Leesfragment: Ons soort mensen

06 oktober 2016 , door Juli Zeh
|

Vandaag verschijnt het nieuwe boek van Juli Zeh, Ons soort mensen (Unterleuten, vertaald door Annemarie Vlaming). Wij brengen een uitgebreid fragment. Update 28 juni 2017: Ons soort mensen staat op de shortlist voor de Europese Literatuurprijs!

Het lijkt alsof Linda in het paradijs is beland in het dorp Unterleuten. Maar de plattelands-idylle wordt wreed verstoord wanneer een investeringsmaatschappij besluit er een windmolenpark te gaan bouwen. Twee dorpsgenoten, een belegger en een boer, zijn bereid grond te verkopen voor een paar miljoen euro, maar dat grondgebied is nét te klein. Als Linda ook verkoopt is er wel genoeg plek. In gedachten ziet ze haar droom in vervulling gaan: eigenaar van een manege worden. Ze probeert het onderste uit de kan te halen. Dan is er nog een doorgewinterde herrieschopper, die alles op alles zet om het windmolenpark tegen te houden. Oude geschillen steken de kop op in het dorp – hoeveel intriges kunnen de bewoners aan? Juli Zeh ontleedt de personages meesterlijk en met subtiele humor en laat hun ware gezichten zien. Ons soort mensen is een bestseller in Duitsland.

 

I
Beminde baby’s

Unterleuten is een gevangenis.
Kathrin Kron-Hübschke

1
Fließ

‘Dat beest heeft ons in zijn macht. Dat is nog erger dan hitte en stank.’ Jule keek op. ‘Ik kan er niet meer tegen.’
‘Het heeft geen zin om je op te winden, lieverd.’ Gerhard deed zijn best om zijn stem zelfverzekerd te laten klinken. Hoe hysterischer Jule werd, hoe meer hij zich vastklampte aan de rede. ‘Als je iemand haat, erger je je aan alles wat diegene doet.’
‘Je bedoelt dat ik moet proberen om van dat beest van hiernaast te houden? En dat het dan oké is dat hij ons leven verwoest?’
‘Ik bedoel dat je je er niet zo in vast moet bijten. Met die opwinding heb je alleen jezelf maar en…’
Hij streed een verloren strijd. Jule zat in elkaar gedoken op de bank te huilen, zodat er voor hem niets anders op zat dan naast haar te gaan zitten en zijn arm om haar schouders te slaan. Op schoot had ze de kleine Sophie, die kronkelde in haar armen en onophoudelijk jengelde. De baby kreeg geen rust en werd ook ’s nachts voortdurend wakker, wat niet verwonderlijk was gezien de hitte in huis. Dat Jule het kleintje de hele tijd tegen haar borst hield, maakte het ook niet beter. Sinds de vuren er waren werkten ze elkaar enorm op de zenuwen.
Met een slip van zijn overhemd depte Gerhard zijn gezicht. Zijn huid spande over zijn botten. De laatste tijd ging hij de spiegel uit de weg. Jule zag er uitgeput uit, maar de aanblik die hijzelf bood was dramatisch. Dat kwam niet alleen door de twee decennia die zij op hem voorhad, maar ook door zijn magerte, die iedere inspanning scherp in zijn gezicht tekende.
Toen Jule vijf jaar geleden voor het eerst in een van zijn colleges aan de Humboldt-universiteit was opgedoken, had hij met zijn spontane ‘Welkom!’ niet alleen op het college, maar meteen op zijn hele leven gedoeld. In alle rust had Jule tussen de andere studenten gezeten – rood haar, bleke huid en als door licht omgeven, wat afgezien van hem niemand leek op te merken. Haar loshangende haar en wijde jurk leken over Woodstock te verhalen en wekten in Gerhard het verlangen naar een tijdperk dat hij had gemist. In plaats van met bloemen in zijn haar op zomerse grasvelden te liggen, had hij als jongeman in communistische werkgroepen gezeten en zich druk gemaakt om de toestand in de wereld. De vrouwen om hem heen hadden niet halfnaakt en onder invloed van lsd, maar in donkere coltruien rondgelopen. Brildragend en kettingrokend delibereerden ze over het kapitalisme dat op z’n einde liep. Tegen de achtergrond van die herinnering kwam Jule hem voor als afgezant van een andere wereld.
Nu keek hij naar haar gebogen nek en schokkende schouders, en wenste dat hij hitte en stank simpelweg in zich op kon zuigen, alle last op zich kon nemen, om Jule en Sophie te bevrijden. Het was hartje zomer, tweeëndertig graden in de schaduw, en ze zaten nu al vier dagen opgesloten in huis, zonder mogelijkheid om de tuin in te gaan of ook maar een raam open te doen. Zelfs ’s nachts konden ze niet luchten, omdat Schaller, die Jule alleen nog maar ‘het beest van hiernaast’ noemde, ook na zonsondergang de vuren niet liet uitgaan.
Wanneer Gerhard zich probeerde voor te stellen hoe het beest ’s nachts om de twee uur uit zijn bed kroop om de vuren brandende te houden, begonnen zijn handen te trillen van woede.
‘Over een tijdje staat de muur er, lieverd.’
Sinds het beest op het perceel naast hen een ‘autowerkplaats’ runde – een begrip dat, Schallers vuilnisbelt in aanmerking genomen, slechts tussen aanhalingstekens gedacht kon worden – hoorde Gerhard zichzelf steeds vaker met de stem van een Midden-Oostengezant praten. Jule keek met haar betraande gezicht naar hem op.
‘Wanneer?’
‘Zodra de vergunningsprocedure is afgesloten.’
‘Je bedoelt als die kloteambtenaren eindelijk eens bij zinnen komen!’ Jule verhief haar stem. ‘Als ze inzien dat ze niet tegelijkertijd de schroothoop van dat beest kunnen toestaan en ons bescherming tegen inkijk kunnen verbieden!’
Gerhard schudde zijn hoofd. Het had geen enkele zin om er op deze manier over te praten. Het was een feit dat de geplande muur al sinds maanden niet meer dan een metersdiepe schacht op de erfgrens tussen Schaller en hen was. Soms, in een opwelling van galgenhumor, noemden Gerhard en Jule de braakliggende bouwput hun loopgraaf. Op de aarden wal langs de kuil groeiden al gras en acaciascheuten. De muur had hun het zicht op Schallers vol schroot gestorte erf moeten besparen en van hun tuin weer een eigen plekje moeten maken. Om effectieve bescherming tegen inkijk te bieden moest hij twee meter veertig hoog zijn. Bouw- en Woningtoezicht was van mening dat twee meter voldoende was. Hoewel Gerhard door zijn nieuwe baan bij de vogelbescherming over goede contacten met de autoriteiten beschikte, was het hem niet gelukt om het proces te versnellen.
‘Tegen de stank zou de muur sowieso niet helpen,’ zei hij zachtjes.
De afgelopen vier dagen had de rook zich over de hele tuin verspreid. De vlagen trokken over de loopgraaf, hingen in de frambozenstruiken, bewogen zich in kleine kolkjes door de drie jonge sparretjes die mettertijd tot een naaldbos zouden uitgroeien, omdat Jule ieder jaar een kerstboom met kluit kocht die ze in de lente in de hoek achter het gereedschapsschuurtje plantte. De rook steeg zelfs op tot in de toppen van de acacia’s, die een paar meter boven het dak uitstaken. Haar kleine paradijs had zich volgezogen met giftige dampen. Ondanks gesloten ramen en deuren was de stank ook de kamers binnengedrongen. Er waren momenten waarop Gerhard begon te wensen dat ze dit huis niet hadden gekocht en ze in plaats daarvan een eenzame jachthut in het bos hadden gezocht, op een open plek, koel, goed geventileerd, zonder buren. Mensen hebben afstand tot elkaar nodig. Gerhard had lang genoeg in Berlijn gewoond om dat te weten. Wat hij niet had geweten was dat zelfs een dorp met tweehonderd inwoners te benauwend kon zijn.
‘Je weet toch hoe de mensen hier zijn? In de DDR had je nu eenmaal geen milieubeweging. Iedereen verbrandt zijn vuil zoals het hem uitkomt.’
‘Wat die vent daar doet heeft niets met vuilverbranding te maken,’ onderbrak Jule hem.
‘Iedereen boort putten achter zijn huis, tapt grondwater af, bouwt schuurtjes in het buitengebied.’ Gerhard nam zijn toevlucht tot generalisatie. ‘Niemand wil inzien dat de Unterleutner Heide geen paardenrenbaan of motorcrosscircuit is. Dat daar kemphanen broeden interesseert de mensen totaal niet. Daarom is het zo belangrijk dat de natuurbescherming…’
‘Het gaat hier nu eens een keertje niet over die kemphanen van jou!’ riep Jule uit. ‘Waar het over gaat is dat dat beest mijn dochter vergiftigt!’
Door Jules uitval ging Sophies gejengel weer over in gehuil, waarop Jule opsprong en door de kamer begon te ijsberen. Gerhard kon het niet uitstaan als ze ‘mijn dochter’ zei. Sophie was net zo goed zijn dochter, al begreep hij nog altijd niet hoe het hem was gelukt zoiets lieftalligs te produceren. Hoewel het kleintje in veel opzichten het tegenovergestelde van hem belichaamde, slaagde ze er toch in om op hem te lijken. Ze was een piepkleine vrouwelijke variant van hemzelf.
‘Zal ik haar even van je overnemen?’
In plaats van te antwoorden drukte Jule de baby nog steviger tegen haar borst, alsof Gerhard haar zou kunnen ontvoeren. Ook zonder Schallers giftige vuren was Jule de afgelopen tijd moeilijk in de omgang geweest. Sinds Sophies geboorte, een kleine zes maanden geleden, leed ze aan een soort nerveuze afwezigheid. Wanneer Gerhard haar ernaar vroeg, antwoordde ze steeds dat het goed met haar ging. Terwijl ze duidelijk niet zichzelf was, soms niet luisterde als hij tegen haar praatte, pas opkeek als hij zijn stem verhief en hem aankeek alsof hij een vreemde was. Niet dat hij haar dat kwalijk nam. Door de borstvoeding leed Jule onder een enorm slaapgebrek. In CIA-kampen werden gevangenen gemarteld door hen met onregelmatige tussenpozen wakker te maken. Bovendien had Gerhard op internet gelezen dat vaders na de geboorte van een baby niet zelden door de moeders werden afgewezen en dat dat na verloop van tijd vanzelf goed kwam. Aan die theorie hield hij zich vast. Op een dag zou Jule met de borstvoeding stoppen en weer net zo worden als vroeger. Met een zorgeloos lachje zou ze ontkennen dat ze ooit op enige manier ‘vreemd’ was geweest. Hij verheugde zich nu al op dat moment. Gerhard hield waanzinnig veel van Sophie, maar hij was niet bereid om zijn vrouw kwijt te raken aan de baby.
‘Zullen we anders even de deur uit gaan?’ stelde Gerhard voor. ‘We zetten Sophie in de auto en dan rijden we naar het meer. Gewoon even weg hier, een frisse neus halen.’
‘Aan het meer zijn te veel muggen.’
‘Dan gaan we ergens anders heen.’
‘En waarheen dan?’
‘Dat maakt toch niet uit! Naar het bos! Wandelen!’ ‘Op die onverharde paden kun je de kinderwagen niet .’
‘Lieve hemel, Jule!’
Ze liep terug naar de bank, ging zitten en tilde haar T-shirt op om Sophie de borst te geven. In één klap keerde de rust weer, een stilte die je oren deed ruisen. Gerhard bekeek Sophies snoetje, haar boze gezichtje als ze dronk, de tegen haar wangen gebalde vuistjes waarmee ze zich uit alle macht aan het leven vastklampte. Een paar plukjes van Jules lange haar waren losgekomen uit haar staart en vielen over de blote beentjes van de baby. Jule huilde nog altijd geluidloos. Af en toe belandde er een traan op Sophies rug. De aanblik sneed door Gerhards ziel.
‘Jule,’ zei hij zacht. ‘Ik laat jullie een paar minuten alleen, verdwijn naar de keuken en maak een lekker glas gingerale voor ons klaar. Is dat oké?’
Jule knikte zonder op te kijken. Gerhard kuste haar op haar hoofd en stond op. Wanneer een dertigjarige besloot haar leven met een vijftigjarige te delen, kon de vijftigjarige op z’n minst zijn best doen.
Onderweg naar de keuken nam hij een paar seconden de tijd om te genieten van het veren van de vloerplanken onder zijn voeten. Het oude grenen veroorzaakte een verzadigd geknars, alsof het gedurende honderd jaar de geluiden van alle voetstappen in zich had opgeslagen. Gerhard kon zich zijn eerste bezoek aan dit huis nog duidelijk voor de geest halen. Hij was de gang in gelopen, met Jule en de makelaar achter zich aan, en wilde net de deur naar de woonkamer opendoen toen hij plotseling stil bleef staan.
‘Wat is er?’ had de makelaar gevraagd. ‘Gaat de deur niet open?’
de klink zijn eigenaars met gemak zou overleven. Voor alle bewoners van het huis was het moment gekomen waarop ze de klink voor de allerlaatste keer aanraakten. Plots wenste Gerhard dat het hem net zo zou vergaan. Ook hij wilde een fase in het leven van de klink zijn, die zich na zijn dood nog altijd op dezelfde plek zou bevinden. Hij wist nu dat hij dit huis moest kopen. Een nieuwbouwhuis, waarin alles jonger was dan hijzelf, zou hij niet hebben kunnen verdragen. Hij wilde geen huis waarin iedere plint aan zijn persoonlijke smaak onderhevig was. Waar de voorwerpen zijn heerschappij moesten erkennen omdat hij verantwoordelijk was voor hun bestaan. Hij wilde niets nieuws toevoegen aan de wereld, maar behouden wat hij aantrof. Want daarin bestond de heilige opdracht van dit hectische tijdperk: het bestaande verdedigen tegen de psychotische krachten van een overspannen vooruitgang. Toen de makelaar langs hem heen de klink had gegrepen om de deur te openen, had Gerhard zijn besluit al genomen.
Hij liep naar de keuken, pakte de kan met gemberaftreksel uit de koelkast en zette hem op het aanrecht. Het keukenraam keek uit op het westen. Omdat hun huis het laatste van het dorp was, werd hun uitzicht door geen ander huis of hekwerk belemmerd, noch door een stroommast of hoogzit, geen enkel teken van menselijke beschaving, alleen de weg, die ietsje klom voordat hij, ruim een kilometer verderop alweer, in het bos verdween. Je kon minutenlang uit het raam kijken zonder dat het bos een auto uitspuugde en op het dorp af liet rollen. Het dierbaarst waren Gerhard de lange rijen perenbomen aan beide kanten van de weg. Zoals je in die contreien vaker zag, groeiden de stammen niet recht omhoog, maar helden ze naar links en naar rechts richting de akkers. ‘Opengeklapte lanen’, had Jule het fenomeen tijdens hun eerste rit naar Unterleuten genoemd. Tot op heden had niemand hun antwoord kunnen geven op de vraag of de bomen door het opbollende asfalt naar buiten werden geduwd of dat ze met opzet zo waren geplant, zodat er minder fruit op de weg viel.
Aan de andere kant van het bos vervolgde de perenlaan zijn weg, vormde samen met andere wegen – appellanen, pruimenlanen, kersenlanen, mirabellenlanen – een netwerk, en zo hingen in de hele streek duizenden en duizenden tonnen fruit te rijpen, weelderig en zwaar, tot ze in de herfst van de bomen vielen en langs de wegen lagen te verrotten, omdat het de natuur niets kon schelen of de mens haar producten nodig had of niet. Nu waren de peren nog klein en groen, maar over een maand of twee zouden de bomen zo’n beetje onder de last van hun vruchten bezwijken. In april en mei had het veel geregend; nu heerste sinds weken droogte en de hitte lag als een onzichtbare stolp over het landschap. De tarwe stond hoog en een zachte bries liet het golven als het oppervlak van een meer. In Unterleuten stond altijd een zachte bries. Hij kwam uit het oosten, dus uit de richting van Schallers erf. Daar waar de vuren brandden.
Gerhard vulde twee glazen voor de helft met gemberaftreksel. Hij pakte ijsklontjes uit de vriezer en sneed een sinaasappel in schijfjes.
Jule en hij waren het snel eens geworden. Ook haar had het één verdieping tellende bakstenen huis met het grote dak meteen aangesproken. En dan de ligging aan de rand van het dorp, vijfduizend vierkante meter tuin, een oude lindeboom die schaduw verschafte aan de ingang. De lage prijs had hen verrast. Berlijn lag op slechts één uur rijden, maar was verder dan de maan. De vrees om het stadsleven te gaan missen raakte al snel in vergetelheid, evenals Jules voornemen om drie keer per week naar de stad te forensen om aan een proefschrift over de destructieve effecten van de kapitalistische geluksbelofte te werken. In plaats daarvan stortte Jule zich op haar missie om de afbrokkelende idylle tot een bloeiend landschap te transformeren. Terwijl Gerhard zijn weg vond in zijn nieuwe rol als vogelbeschermer en zijn collega’s van de natuurbescherming allengs van het feit wist te overtuigen dat een hoogleraar in de sociologie misschien overgekwalificeerd, maar daarmee nog niet volkomen onbekwaam was, ging Jule in een afgeknipte spijkerbroek en bezweet T-shirt met een zeis de tuin te lijf.
Hun gezamenlijke besluit om de stad te verlaten was relatief spontaan ontstaan, hoewel het al jaren in de lucht had gehangen. Voor Gerhard was de verhuizing naar het platteland meteen ook een opzegging geweest. Hij zegde niet alleen zijn baan op, maar ook het lidmaatschap van een maatschappij waarin het er alleen nog om ging om tijdens de grote uitverkoop van waarden en normen de eigen schaapjes op het droge te krijgen.
Als vroege aanhanger van de milieubeweging had Gerhard politiek engagement altijd als een natuurlijke toestand beschouwd. In Gorleben was hij een van de activisten van het eerste uur geweest. Hij had maar liefst drieëndertig dagen in de nieuw uitgeroepen Vrije Republiek Wendland doorgebracht en zich door Helmut Schmidts politieagenten van het bezette terrein laten afvoeren. Hij reisde voor de oprichting van de Grünen naar Karlsruhe, verhuisde na de Wende meteen naar Berlijn en miste geen enkel Castor-transport.

[...]

 

© 2016 Luchterhand Literaturverlag, a division of Verlagsgruppe Random House GmbH, München, Germany
© 2016 Nederlandse vertaling Ambo|Anthos uitgevers, Amsterdam en Annemarie Vlaming

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum