord aquarel gebruikte. Dat woord wist hoe ver ik al was gegaan. Mijn moeder zei aan tafel: Prik niet met je vork in je aardappel, die valt uit elkaar, gebruik je lepel, een vork gebruik je voor het vlees. Mijn slapen klopten. Waarom praatte ze over vlees terwijl het om aardappel en vork ging. Over welk vlees had ze het. Mij hadden de rendez-vous het vlees omgedraaid. Ik was mijn eigen dief, de woorden vielen onverhoopt en snapten mij.
Mijn moeder en vooral mijn vader geloofden, zoals alle Duitsers in de provinciestad, in de schoonheid van blonde vlechten, witte kniekousen. In de zwarte vierhoek van Hitlers snor en in ons, Zevenburgse Saksen, als een arisch ras. Mijn geheim was louter lichamelijk bekeken al een enorme afschuwelijkheid. Met een Roemeen kwam er ook nog rassenschande bij.
Ik wilde weg van mijn familie, voor mijn part naar het kamp. Alleen had ik te doen met mijn moeder, die niet wist hoe slecht ze mij kende. Die als ik weg was vaker aan mij zou denken dan ik aan haar.
Naast de heilige met het schaap van het zwijgen in zijn nek had ik in de kerk de witte nis in de muur gezien met de inscriptie: de hemel brengt de tijd op gang. Toen ik mijn koffer pakte, dacht ik: De witte nis heeft gewerkt. Dit is nu de op gang gebrachte tijd. Ik was ook blij dat ik niet de oorlog in hoefde, niet naar de sneeuw van het front. Ik ging onnozeldapper en gedwee mijn koffer pakken. Ik verzette me nergens tegen. Leren beenwindsels met riempjes, pofbroek, mantel met fluwelen bandje – niets paste bij mij. Het ging om de op gang gebrachte tijd, niet om kleren. Met deze spullen of met andere, volwassen werd je toch wel. De wereld is weliswaar geen gekostumeerd bal, dacht ik, maar belachelijk is niemand die midden in de winter naar de Russen toe moet.
Een patrouille van twee politiemannen ging met de lijst van huis tot huis, een Roemeen en een Rus. Ik weet niet meer of de patrouille bij ons in huis het woord kamp heeft uitgesproken. En zo nee, welk ander woord behalve rusland. En zo ja, dan ben ik van het woord kamp niet geschrokken. Ondanks oorlogstijd en het zwijgen van mijn rendez-vous in de nek zat ik met mijn zeventien jaar nog in een lichte domme kindertijd. Mij raakten de woorden aquarel en vlees. Voor het woord kamp waren mijn hersenen doof.
Toen aan tafel met die aardappels en die vork, toen mijn moeder mij snapte met het woord vlees, moest ik er ook aan denken dat ik als kind beneden op het erf speelde en dat mijn moeder vanuit het verandaraam schreeuwde: Als je niet meteen aan tafel komt, als ik nu nóg een keer moet roepen, kun je blijven waar je bent. Omdat ik toen nog even beneden bleef, zei ze toen ik boven kwam:
Nu kun je je ransel pakken en de wereld in gaan en doen wat je wilt. Daarbij sleurde ze mij de kamer in, greep de kleine rugzak en stopte er mijn wollen muts en jas in. Ik vroeg: Maar waar moet ik heen, ik ben toch je kind. Veel mensen denken dat het inpakken van een koffer een kwestie van oefenen is, je leert het vanzelf zoals zingen of bidden. Wij hadden geen oefening en ook geen koffer. Toen mijn vader naar de Roemeense soldaten aan het front moest, was er niets te pakken geweest. Als soldaat kreeg je alles, het hoorde bij het uniform. Behalve voor het weggaan en tegen de kou wisten wij niet waarvoor we pakten. Het juiste heb je niet, je improviseert. Het verkeerde wordt het noodzakelijke. Het noodzakelijke is dan het enig juiste, alleen omdat je het hebt.
Mijn moeder haalde de grammofoon uit de woonkamer en zette hem op de keukentafel. Ik maakte met de schroevendraaier een koffer van het grammofoonkistje. Het opwindmechanisme en de draaischijf haalde ik er eerst uit. Toen stopte ik het gat waar de zwengel in had gezeten met een kurk dicht. De binnenvoering bleef zitten, vossenrood fluweel. Ook het driehoekige plaatje met de hond voor de hoorn his master ’s voice schroefde ik er niet af. Op de bodem van de koffer legde ik vier boeken: Faust in linnen, Zarathustra, het dunne bundeltje Weinheber en de verzameling poëzie uit acht eeuwen. Geen romans, want die lees je maar één keer en dan nooit meer. Op de boeken kwam de necessaire. Daarin zat: 1 flacon lotion, 1 flacon aftershave tarr, 1 stuk scheerzeep, 1 scheermes, 1 scheerkwast, 1 stukje aluin, 1 stuk handzeep, 1 nagelschaar. Naast de necessaire legde ik 1 paar wollen sokken (bruin, al gestopt), 1 paar kniekousen, 1 rood-wit geruit flanellen overhemd, 2 korte ripsen onderbroeken. Helemaal bovenop kwam de nieuwe zijden sjaal, zodat die niet zou kreuken. Hij was wijnrood in zichzelf geblokt, nu eens glanzend, dan weer mat. Toen was de koffer vol.
Daarna de bundel: 1 sprei van de divan (van wol, lichtblauw en beige geruit, een gigantisch ding, maar het hield je niet warm). En daarin gerold: 1 zomerjas (peperen- zout, al veel gedragen) en 1 paar leren beenwindsels (stokoud, uit de Eerste Wereldoorlog, meloengeel met riempjes).
Daarna de knapzak met: 1 blikje ham merk Scandia, 4 gesmeerde boterhammen, een paar overgebleven kerstkoekjes, 1 veldfles water met drinkbeker.
Daarna zette mijn grootmoeder de grammofoonkoffer, de bundel en de knapzak dicht bij de deur. De twee politiemannen hadden gezegd dat ze om middernacht zouden komen, dan moest ik mee. De bagage stond klaar naast de deur.
Daarna kleedde ik me aan: 1 lange onderbroek, 1 flanellen overhemd (beige-groen geruit), 1 pofbroek (grijs, zoals gezegd van oom Edwin), 1 stoffen vest met gebreide mouwen, 1 paar wollen sokken en 1 paar bergschoenen. De groene handschoenen van tante Fini lagen klaar op de tafel. Ik strikte de veters van mijn bergschoenen, en daarbij moest ik eraan denken dat mijn moeder jaren geleden in de zomervakantie op de Wench een zelfgemaakt matrozenpak had gedragen. Midden in een wandeling in de wei liet ze zich in het hoge gras vallen en hield ze zich dood. Ik was toen acht jaar. Wat een schrik, de hemel viel in het gras. Ik deed mijn ogen stijf dicht om niet te zien hoe hij mij opslokte. Mijn moeder sprong op, schudde mij door elkaar en zei: Hou je van me, ik leef toch nog.
De bergschoenen waren dicht. Ik ging aan de tafel zitten en wachtte op middernacht. En middernacht kwam, maar de patrouille was vertraagd. Drie uren moesten er verlopen, dat was bijna niet uit te houden. Toen waren ze er. Mijn moeder hield de mantel met het zwarte fluwelen bandje voor me op. Ik schoot erin. Ze huilde. Ik trok de groene handschoenen aan. Op de veranda, precies daar waar de gasmeter zat, zei mijn grootmoeder: ik weet dat je terugkomt.
Ik heb die zin niet bewust onthouden. Ik heb hem achteloos mee naar het kamp genomen. Ik had geen idee dat hij met me meeging. Maar zo’n zin is zelfstandig. Hij heeft in mij gewerkt, meer dan alle meegenomen boeken. ik weet dat je terugkomt werd de medeplichtige van de harteschop en de tegenspeler van de hongerengel.
Omdat ik ben teruggekomen, mag ik dat zeggen: Zo ’n zin houdt je in leven.
Het was drie uur in de nacht van 15 januari 1945 toen de patrouille mij kwam halen.
[...]
Oorspronkelijke titel Atemschaukel, verschenen bij Carl Hanser Verlag
Oorspronkelijke tekst © Carl Hanser Verlag, München 2009
Nederlandse vertaling © Ria van Hengel en De Geus bv, Breda 2009
Foto Herta Müller © Bettina Flitner
Herta Müller, Ademschommel. € 22,50
Herta Müller, Atemschaukel. € 24,30
Herta Müller, De vos was de jager. € 18,-
Herta Müller, Hartedier. € 18,-
Herta Müller, Vandaag was ik mezelf liever niet tegengekomen. € 18,90




