Leesfragment: Het vogelhuis

12 januari 2017 , door Eva Meijer
|

Eva Meijer is met haar roman Het vogelhuis genomineerd voor de BNG Bank Literatuurprijs, die 12 januari uitgereikt wordt. Een goede reden om een fragment te publiceren.

Len Howard (1894-1973) bracht de tweede helft van haar leven door in een klein, afgelegen huisje op het Engelse platteland. Daar schreef ze twee internationale bestsellers over de mezen, roodborsten, mussen en andere vogels in en rond haar huis. Voor wie er anno 2016 langsloopt, doet enkel het naambordje 'Bird Cottage' nog denken aan haar wonderlijke levensverhaal.

Het raam van het vogelhuis stond altijd open, de koolmezen en mussen waren vrij om te komen en te gaan en landden op de typemachine van Len Howard zodra ze ging zitten om haar ervaringen met de dieren op te schrijven. Hoewel ze van huis uit geen bioloog was, was ze een pionier op het gebied van onderzoek naar dieren: ze bestudeerde de vogels op basis van vertrouwen en vrijheid, en observeerde hun karakters, eigenaardigheden en gewoontes. En intussen groeiden de wederzijdse waardering en vriendschap.

Howard wist als meisje al dat ze niet in haar geboortedorp in Sussex zou blijven. De soirées en romantische intriges van het gegoede landleven aan het begin van de vorige eeuw stelden haar steeds weer teleur. Bij de dirigent Malcolm Sargent begon ze haar carrière als violiste, die ze afbrak om naar Ditchling in Zuid-Engeland te vertrekken. Hier bouwde ze een bijzondere band op met de vele vogels in en rond haar cottage. Koolmezen sliepen in huisjes boven de rand van de deur en speelden tikkertje rond de lamp, of gebruikten haar kussens als glijbanen. Haar muzikale gehoor stelde haar bovendien in staat de vele nuances in hun talen te horen - als ze de postbode en bezoekers tenminste op afstand wist te houden.

Wat dreef Howard tot het radicale omgooien van haar leven, tot het kiezen voor een leven buiten de gebaande paden? Wat zeggen de levensverhalen van koolmezen ons over de mensenwereld? En is het mogelijk om je te ontworstelen aan de verwachtingen van anderen? Eva Meijer stuitte als filosoof op het onderzoek van Howard, dat onterecht in de vergetelheid is geraakt. Het vogelhuis draait om muziek en vogelzang, mensenmanieren en koolmeesconventies, en uiteindelijk om wat het betekent om ergens thuis te horen.

N.B. Eerder besprak onze collega Helen Westerik Meijers non-fictieboek Dierentalen voor Athenaeum.nl, en publiceerden we voor uit Dagpauwoog.

 

1911

Het voelt alsof iemand een deurtje opengezet heeft in mijn hart, zodat de warmte naar binnen kan stromen. Een deurtje of een raam. Ik ren naar Olive, achter in de tuin, door het zomergras, het zachte gras, alles is zo groen.
‘Is vader er al?’
Ik schud mijn hoofd. ‘Heb je de rozen al geroken? Kijk, ze zijn helemaal open.’ Ik pak een roos uit de haag achter haar, buig hem naar haar toe.
Ze knikt, probeert haar rug te strekken. ‘Wil je een drankje voor me halen? Ik heb de hele dag gelopen.’ Ze moest met moeder mee om jurken te kopen.
Ik loop terug naar het huis, langzamer nu, voet voor voet voor voet. Florence houdt me staande in de serre. ‘Gwen, ben je klaar voor het optreden? Je vader is er over hooguit een halfuur. Hij zal een paar nieuwe gedichten voorlezen, daarna leest Paul een serie gedichten, en dan kun jij misschien die suite van Bach spelen?’
Ik haal mijn schouders op.
‘Gwendolen.’ Ze kijkt streng.
‘Ja, mam.’ Ik loop door naar de keuken, waar ik Tessa om een glas champagne vraag. ‘Voor mijn zus.’
‘Hoe is het met de vogeltjes?’
‘De kleine koolmees heeft het niet gehaald. De ekster heb ik gisteren buiten gezet, dat lijkt goed te gaan.’
‘Je bent een lieverd. Ik zei het net nog tegen Kokkie.’
Ik zwaai en neem de champagne mee naar buiten, waar Paul met zijn rug tegen de deurpost leunt, zijn krullen in rondjes tegen de muur gedraaid, zijn gezicht naar de late lage zon gewend. Als ik langsloop draait hij zich naar me toe. Ik schrik, bloos, doe alsof ik hem niet zie.
‘Gwendolen?’
Ik kijk om.
‘Zou je dat nou wel doen, als je straks nog moet spelen?’
‘Het is voor Olive.’ Mijn vingers klemmen om het glas – ik moet niet te hard knijpen want dan barst het, ik mag ook niet loslaten.
‘Dat weet ik. Het was een grapje.’
Ik bloos dieper.
‘Ik zie ernaar uit.’
Ik knik, loop snel verder, champagne spettert over de rand van het glas op mijn vingers. Ik had iets moeten zeggen over zijn gedichten, dat mijn vader ze liet lezen en dat ze leven, vliegen, dat ze me bewogen.
‘Dank je.’ Olive heeft de parasol opgezet, terwijl ze in de schaduw zit. ‘Gaan jullie al beginnen?’
‘Papa is er binnen een halfuur.’
In mijn ooghoek zie ik Paul kleiner worden, een zwart poppetje in een pak, een mannetje op een bruidstaart. Mijn nicht Margie praat over het huwelijk als gevangenschap.
‘Speel je de cellosuite van Bach?’
Ik knik, loop de noten door in mijn hoofd.
‘Is Sargent er ook?’
‘Hij zou komen.’ Ik hoop dat hij komt – Sargent leidt een orkest in Londen en hij heeft me al weer een tijd niet horen spelen. Ik ben beter geworden, ik heb echt veel gestudeerd de laatste maanden. Charles, de kraai die papa grootbracht, komt in de klimop zitten. Hij springt op mijn uitgestoken hand en weer op een tak. Hij houdt niet van die drukte. Hij vliegt weg en poept in het voorbijgaan op de rand van het glas van meneer Wayne van de muziekschool in Tywyn, die het pas ziet als hij een slok neemt.
‘Die gribus.’ Ze trekt een vies gezicht.
Vorige keer dat Sargent er was probeerde hij nogal opzichtig Margie te versieren. Zij is tweeëntwintig en ze studeert aan de kunstacademie, ze woont deze zomer bij ons omdat haar ouders op reis zijn. Margie flirt met iedereen en de mensen pikken dat van haar omdat ze zo onschuldig lijkt. Sargent dacht dat hij beet had, totdat Margie aan het eind van de avond ontzettend begon te gapen, zich verontschuldigde en naar boven verdween – ze zwaaide nog even op de trap.
Olive pakt het bakje met nootjes van het tafeltje en zet het op haar stoelrand. Ze zoekt de lekkerste nootjes eruit, stopt ze achter elkaar in haar mond.
Tessa komt ons halen. Binnen is het warm en druk, lijven die te weinig ruimte overlaten, woorden die anderen niet of nauwelijks bereiken. Woorden die gewoontes uitdrukken, verder weinig betekenen. Mensen komen van ver voor deze salons, mijn vader is de enige in West-Wales die zoiets regelmatig organiseert. Sargent drukt mijn hand, te lang. De rode anjer in zijn knoopsgat beweegt als hij nadrukkelijk uitademt. Misschien heeft hij iets verkeerds gegeten.
Mijn moeder staat naast de vleugel. ‘Welkom allemaal.’ Ze praat anders op dit soort avonden, geaffecteerder.
Ik zie het blonde brede hoofd van mijn broer Dudley aan de overkant en loop zo onopvallend mogelijk naar hem toe.
‘Ik wacht wel even.’ Mijn moeder trekt haar wenkbrauwen op. Mensen lachen. Dudley schuift een stoel op om plaats voor me te maken.
Paul zit schuin achter me. Ik word me bewust van mijn rug in mijn oudroze jurk, door mijn moeder uitgekozen, te vrouwelijk en te strak. Mijn moeder noemt eerst zijn naam en dan die van mij, alsof we al bij elkaar horen, logisch op elkaar volgen.
Newman begint met het tweede gedicht uit Footsteps of Proserpine, over liefde en merels. Hij schreef veel gedichten uit die bundel voor mijn moeder. Ik onderdruk een gaap, beweeg mijn vingers om ze een beetje op te warmen. Tadadadadadada. Hij leest nog twee gedichten uit de eerste bundel, dan een lange over de stad, die zo veranderd is, en een over de strijd om Troje, uit de Griekse cyclus. Zijn gedichten zijn zonder uitzondering te lang en bevatten te veel bijvoeglijke naamwoorden. Voor hij dichter werd was hij accountant.
Kingsley, mijn oudste broer, komt hijgend binnen en ploft zo hard neer op een stoel op de achterste rij dat iedereen zich omdraait. Hij draagt zijn sportkleding nog, ik kan hem van waar ik zit ruiken. Als ik omkijk trekt hij een gek gezicht.
De stem van mijn vader gaat omhoog, hij laat nog een keer een pauze vallen, eindigt dan triomfantelijk. Paul komt in het applaus naar voren, ik kijk naar zijn voeten, dan even kort naar zijn gezicht, waar de zon in hangt, mijn ogen ontmoeten de zijne, heel even, hij spreekt al. Ik hoor nauwelijks wat hij zegt, ik ken de woorden. Het is zo voorbij.
Mijn moeder kondigt me aan, ik stem. Mijn vingers tintelen. En dan speel ik: een vraag, een antwoord, een vraag.

*

Als iedereen weg is, kom ik naar beneden. Ik loop naar waar hij stond, twee meter van waar ik zat, misschien tweeënhalf. Ik zie mezelf daar zitten, opzij kijken, mijn hoofd draaien. Mijn wangen branden weer. Door het raam zie ik mijn vader een glas champagne inschenken. Hij geeft het aan mijn moeder. Het huis herademt, duidelijk, door de ramen die tegen elkaar openstaan, terwijl het laatste licht van de dag verdwijnt.
Nadat ik klaar was met spelen kwam Paul naar me toe. Hij vroeg of ik van plan was verder te gaan in de muziek. Ik haalde mijn schouders op. ‘Misschien.’
‘Dan moet je naar Londen.’
‘Dat weet ik.’
‘Ik heb kennissen, ik kan je helpen een kamer te vinden.’
Ik knikte en bedankte hem. ‘Sorry, ik moet naar mijn moeder.’ Mijn moeder! Ik ben bijna achttien.
‘Natuurlijk.’ Hij knikte en liep weg, ik ademde, ademde in, uit. Buiten rook het naar gras en vuur, naar parfum. Misschien zou hij achter me aan komen, anders zou ik hem vast nog spreken. Verwachtingen kleven aan elkaar, vormen grotere verwachtingen; iets wat onbetekenend is voegt zich bij de hoop, en nog iets, en dan is het al moeilijk om er nog overheen te kijken, dan is het al moeilijk om jezelf niet omringd te weten, en om onderscheid te maken tussen wat er is en wat er kan zijn. Tenminste tot hij weg is. Misschien duurt het weken voor ik hem weer zie. Ik had iets slims of grappigs moeten zeggen. De zon in mijn borst trekt weg, laat een vraagteken achter, een afdruk van verlangen. Ik had gewoon even met hem kunnen praten. Hij zegt dat niet zomaar, van die kamer en die kennissen, hij las het gedicht over de vrouw die steeds zoekt.
Mijn vader wenkt me, ik loop naar buiten.
‘Mooi gespeeld, schat.’ Hij hikt en slaat een arm om me heen, trekt me tegen zich aan. Wind brengt de geur van zee mee, niet het zout.
Mijn moeder drinkt haar glas in een grote teug leeg.
Ik wurm me los. ‘Ik wil graag naar het conservatorium.’
‘Lieverd, daar ben je nog veel te jong voor.’ Mijn vader glimlacht vergoelijkend.
‘Je zou dan ook helemaal naar Londen moeten,’ zegt mijn moeder. ‘Mijn kleine meisje. Ik weet niet of je dat redt.’ Ze legt haar hand op mijn wang, knijpt dan even.
‘Natuurlijk red ik dat.’
Ze zwijgt. Mijn vader staart de donkere tuin in.
‘Natuurlijk red ik dat,’ zeg ik, harder. ‘Ik ben geen kind meer.’
Mijn vader legt zijn hand op mijn schouder, ik schud hem af. Binnen laten mijn schoenen aarde achter en gras.

Op de trap kom ik mijn zus tegen, ze heeft een bord met een sandwich in haar hand. ‘Mooi hè, die gedichten van Paul.’
‘Ik denk dat ik van hem houd,’ zeg ik.
‘Je bent verliefd, dat is iets heel anders.’ Ze kijkt streng. ‘Je moet gevoelens niet met elkaar verwarren.’ Je kunt er volgens haar ook beter niet naar handelen.
Ik slaak een diepe zucht.
‘Doe niet zo romantisch.’ Ze loopt achter me aan mijn kamer in, gaat op het bed zitten en begint te eten. Tijdens het avondeten eet ze bijna niets, en dan heeft ze later altijd honger. ‘Je hebt wel mooi gespeeld.’
‘Ik wil violist worden. Iedere avond spelen. Een leven opbouwen, in Londen of ergens anders. Geld verdienen.’ Ik moet uitzoeken hoe het werkt met het toelatingsexamen voor het conservatorium, wanneer ik dat kan doen en wat ik ervoor moet kunnen.
‘Je hoeft toch helemaal geen geld te verdienen? We hebben genoeg geld.’
‘Ik wil mijn eigen leven leiden.’
‘Dat kan hier toch ook.’
Ik schud mijn hoofd.
Ze zet het bord op mijn nachtkastje, de sandwich maar half op, en wenst me een goede nacht.
Ik loop naar het raam. Mijn ouders zijn buiten op het bankje gaan zitten. Een klein tafeltje staat voor ze – twee glazen, een asbak, mijn vaders dichtbundel. Ik hoor de merel niet meer. Ik sluit de gordijnen. Als ik mijn jurk uittrek ruik ik mezelf in de stof. Mezelf en de avond. De afdruk van de taille blijft in mijn huid staan. Ik pak mijn dagboek.
Charles was vanochtend in de tuin en vanavond weer. Nadat de mensen weg waren heb ik hem niet meer gezien – hij zal naar zijn slaapplaats aan de rand van het bos vertrokken zijn. De merel die ik net hoorde was waarschijnlijk Mike, die zich de laatste week bij ons in de tuin ophoudt. Ik hou al een aantal jaar bij welke vogels er in de tuin komen en schrijf soms verhalen over ze, die mijn vader als enige ontzettend goed vindt. Vorig jaar heb ik er een paar opgestuurd naar een tijdschrift, daar heb ik nooit reactie op gehad. Ik kan me beter op de muziek richten. Maar voor componisten zijn vogels ook belangrijk. Paul vertelde me laatst dat Mozart zich liet inspireren door de spreeuwen die hij als huisdier hield. Paul. Ik schrijf zijn naam op, kras hem dan door.
Verlangen:
Begrijpen dat je bodemloos bent.
Begrijpen dat je beweging bent.
Begrijpen dat je water bent en dat je water niet kunt vastpakken.

 

© 2016 Eva Meijer en Uitgeverij Cossee bv, Amsterdam

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum