Vandaag in de Nacht
'De sneeuwslaper. Een veldwerkverslag', uit De sneeuwslaper
door Marlene van NiekerkDeze week verschijnt het nieuwe boek van Marlene van Niekerk, De sneeuwslaper, in de vertaling van Riet de Jong-Goossens. In deze novelle in vier verhalen speelt Marlene van Niekerk een meesterlijk spel met feit en fictie. Ze levert een haarscherp commentaar op de literatuur en haar eigen schrijverschap. Vanavond kunt u al enkele pagina's uit het titelverhaal lezen, en het boek reserveren.
Hoe vaak zullen ze elkaar in de straten van Amsterdam tegen het lijf gelopen zijn — de Zuid-Afrikaanse hoogleraar, de student creative writing, de zwerver, de klokkenmaker, de veldwerker, de slagwerker, de schrijver? Vaker dan men wellicht zou vermoeden: hun levens blijken zo nauw verknoopt te zijn dat de geschiedenis van de een ongemerkt overgaat in de geschiedenis van de ander.
gesprek
Gewone mensen zijn ook eigenaardig,
let op de zwerver in hun blik
die wegsluipt terwijl ze met je praten,
naar het een of andere bosschage achter de schedel
speurend naar een on. of andere werkelijkheid,
hengelend naar schaduw in een kuil.
Maar soms kiest de zwerver een and're weg,
zijn ogen uit, de jouwe in,
denkend dat jij gisteren bent,
of morgennacht, een woud waarin hij
tussen dennennaalden en klisgras
de verloren munt, de gevallen steek mag vinden.
Verdooldheid echter is verboden: normale mannen
keren snel terug naar het heden, kijken je nuchter
in het oog alsof ze je verzekeren: sorry, het zal niet meer gebeuren,
of werpen een keermuur op van verstandigheid
om nabijheid mee te stelpen, en stoppen in plaats daarvan per ongeluk
scheldwoorden als rozen in hun gebruikelijke discours
Louis MacNeice
(Vert. H.O.)
*
Helena Oldemarkt
Lauriergracht 140
1016 rt Amsterdam
Aan de Directeur van het
Landelijke Onderzoeksteam Thuislozen
Vrije Universiteit
Amsterdam
18 oktober 2008
Verwijzing interview met thuisloze: Dienst Onderzoek en Statistiek, Amsterdam 2008
Geachte professor Sprinkhuizen,
Na ettelijke pogingen met u in contact te treden — volgens uw secretaresse bevindt u zich de laatste tijd meestal in het veld om uw medewerkers te monitoren — neem ik de vrijmoedigheid u te schrijven.
Aangehecht vindt u selecties uit een geredigeerde transcriptie van een interview, als dit het juiste woord is, dat ik in de nacht van 10 juli 2008 had met iemand die ik bij gebrek aan duidelijker identificatie ‘de sneeuwslaper’ zal noemen. Dit gesprek vond plaats in het kader van de jaarlijkse telling van daklozen door de Dienst Onderzoek en Statistiek in Amsterdam, waar ik al vele jaren, sinds de dood van mijn vader, vrijwillig medewerker ben. Dit werk vormt een deel van mijn proefschrift over vagranten in grootstedelijke context onder leiding van uw collega Dr. Gottlieb van Doorn, Instituut voor Nieuw Sociologisch Onderzoek, Utrecht. Het bovenstaande gedicht van MacNeice, hangt ingelijst boven Dr. Van Doorns bureau.
Ik wil op voorhand uitleggen wat mijn belangen zijn — ik doe vrijwilligerswerk onder de minderbevoorrechten als een vorm van troost. Mijn vader was een zwerver in zijn laatste jaren voordat ik hem heb laten opnemen. En nu schijnt het, door een vreemde samenloop van omstandigheden, mijn beurt om zwerver te zijn. In een oogwenk gepromoveerd van veldwerker tot vagebond.
Zoals u zult zien in mijn transcriptie, heb ik me zo goed mogelijk gehouden aan de handleiding en de voorgeschreven vragenlijst die u voor dit onderzoek hebt ontworpen. Hoewel ik de verlangde informatie heb verzameld, ben ik nog nooit in al die jaren van mijn interviewwerk met daklozen met iets dergelijks geconfronteerd geworden.
Ik begrijp dat u in de eerste plaats statisticus bent, en dat u als samensteller en landelijke coordinator van de enquete, weinig van doen hebt met kwalitatief onderzoek. Aanbevelingen aan de regering over hulp aan thuislozen moeten op harde feiten zijn gestoeld. Desondanks heb ik het raadzaam geacht om u te betrekken bij het verloop en de inhoudelijkheden van dit geval. Het betreft namelijk onder andere een mogelijk ernstig misdrijf dat volgens de ondervraagde in de winter van 2007/2008 zou hebben plaatsgevonden in de Witte Hartensteeg in Amsterdam. Bij nader onderzoek blijkt dat er geen zo genoemde steeg in Amsterdam bestaat. Volgens alle aanwijzingen is de plaats waarnaar hij verwijst het Schapenburgerpad, een niet-geasfalteerd tuinpad achter de P.C. Hooftstraat.
Tot op heden heb ik noch de plaatselijke tak van de Dienst O&S, noch de politie in kennis gesteld van het voorval, een verzuim dat mij misschien ten laste kan worden gelegd door het gerecht. Mijn onmiddellijke zorg is echter dat de ondervraagde mij vanaf het moment dat het interview zou beginnen, heeft bespioneerd. Hij weet wel wie ik ben en zou mijn adres gemakkelijk kunnen opzoeken in de telefoongids. Tot dusver heb ik hem echter niet op heterdaad kunnen betrappen. Ik verstout mij eraan toe te voegen dat de ogen die ik op mij voel niet die van een kwaadwillige zijn, eerder die van een ‘piereleurder’, zoals hij zichzelf noemt, die een kans wil wagen, al zou ik niet weten op welk soort geluk hij uit is. Ik ben een alleen levende vrouw op leeftijd, of tenminste, zo heb ik me tot nu toe beschouwd. Thans waag ik me niet meer alleen op straat zonder me te verkleden als tassenvrouw. Ik voel mij genoopt heel voorzichtig te zijn wanneer ik mijn eigen huis binnenga. Hij is het type dat als een schaduw (een melodie? een geur?) langs je heen zal glippen en zich zonder dat je het weet zal binnenlaten als je je rug hebt gekeerd.
Al drie maanden zwerf ik in een staat van wat ik niet anders dan ‘verhoogd bewustzijn’ kan noemen langs alle passantenverblijven en nachtopvanglokalen van het hvo- Querido, het Leger des Heils en de onderkomens van het Stoelenproject, maar zonder een spoor van hem te kunnen achterhalen. ’s Avonds zit ik in het cafe van het Volksverbond in de Haarlemmerstraat en vis ik tevergeefs bij de mensen die daar binnenkomen. Ik verwacht ieder moment dat hij zichzelf zal aandienen. Ook waak ik ettelijke uren per dag op het Schapenburgerpad, waar aanwijsbare restanten van zijn winterverblijf zijn te vinden, maar ook daar is hij nooit meer komen opdagen.
Wat zou ik doen als ik hem op een dag tegen het lijf zou lopen? Als hij vlak bij me zou opduiken? Zou ik hem herkennen? Hoe zouden we communiceren? Zouden we blijven hengelen naar de schaduwen, of zouden we elkaar dichter durven te benaderen? Hoe zou ik mijn dagen slijten als ik hem (zijn gebaren, zijn geluid, zijn onmogelijke sprookjes) niet langer hoefde te zoeken, hoefde te verwachten?
Ik hoop dat u mij met uw gespecialiseerde kennis en brede ervaring van advies kunt dienen in deze bedenkelijke casus van overdracht tussen hulpverlener en .behoevende. Ik vertrouw erop dat u niet ingesponnen raakt in het web van giswerk, valse verwijzingen en oogverblinding waaraan ik als beginneling ten prooi ben gevallen. Het is meer dan vol89 doende dat er tijdens deze enquete reeds een deelnemer in de ban is geraakt van een luchtspiegeling uit het rijk van toeval.
Hoogachtend, de uwe,
Helena Oldemarkt (medewerker Dienst Onderzoek en Statistiek, Amsterdam 2008)
Medewerkersnummer MW 112358
Tel. thuis: 020-6365538
Mobiel: 06-42260320
Post Scriptum
Als gevolg van een defect in mijn opnameapparatuur is het geluid van mijn stem op het bandje verloren gegaan. Er is dus geen transcriptie van mijn eigen inbreng in het gesprek. Voorts was ik genoopt de woorden van de ondervraagde zo goed en zo kwaad mogelijk in te vullen daar waar zijn verhaal onsamenhangend of zijn uitspraak onduidelijk was. Omdat de drie cassettes die ik van de Dienst O&S had gekregen op het laatst vol waren, kon ik de tirade niet vastleggen waarmee de ondervraagde mij vaarwel toeriep. Misschien was zijn woede een vorm van verweer tegen ons beider schroom. Ter inzage sluit ik voor u een reeks memoranda in van mijn waarnemingen en overwegingen tijdens het gesprek, alsook van mijn herinneringen, gedachten en inzichten in de daaropvolgende maanden bij het steeds opnieuw beluisteren van de bandjes.
Transcriptie: De sneeuwslaper.
Interviewtekst Ams C — 37. 10 juli 2008.
Memoranda 11 juli 2009 — 19 oktober 2009.
Memo 1
Zoals altijd maak ik een vrijdagavonduitstapje zwerver-spotting, mijn uitrusting in een tas over mijn schouder. Lichte tegenzin om buiten te moeten zijn, want ik ben aan het schrijven, een hoofdstuk over de depersonalisatie van de zwerver in de maatschappij. Ik tref de ondervraagde aan bij het rosarium in het Vondelpark, op een bank onder een van de iepen. Hij lijkt voor in de zestig, heeft golvend zilvergrijs haar, groenbruine ogen, is ongeschoren, bruingebrand op de manier van aan weer en wind blootgestelde zwervers. Ik ga af op ongewone cadensen, een vreemde glossolalie, de lucht in de rozentuin in beroering. Spits ik in de stad niet altijd mijn oren op zoek naar afwijkende geluiden? Een gewoonte uit een landelijke jeugd, van mijn vader overgenomen, je kon horen wanneer er iets ongewoons was in het gehucht waar ik ben opgegroeid.
Bij zijn voeten een plastic tas met etenswaren en een fles waaruit hij af en toe een slok neemt. Zijn rechterschoen aan, de andere uit en dwars voor hem als bedelbak. Verder een verbleekte spijkerbroek, een blauwe golfpet en een splinternieuw wit jack, op de rug een reclametekst van Golden Tulip: zomervakantieaanbieding voor een lang weekendverblijf in een luxe suite. (Vgl. ‘Zwervers als wandelende reclameborden’, de Volkskrant 12 augustus 2008, p. 4.) Het is een uur of acht, hij speelt begeesterd. Als hij de microfoon in mijn hand ziet, licht hij zijn pet, knipoogt alsof hij mij daar had verwacht. De omstanders zijn over het algemeen oudere mensen, autochtonen op hun avondwandeling (de jongeren met glazige blik en met oortjes in horen niets behalve het gefemel in hun eigen hoofd). Het lied hieronder is het eerste stuk waarbij ik dicht genoeg bij hem was voor een opname.
Hij kondigt de voordracht aan als een ‘ouverture’, maakt een buiging voor het publiek. Een nogal ‘literaire’ tekst, vind ik, maar gezongen als een smartlap. Op mijn klembord schrijf ik mijn eerste oordeel over hem op: Een mens die van zichzelf verschilt.
Transcriptie: Opname sneeuwslaper, bandindex 1-3
Ach, ik ben slechts schelpgeruis
dat treurnis in mijn gleuven bergt
een glimtor uit het schrikfornuis
die zachtkens wauwelt in de kerk
en niemand die van buiten ziet
wat de sterren wensen ik moet wezen,
drie duivels in mijn binnenste die mij
het zwartboek van de zwerfkunst lezen.
Overzomerd in een zaal van spiegels
Overwinterd in een klamboe sneeuw
Op een parkbank, in een smalle steeg
mijn paskwillen u terwille blijven immer legio
wie mij zoekt die waagt een kans
wie mij vindt heeft het niet door
van nokkapok tot iepenbrons
stort ik woordjenever op mijn spoor
Memo 2
Het bovenstaande wordt voorgedragen volgens de conventies van een liederenrecital. Voornaam staat hij daar in het late licht, knikt naar mij alsof ik zijn begeleider ben. Een imponerende gestalte, in de mengeling van zon en schaduw maakt zijn haar een levendige indruk, een nieuw dier, zou mijn overleden vader zeggen. Wie is deze man? Weer dat samenzweerderige spottende oogcontact. Moet ik weg? vraag ik me af, maar ik ben al bijna zijn toneelknecht. Wat is het ambacht van deze meester, zijn kaakstand snoek, zijn mondstand tulp? Een verbazend toonzuivere bariton, dat wel. Na afloop algeheel applaus, kleingeld klaterend in zijn schoen, de omstanders roepen encore. Ik probeer een betere positie te veroveren met mijn cassetterecorder. Op zijn schoenen zie ik het merk Mercurius.
Transcriptie: Opname sneeuwslaper, bandindex 4
Kijk wie gooit iets in de hiel van Augustus! Zilver onder de voetvlerk!
Nee godallemachtig, dit verdient meer, meneer, dan een schubbetje, denkt u dat ik een aap ben die met goedkope belletjes rinkelt? Een hele ochtend zit ik te foekeren hier onder de iep op mijn bankje om voor u een Vondelparks avondlied te fabriceren en u kunt niet dieper in de buidel tasten?
En, moeder van Jezus, wat voor een pieremegoggel hebben we hier die haar microfoon onder mijn neus duwt alsof het een anjer is van blauw fluweel? Een hulpverleenster van de heilsleer? Waar is het hoedje van Gods waardin? Als ik u was zou ik niet zo kijken naar een clochard in een park op een zomeravond, dat is zoeken naar het opdoen van iets engs in de kut, parlez-vous Français? Schenk me dan maar een zilverling s’il vous plait en ik vertel u een verhaal over een weergaloze winter.
Memo 3
De atmosfeer onder de boom in de zoele zomeravond prikkelt mijn huid. Slechts een smalle wand scheidt ons, denk ik. Zijn toon en aanpak doen me aan mijn vader denken. Klantenbinding noemde mijn vader het als hij mij en Willem met een raadsel of een liedje naar zijn stoel lokte, vooral ik moest uitgedaagd worden, verlegen als ik was. Maar voor ‘Boom staat in de aarde en bloeit zo schoon, zo schoon, o boom’ was ik altijd uit mijn tent te krijgen.
Ik laat de zwerver mijn pasje zien van de dienst O&S, hardop spelt hij mijn naam, tikt met zijn vinger tegen zijn slaap. Ik vraag of ik een interview met hem kan hebben, benadruk dat er geen vergoeding tegenover staat. Ik lees hem de vertrouwelijkheidsovereenkomst voor. Niets van wat hij zal zeggen zal gebruikt worden buiten het bestek van het onderzoek en zijn identiteit wordt beschermd. We tekenen allebei, hij met een zwierige krabbel. De omstanders trekken zich terug, enkelen blijven binnen gehoorsafstand hangen. Hij neemt me van kop tot teen op terwijl ik uitleg geef over mijn opdracht. Een duizeling overvalt me zoals toen ik als klein kind achter op mijn vaders fiets door een nachtelijke straat met lantaarnpalen reed, de slagschaduwen op mijn oogleden.
[...]
Copyright © 2009 Marlene van Niekerk
Copyright translation © 2009 Riet de Jong-Goossens /
Em. Querido’s Uitgeverij bv, Singel 262, 1016 AC Amsterdam
Copyricht foto © Lien Botha






