Dag en nacht over boeken lezen, boeken kopen
Bestel online! Keuze uit meer dan 10 miljoen titels.
Of bezoek onze winkels in Amsterdam en Haarlem.

Leesfragment: Instorten RSS

door Ricardo Menèndez Salmón

28 juni verschijnt het nieuwe boek van Ricardo Menèndez Salmón, Instorten, in de vertaling van Bart Peperkamp. Deze Nacht een fragment.

Het stadje Promenadia is in de greep van een seriemoordenaar. Zijn gruwelijke en willekeurige moorden houden iedereen gevangen in angst. Toch oefent het geweld op sommige inwoners een grote aantrekkingskracht uit. Zo willen drie studenten net als hij zoveel mogelijk dreiging en angst veroorzaken. Ze plannen een bomaanslag. Een zwangere vrouw, die in de ban van de seriemoordenaar komt, verlaat haar man voor hem. Haar man is een van de agenten die de dader moeten opsporen.
Ricardo Menéndez Salmón schrijft over de aantrekkingskracht van het kwaad – op slachtoffers, daders en toeschouwers. Hij laat zien hoe het ingezet kan worden om betekenis te geven aan een leven.

Hij schoot en het hoofd stuitte naar achter en hij zag hoe de ogen zich voor de laatste keer voedden met een sprankje licht en hoe die daarna geleidelijk gekleurd werden door schaduwen - schaduwen waarin hij zijn eigen weerspiegeling met zijn nog uitgestrekte arm kon zien - en hoe die ten slotte uitdoofden als een verre ster die met ongebruikelijke kracht twinkelt alvorens voor altijd te doven, waarbij hij in die laatste schittering alles samenbundelt wat hij ooit was: zijn schittering, zijn verdienstelijkheid, zijn voortreffelijkheid, de verbazingwekkende en verbaasde zekerheid gevoeld te hebben, genoten te hebben, gelachen te hebben, te hebben bestaan.

*

Daarna ging hij naar de man toe en liep om hem heen en rook zijn verse bloed en bracht iets wat vaag leek op botten en behaarde huid naar zijn mond en daar, rechtop en staande als een duistere totem, in de kamer die nauwelijks verlicht werd door het gazen licht van de ouderwetse straatlantaarns, zou een willekeurig iemand die hem had gezien terwijl hij genoot van die handvol onduidelijk spul, in de verleiding zijn gekomen om heel ver en heel snel weg te vluchten.

*

‘Wat is dat?’ vroeg Manila aan de Inspecteur.
‘Een schoen, hij laat altijd een schoen achter.’
‘Een schoen?’
‘Een schoen van zijn vorige slachtoffer.’
‘O.’
‘We hebben vier paar.’
‘Vier paar?’
‘Ja. Vier complete én incomplete paren schoenen.’
‘Ik snap het niet.’
‘Complete paren omdat hij altijd eerst de linkerschoen en daarna de rechter achterlaat; incomplete paren omdat ze niet van hetzelfde model zijn.’
‘En dat doet hij altijd.’
‘Altijd.’
‘Als een handelsmerk.’
‘Precies.’
‘En de eerste schoen die hij heeft achtergelaten?’
‘Wij denken dat die van hemzelf was.’
‘Maar die zou ook van een vorig slachtoffer kunnen zijn.’
‘Zou kunnen.’
‘En dus?’
‘Dus volgden wij, deductief, het spoor stroomopwaarts van misdaad naar misdaad.’
‘Maar er zijn maar acht schoenen.’
‘Maar acht.’
‘En er zijn maar acht lijken.’
‘Voor zover wij weten, ja.’
‘Goed.’
Manila ging naar het lijk toe, liep er ook omheen en keek naar het gat waar het leven, de tijd, bepaalde dromen en een paar verwachtingen uit waren weggevloeid. Hij bracht een vinger naar de snor die hij al een paar weken niet meer had en dacht: Wat doe ik hier in de kamer van de duivel, maar hij zei helemaal niets tegen de Inspecteur, die vol ontzag en geduldig naar hem keek, hij beperkte zich ertoe hem met een knikje te groeten.
Toen verliet hij de kamer, liep de trap af terwijl hij iedere hartslag telde, ging de straat op en bleef staan onder een oude lantaarnpaal om daarvandaan eerst naar het raam te kijken waarachter een man lag met een verbrijzeld hoofd, daarna aandachtig naar zijn schoenen te kijken, en ten slotte tegen de nacht dit enige, nauwkeurig uitgesproken, besliste woord te zeggen: ‘Acht.’

*

Als een bruid tijdens haar huwelijksnacht nam hij de hoer in zijn armen en liep met haar de drempel over en wierp haar op het bed, maar al niet meer alsof zij een vrouw was, iemand voor wie hij geld zou betalen, maar alsof het een baal kleren of een postzak was, iets onbezields dat geen weet heeft van honger of tandbederf of kou.
Ze zocht in zijn gezicht naar een teken en meende het te begrijpen en bad tot wie haar maar zou kunnen horen dat hij haar tenminste geen pijn zou doen en dat, als hij dat wel zou doen, het zo vlug mogelijk voorbij zou zijn. Daarna sloot ze vol schaamte haar ogen en hoorde het geluid van de kapotte kraan en stelde zich voor dat hij zich in de badkamer stond te scheren of zijn oksels of zijn geslacht of zijn voeten of God mocht weten wat stond te wassen, totdat ze hem een paar minuten later kon horen toen hij terugkwam naar de kamer, waarbij hij het licht dat uit de badkamer kwam de weg versperde, en naar haar toeliep en haar onder haar oren kuste, met een gebaar dat zo teder en zo wijs en zo vervuld van andere vrouwen was en van andere dagen, dat ze gedurende een ogenblik dacht dat ze zich vergist had en dat haar angst een onzinnig gevoel was, omdat die man gewoon een beschaafde klant was die vastbesloten was om het een uurtje naar zijn zin te hebben.
Toen richtte hij zich op zijn handpalmen op en schuurde tegen haar aan als de zee tegen het lege strand en schudde zijn mooie hoofd boven het hoofdeinde van het bed, terwijl hij zijn pik ter hoogte van haar gezicht heen en weer bewoog en zij zich als een levende octopus verweerde onder dat luisterrijke vlees, en boven haar hoofd kon ze, terwijl ze gedisciplineerd en onderworpen en ervaren probeerde niet te stikken, horen hoe de man een, twee, drie keer schreeuwde, en daarna voelde ze de zoute beving door haar keel lopen en wist ze dat hij was klaargekomen en dat het allemaal voorbij was en dat de tijd om uit te rusten was gekomen.

*

Manila keek hoe het meisje lag te slapen, ging naast haar zitten en strekte een hand uit tot bij het haar van de kleine. Maar hij raakte haar uiteindelijk niet aan. Hij dacht aan het woord besmetting en hield zijn hand, als een vogel zonder tak, stil op hoogstens een paar centimeter afstand van het haar van zijn dochter. Daarna streelde hij zijn afwezige snor en vloekte zachtjes een paar keer en dacht eraan dat, wanneer de duivel op een dag in een van zijn vele gedaanten zijn huis zou bezoeken, hij er de voorkeur aan zou geven zelf zijn dochter de keel door te snijden, liever dan dat zij hem te zien zou krijgen.
Hij bleef daar een paar minuten zitten, terwijl hij keek hoe ze lag te slapen en merkte hoe haar ogen onafgebroken onder haar opgezwollen oogleden ronddraaiden, terwijl zij de dromen van vijfjarigen droomde, haar heldere, hoopvolle en tegelijkertijd ongetwijfeld gruwelijke dromen, met hun nachtmerries over schorpioenen, afgronden en baardeloze gnomen, met hun tedere spelletjes met dieren die gegalvaniseerd waren door het lachen, door de genegenheid en de liefkozing van die warme handen die nog geen weet hebben van het mogelijke verblijf van verval, van verrotting, van de dood.
Daarna stond hij op, ging zijn eigen slaapkamer binnen, keek naar het grote en zware lichaam van zijn vrouw, was bang voor dat wezen dat daar binnenin klopte en concludeerde dat de wereld een vreemd en confuus oord was, vol verborgen hoekjes waar het leven en de dood een obscene rol speelden. Toen rukte de stem hem los uit zijn overpeinzingen: ‘Kom nu eindelijk eens naar bed.’
En Manila kleedde zich uit, ontdeed zich van zijn vermoeidheid, zijn angst en zijn woede.
Terwijl aan het plafond een lamp in de vorm van een papieren pelikaan geluidloos heen en weer bewoog, viel hij op zijn rug liggend in slaap, in slaap gesust door de warmte van dat lijvige vat dat aan zijn zijde twee harten onderdak bood.

*

Hij werd wakker van de dorst. Een vuur rond zijn mond vol blaasjes. Zijn tong smaakte naar kalk en ijzer. Hij keek door het raam en zag een geblakerd landschap, met zwartachtige bomen en gammele huizen en midden in de woestenij omgevallen dieren.
Hij kneep zijn ogen stijf dicht en alles verdween. Niets van dat alles bestond. De dorst verdween. Zijn mond was zo zuiver als een glas water. Zijn adem was die van een baby. Door het raam zag hij een vrouw lopen met een kind aan de hand en met een slome en dikke hond, zo mak als een lammetje, die achter hen aan draafde.
Hij strekte zijn rechterhand uit en raakte het koude achterwerk aan. Dat was er nog, als een slapende god.
Hij bleef de daaropvolgende vier uren languit liggen. Toen hij ten slotte opstond ging hij plassen, deed zijn behoefte, rookte twee sigaretten boven de stank van zijn eigen uitwerpselen totdat de tabakslucht zich mengde met die van zijn stront, douchte zich, scheerde zich, ging naar buiten, liep voor het kind langs dat nu alleen speelde met een oud en gekleurd vod, keek naar de ogen van de makke hond, stapte in zijn auto en reed weg.

*

De hond liep naar binnen, waarbij hij met zijn lende tegen de deur schurkte, en snuffelde en draaide in het rond, op zoek naar zijn eigen staart, zodat iemand die hem had gezien, zou hebben gedacht dat hij van het ene moment op het andere zijn eigen kop zou losrukken of zou gaan janken, net zolang tot zijn keel zou springen als de snaar van een gitaar. Daarna scheen hij echter rustig te worden en zette hij een paar flinke stappen een kant op, aarzelende maar uiteindelijk toch grote stappen, en bleef toen rustig staan kijken naar het lichaam dat ter hoogte van zijn ogen op de grond lag en hij zette nog een paar ferme stappen en rook aan het haar en rook aan de ingewanden en opende zijn bek en pakte dat ene tussen zijn tanden, voordat hij zich omdraaide en naar de gang liep en dezelfde weg terug nam en de binnenplaats overstak en de receptie binnenging met zijn smachtende, maar zelfs zo, vol twijfel, nog trouwe ogen.
De vrouw liet de krant, die ze aan het lezen was, vallen toen ze de hond zag binnenkomen.
‘Laat dat los,’ zei ze. ‘Laat los.’
De hond gehoorzaamde onmiddellijk en opende zijn bek en op de grond viel een magere en veeleer bleke hand waaraan de wijsvinger ontbrak, een hand die kundig was afgehakt ter hoogte van de pols, alsof een kromzwaard of een guillotine, een even scherp als trefzeker voorwerp, een stuk gereedschap dat bedacht was om te verwonden en te verminken en te verwoesten, die met een enkele en deskundige slag had afgesneden.

*

‘Het zijn er al negen.’
Manila herkende de stem van de Inspecteur.
‘Negen wát,’ zei hij zonder het te willen begrijpen.
‘Negen schoenen.’
Manila keek hoe zijn dochter haar melk opslorpte. Een witte en spits toelopende snor, als een kalk- of krijtvlek, tekende zich af onder haar opgetrokken neus.
‘Ik kom daar naartoe.’
Hij hing op. Ging zitten. Genoot van zijn koffie. Brandde zijn tong. Vloekte woordeloos. Het meisje keek hem aan, lachte als een dwerg en vertrouwde zich toe aan zijn armen. Manila voelde dat dat vlees alleen maar een opgeworpen obstakel was om in leven te kunnen blijven. Zijn tranen kwelden zijn keel en terwijl hij zijn gezicht diep wegstopte in het haar van zijn kleine meid, huilde hij om alle dingen die het de vorige avond niet gewaagd hadden bij hem op te komen.

*

Ze keken naar de kaart van de schoenen en schudden hun hoofd.
‘Dit heeft geen zin,’ zei de Inspecteur.
Hij was klein, gedrongen, aardachtig - één klomp vlees.
‘Eerst in het noorden, toen in het zuiden, opnieuw in het noorden, twee keer in het westen, weer twee keer in het noorden, de man met het schot in zijn hoofd in het westen en de hoer weer in het zuiden.’
Ze keken opnieuw naar de kaart en toen keken ze elkaar aan.
‘Het is net als het leven,’ zei Manila.
‘Net als het leven,’ herhaalde de Inspecteur.
‘De zin van het leven is dat die er niet is.’
‘Ik begrijp het. U bent een filosoof.’
‘Af en toe.’
Ze rookten.
Twee mannen kwamen binnen. Manila kende hen niet. De Inspecteur begroette hen als oude vrienden, nam hen bij de arm, bood hun sigaretten aan.
De vier gingen zitten. Ieder van hen bezette een punt op een van de vier hoofdwindstreken. Manila merkte op dat hij het oostelijk deel van de kamer bezette. Hij was ontkomen. Vooralsnog was hij ontkomen.
De mannen noemden hun achternamen: Olsen, de magerste; Gudesteiz, de schele dikke.
‘Wat een vreemde naam,’ zei Manila. De schele gaf geen antwoord. De rook bedekte zijn goede oog.
‘Het is een adellijke naam,’ zei de Inspecteur.
‘Het enig adellijke aan Gudesteiz is zijn buik,’ zei Olsen.
Ze lachten. Hard. Hartelijk. Het was de eerste keer dat de vier samen lachten.
Ze werkten door tot in de avond. Toen ze buiten kwamen, voelden ze zich duizelig na al dat roken. Olsen stelde een Argentijnse grillroom voor en de anderen namen het voorstel aan. Die avond, toen hij thuiskwam, voelde Manila zich niet lekker.
Hij gaf helemaal rechtopstaand over in de badkamer, alsof ze hem een bezem door zijn anus hadden gestoken. Hij voelde zich te zwak om te gaan kijken hoe de kleine meid sliep. Zijn vrouw - met haar enorme buik, één grote jammerklacht - ontving hem snurkend.
‘Dat verdomde vlees,’ zei Manila.



Bookmark and Share

Instorten

Ricardo Menéndez Salmón € 17,90

De schending

Ricardo Menéndez € 14,90