Leesfragment: Duizend-en-een nachtmerries

10 november 2017 , door Rodaan Al Galidi
|

Op 14 november verschijnt de verhalenbundel Duizend-en-een nachtmerries van Rodaan Al Galidi. Lees bij ons alvast een verhaal.

Rodaan 'Duizend-en-een nachtmerries' wordt door veel verschillende personages bevolkt, met hun kleine en grote verhalen, levensvragen, twijfels, irrationele angsten en verlangens. Geen enkel dagelijks verhaal is alledaags, bewijst Rodaan Al Galidi met deze bundel korte verhalen, waarin hij het kleine uitvergroot en op bezoek gaat bij de Nederlanders die hij inmiddels zo goed kent. Toch weten ze hem nog steeds keer op keer te verwonderen - hem, en soms ook de nieuwe inwoners van Nederland. Hoe kijken zij naar elkaar, en wat voor verrassende ontmoetingen levert dat soms op? Dit boek gaat over terreur en sleur, maakt een reis van mens tot mens, laat je lachend lezen, bevragen, hier en daar antwoorden. En misschien kom je wel jezelf tegen.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Hoe ik talent voor het leven kreeg. Lees een fragment op Athenaeum.nl.

 

De moord op het lied van de putter

De markt was tot twee uur ’s middags. Daarom had jihadist Aboesumeya er om twaalf uur willen zijn, het drukste moment van de dag, maar hij kwam pas aan toen het al kwart voor drie was. Hij baalde dat hij te laat was.
Het marktplein was zo goed als uitgestorven, er lagen wat hopen afval, rottend fruit en platgetrapte blikjes, en er waren nog een paar mensen. Een vrouw met de baby van haar buren – de buurvrouw was naar het ziekenhuis gegaan voor een probleem aan haar linkerknie en had het kind bij haar buurvrouw op de markt gelaten, die nu wachtte tot ze terugkwam. Een andere vrouw kwam net aan met haar zoon in een rolstoel. Ze had hem beloofd een zingende putter te kopen van een koopman die één keer per maand op de markt stond en er vandaag zou zijn. Ze had een afspraak met hem. Hij had alle putters verkocht behalve die ene, die die het mooiste zong, en hij wachtte nu op haar want hij wilde niet met de putter terug naar zijn dorp. Er was ook een boer met een schaap en drie lammeren, die te laat was aangekomen en zijn vee niet meer kon verkopen. Op de hoek van het plein stond een meisje dat verliefd was op een jongen, hij had haar een plastic bloem met een lampje erin gegeven, dus nu wilde zij hem een lichtgevende ster cadeau doen. Ze had hem nog niet gezien en bleef wachten in de hoop dat hij nog zou komen. Een andere jongen had een afspraak met een meisje om haar op de markt te ontmoeten, zodat het meisje de smoes kon gebruiken dat ze boodschappen ging doen, maar ook hij was te laat gearriveerd. Er liep verder nog een zwerfhond en er stond een sapverkoper die had besloten nog niet weg te gaan toen de markt was afgelopen, maar te wachten op mensen die te laat waren en dorst hadden op deze hete dag. Het was zevenenveertig graden en nu stonden ze allemaal bij de kraam van de sapverkoper. De hond liep hijgend om de mensen heen.
Aboesumeya greep een steen en smeet die naar de hond om hem te verjagen. Hij vond het onrein dat zijn ziel straks samen met de ziel van een hond naar de hemel zou gaan. Maar de hond had dorst en wilde niet weg. Hij keek smekend naar Aboesumeya en naar het sap.
‘Stomme hond,’ siste Aboesumeya. ‘Rotbeest.’
De moeder excuseerde zich bij de verkoper van de putters omdat ze te laat was. Ze kocht de vogel, en ook sap voor de koopman en haar zoon. De putter zong in de kooi en de man dronk glimlachend terwijl hij vertelde dat hij speciaal voor de jongen de beste zanger had uitgezocht. De zoon was blij met de putter.
Aboesumeya zocht nog een steentje om naar de hond te gooien, maar vond alleen een verrotte komkommer. De komkommer spatte uiteen tegen de hond, die desondanks nog steeds bleef staan. Op dat moment riep Aboesumeya luid over het plein: ‘Allahoe akbar!’ en hij blies zichzelf op.
Aboesumeya keek om zich heen. Hij zag dat de mensen die net sap stonden te drinken er nog steeds stonden. Op dezelfde plek, maar zonder sap in hun handen. Ze keken nu naar hem en niet naar elkaar. Hij zag ook het schaap, de drie lammeren en de hond naar hem kijken. De putter vloog rond, zat niet langer in zijn kooi. Hij vloog om Aboesumeya heen en zong nog luider dan net.
Mislukt, verdorie, dacht Aboesumeya. Ik probeer het nog een keer.
‘Allahoe akbar!’ riep hij. Hij drukte op de ontsteking. Een ontploffing volgde.
Toen de rook optrok, zag Aboesumeya dat de mensen er nog steeds stonden, precies zoals net. De vrouw met de baby van haar buurvrouw op de arm, de moeder met de zoon in de rolstoel en de putterverkoper, de boer, de sapverkoper,het verliefde meisje. Ze stonden als bevroren. En de putter vloog om hem heen en zong.
Wat is dit? Waarom blijven ze staan en zijn ze niet dood? vroeg Aboesumeya zich af. Met de explosieven aan deze bomgordel kan ik minstens honderdvijftig mensen doden, waarom dit groepje niet? Weer mislukt!
Aboesumeya drukte opnieuw en opnieuw op de knop, keer op keer probeerde hij zichzelf op te blazen maar telkens als de rook optrok, zag hij hetzelfde tafereel. Hij werd steeds woedender. Hij begon op de ontsteking te drukken zonder ‘Allahoe akbar’ te roepen, hij hoorde de knal, zag de rook en rook verbrand vlees, maar daarna zag hij de ogen die hem aanstaarden. Aboesumeya vroeg zich af hoe het kon dat hij alleen zichzelf leek op te blazen en de anderen ongedeerd bleven. Hij zag de hond nog dichterbij komen en wilde een steen oprapen, maar er was niets onder zijn voeten, zelfs geen grond. Hij zag de putter nog steeds om zich heen vliegen, en toen plots ook iemand die hij niet eerder had opgemerkt.
‘Jij, wie ben jij?’ riep hij boos. ‘Wat doe je hier?’
‘Ik ben God.’
‘God? Onmogelijk! Ik ken jou helemaal niet!’ schreeuwde Aboesumeya. Hij keek naar de andere mensen en zag de blikken in hun ogen. Ze waren vol verdriet en vraagtekens.
‘Waarom gaan jullie niet dood?’ riep Aboesumeya hardop. ‘Jullie moeten sterven. En waarom vliegt dat vervloekte vogeltje nog rond?’ Aboesumeya grabbelde naar de knop van de ontsteking en keek om zich heen. Nu schreeuwde hij tegen de mensen: ‘Ik blaas jullie op, smerige geesten. Nu!’
Hij blies alleen zichzelf op, er veranderde verder niets. Aboesumeya liep naar de vogelverkoper en wilde hem vastgrijpen, maar dat lukte niet. De man leek van lucht gemaakt. Hij wilde de sapverkoper slaan, maar ook dat was hopeloos. Hij schopte een lam, maar zijn voet ging dwars door het dier heen en hij viel op de grond. De hond keek hem dorstig aan. Aboesumeya besefte dat hij alleen zichzelf kon aanraken, hij was de enige hier van vlees en bloed. Hij blies zichzelf nog een keer op, niet langer met de bedoeling om de mensen om hem heen te doden, maar om zijn lichaam achter zich te kunnen laten, dat steeds zwaarder leek te worden. Het was tevergeefs: iedere keer dat hij op de knop drukte, bleef zijn lichaam onberoerd overeind.
God zag alles. Hij draaide zich om en verliet het marktplein zonder nog iets te zeggen. Iedereen volgde Hem, behalve de putter, die zingend om Aboesumeya bleef rondfladderen. Zijn zang sloeg in op Aboesumeya als donderslagen, en hij probeerde de vogel uit de lucht te grijpen, maar dat bleek onmogelijk.
Hij begon de angst te ervaren dat hij opgeblazen zou worden, en de pijn van dat afschuwelijke moment, zoals anderen die moeten hebben ervaren, en hij wilde niet meer, maar zijn hand ging als vanzelf naar de ontsteking, hij kon haar niet tegenhouden, alsof het niet zijn hand was.
Er liepen twee duivels langs.
‘Wat doet die gek daar? Probeert hij die vogel te doden door zichzelf op te blazen?’ zei de een tegen de ander.
‘Het gaat niet om die vogel zelf,’ zei de ander. ‘Kijk, dit is zijn hel.’
‘Wat? De bomgordel?’
‘Nee,’ zei de ander, terwijl ze bleven staan om te kijken naar die bebaarde man die zichzelf keer op keer opblies en het kleine gekleurde vogeltje dat om hem heen vloog en zong. ‘Zijn hel is het lied van de putter.’

 

© 2017 Rodaan Al Galidi

MINDBOOKSATH : athenaeum