Leesfragment: Dag der zielen

07 oktober 2017 , door Mike McCormack
|

10 oktober verschijnt Mike McCormacks Dag der zielen (Solar Bones, vertaald door Robbert-Jan Henkes), dat op de longlist van de Man Booker Prize stond. Wij publiceren voor. Robbert-Jan Henkes schreef een stukje over zijn vertaling.

De westkust van Ierland, 2 november 2008. De maand van Allerzielen is aangebroken; vader, echtgenoot en civiel ingenieur Marcus Conway zit aan de keukentafel, wachtend op zijn gezin. Terwijl in de verte de Angelusklok luidt overdenkt hij zijn leven. Zijn gedachten dwalen af naar zijn vrouw en kinderen, zijn jeugd, zijn werk, en naar de financiële crisis die Ierland en de rest van de wereld teistert.

Dag der zielen, geschreven in slechts één zin, is een wonderschone, huiveringwekkende elegie, een verhaal over chaos en orde, over liefde en verlies, dat laat zien hoe kleine beslissingen grote gevolgen kunnen hebben.

 

de klok
   de klok als
   de klok horen als
     de klok horen als ik hier sta
     de klok die wordt gehoord als ik hier sta
     hem horen slaan in het grijze licht van deze
     morgen, middag of avond
     god mag het weten
     deze grijze dag als ik hier sta en
     luister naar die klok midden op de dag, de midden op de dag-klok, de Angelusklok midden op de dag, luiden in het grijze licht naar
     hier
     als ik in de keuken sta
     deze klok hoor luiden
     die blijft haken in mijn hart en
     de hele wereld samentrekt
     tot het hier en nu
     bleek en buiten adem na van ver te zijn gekomen om in deze keuken te staan
     beduusd
     dat lijdt geen twijfel
     maar de klok horen luiden in de dorpskerk op anderhalve kilometer afstand hemelsbreed, aan de overkant van het gardastation, onder de reusachtige platanen die erboven uittorenen en waarin een kolonie roeken roest, zo veel en zo lawaaiig dat ze in de lente als ze nestelen de kerk soms vullen met hun herrie en
     afgepeigerd nu, zo snel
     die spurt naar de kerk en de klok
     ja, ze zijn het echt
     de echte klokken
     niet uit blik of door de ether want
     onmiskenbaar is de vollere diepte en weerklank van het geluid dat over de lengte en breedte van deze dag naar me toe wordt gevoerd en dat zelfs op deze afstand in mijn bortskas weergalmt
     een systolisch gebonk van de andere kant van deze parochie gelegen aan de uiterste rand van de bekende wereld met Sheeffry en Mweelrea in het zuiden en de open uitgestrektheid van Clew Bay in het noorden
     de Angelusklok
     die over zijn dorpen en townlands luidt, over de velden en heuvels en moerassen daartussen, zes slagen van drie in anderhalve minuut, een appèl geslagen op de lip van de leegte waarmee deze parochie wordt opgeroepen over al zijn primaire en secundaire wegen met
     al zijn scholen en voetbalvelden
     al zijn bruggen en kerkhoven
     al zijn winkels en kroegen
     het bouwbedrijf en de kliniek
     het gemeenschapshuis
     de waterzuiveringsinstallatie en
     de handbal-oefenmuur
     de geschapen wereld met
     alle brandpunten waar een parochie als deze zich omheen groepeert zo natuurlijk als
     de wereld zelf aan het begin der tijden, door
     bergen, rivieren en meren
     toen het zich in deze contreien om de Bunowen heen groepeerde die ontspringt in de heuvels van Lachta en noordwaarts naar zee stroomt en de riviervlakte uitkerft waarheen alle wegen, primair en secundair, zich langs de contouren van het landschap begeven en waar in het midden
     het dorpje Louisburgh ligt
     waar de Angelusklok luidt die de wereld weer rangschikt
     bergen, rivieren en meren
     bunders, morgens en roeden
     dierlijk, plantaardig, mineraal
     kruis, kroon en convenant
     de gegeven wereld met
     z’n hele geschiedenis om me moed te geven terwijl
     ik hier sta in de keuken
     van dit huis
     waar ik al bijna vijfentwintig jaar woon en een gezin heb grootgebracht, dit huis buiten het dorp Louisburgh in het graafschap Mayo aan de westkust van Ierland, het dorp waar ik mijn stamboom terug kan volgen tot in de wortels toen de plek niet meer was dan een krakkemikkige oeververbinding met een kluitje rokerige hoeves rondom een smidse en een houten brug, een gehucht van steen-met-plaggen zonder stratenplan of marktvergunning, waarin ik mijn bloedlijn terug kan voeren tot de druilerige prehistorie van een volhardende clan boeren en vissers die zich staande hield op een klein lapje grond
     door hagel en regen
     hel en hoog water
     buikige, kortaangebonden mannen van wie de helft voor z’n zestigste de pijp uit ging met pijn op de borst, voor een groot deel goede zangers, en allemaal
     van generatie op generatie droegen ze hun steentje bij tot het oord was opgezwollen tot twintig morgen met weiderecht op de heuvel van Carramore die uitziet over de baai en
     die pijn, die kutpijn van me laat me weten dat
     bij mijn beste weten
     want weten is het beste bij mij
     dat
     er hier iets vreemds aan de gang is, een of andere schokkerige energie in de ether die me beroert vanaf het moment dat de klokken begonnen te luiden, iets wat door me heen fl addert, een duizeligheid die me meetrekt
     het huis door
     van deur naar deur
     kamer na kamer
     heen en weer door het halletje
     als een gek
     slaapkamers, badkamer, woonkamer en
     weer terug naar de keuken waar
     Kristemezielen
     wat een loei van een knal
     Kristus
     niet zozeer een loei van een knal maar een rollende plooi in het licht dat kamer in kamer uit stroomt om erachter te komen
     dat het huis leeg is
     nergens een hond te bekennen
     want het is een doordeweekse dag en de mijnen zijn weg
     allemaal weg
     de kinderen de deur uit inmiddels en natuurlijk is Mairead op haar werk en pas na vieren thuis dus tot die tijd heb ik het huis voor mezelf, iets waar ik me normaal gesproken op zou verheugen omdat ik dan hier in m’n eentje kon rondscharrelen, niets doen, naar de radio luisteren of de krant lezen, maar nu word ik er onrustig van, het idee dat ik nog vier uur voor de boeg heb voor ze terugkomt
     vier uur lang hier alleen
     vier uur tot ze terugkomt dus
     er moet iets zijn waarmee ik de tijdspanne kan vullen die zich voor me uitstrekt, iets om door die knagende onrust te komen want
     de krant
     ja
     dat ga ik doen
     de krant van vandaag
     de autosleutels pakken en naar het dorp rijden om de krant te kopen, parkeren op het plein voor de apotheek en dan op straat staan en
     dat ga ik doen
     daar net zo lang blijven staan tot er iemand langskomt die me aanspreekt, iemand die zegt
     hallo
     hallo
     of tot iemand me groet, naar me zwaait of m’n naam roept, want al is deze straat heel gewoon, toch is hij in één cruciaal opzicht anders – want deze straat is mijn straat, van mij in de zin
dat ik er duizenden keren doorheen ben gelopen 

[...]

 

© Mike McCormack, 2016
© Vertaling uit het Engels: Robbert-Jan Henkes, 2017
© Nederlandse uitgave: Lebowski Publishers, Amsterdam 2017

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum