Leesfragment: Lincoln in de bardo

18 oktober 2017 , door George Saunders
| | |

Op 17 oktober won George Saunders de Man Booker Prize voor zijn debuut Lincoln in the Bardo. Lees bij ons een fragment uit de zojuist verschenen Nederlandse vertaling, Lincoln in de bardo, van Harm Damsma en Niek Miedema.

N.B. Lees ook onze recensie van Lincoln in the Bardo!

In februari 1862, twee dagen na zijn dood, wordt de elfjarige Willie Lincoln bijgezet op een begraafplaats in Washington. Die nacht bezoekt zijn rouwende vader, president Abraham Lincoln, de marmeren crypte. Nog een laatste keer wil hij tijd doorbrengen bij het lichaam van zijn zoon. Op dezelfde begraafplaats waren ook talloze geesten rond, mensen van allerlei allooi, die één ding gemeen hebben: ze kunnen nog geen afscheid nemen van het ondermaanse. Lincolns bezoek veroorzaakt grote opwinding. Misschien biedt hij een weg terug naar het leven?

 

I

Bij ons huwelijk was ik zesenveertig en zij achttien. Ja, ik weet wat u nu denkt: oudere man (buikje, enigszins kalend, lichtelijk mankend, houten gebit) oefent zijn echtelijk prerogatief uit en jaagt daarbij het arme kind de stuipen …
Doch dat is onjuist.
Dat is namelijk juist wat ik weigerde te doen, begrijpt u.
Toen ik in onze huwelijksnacht met een rood hoofd van de wijn en het dansen de trap op kwam gestommeld, trof ik haar aan, uitgedost in een fl interdun niemendalletje dat een tante haar had opgedrongen en waarvan de zijden halsboord lichtelijk trilde, zo beefde zij … waardoor ik niet tot de daad in staat was.
Met zachte stem vertelde ik haar mijn diepste gevoelens. Dat zij beeldschoon was, en ik oud, lelijk en uitgeblust. Dat dit een zonderling huwelijk was, daar het niet stoelde op liefde maar op berekening, omdat haar vader armlastig en haar moeder ziek was. Dat dat de reden was dat zij hier was. Dat ik me van dat alles maar al te zeer bewust was. En dat ik er niet over peinsde haar aan te raken, omdat ik, zo zei ik, zag hoe groot haar angst was, en hoe groot haar … ‘afkeer’ was het woord dat ik bezigde.
Zij bezwoer mij dat zij geen ‘afkeer’ gevoelde, ook al zag ik haar gelaat (bleek, doch met blosjes op de wangen) vertrekken bij die leugen.
Ik stelde voor dat wij … vrienden zouden zijn. Ons naar buiten toe in alles zouden gedragen als goede echtelieden. Doch dat zij zich in mijn huis op haar gemak moest voelen, gelukkig zelfs, en dat zij moest trachten het tot haar eigen huis te maken. En dat dit alles was wat ik van haar verwachtte.
En zo hebben we geleefd. Wij werden vrienden. Goede vrienden. Meer was het niet. En toch was het heel veel. Wij lachten samen, namen besluiten inzake het huishouden. Zij hielp mij meer met het huispersoneel rekening te houden, de dienstbodes minder onachtzaam toe te spreken. Ze had oog voor bijzonderheden en wist de kamers een nieuw aanzien te geven tegen een fractie van de begrote kosten. Haar blij te zien lachen wanneer ik binnenkwam, haar zich naar mij toe te zien buigen wanneer wij een of andere huishoudelijke aangelegenheid bespraken, verbeterde mijn lot op een wijze die ik niet genoegzaam kan verklaren. Ik was gelukkig geweest, alleszins gelukkig, doch nu betrapte ik mijzelf er dikwijls op dat ik in een opwelling een schietgebedje deed, een paar simpele woorden slechts: Ze is hier, nog altijd hier. Het was alsof een snelstromende rivier zijn weg had gezocht door mijn huis, dat nu was doordrongen met een geur van zoetwater en het besef dat er vlakbij voortdurend iets bruisends, iets natuurlijks en adembenemends bewoog.
Op een avond zong zij tijdens het eten ten overstaan van sommige mijner vrienden eigener beweging mijn lof en noemde ze mij een hoogstaand man, bedachtzaam, verstandig en beminnelijk.
Toen onze blikken elkaar kruisten zag ik dat zij in alle oprechtheid had gesproken.
De dag daarop legde zij een briefje op mijn bureau. Ofschoon schuchterheid haar ervan weerhield dit gevoel in woord of gebaar tot uitdrukking te brengen had, aldus het briefje, mijn beminnelijk optreden jegens haar een allerwenselijkst gevolg gehad: zij was gelukkig, voelde zich daadwerkelijk op haar gemak in óns huis en wenste, zoals zij het stelde, ‘de grenzen van ons geluk samen te verleggen op die intieme wijze die mij nog altijd onbekend is’. Zij verzocht mij haar hierbij te geleiden zoals ik haar ‘in zo veel andere volwassen aangelegenheden had geleid’.
Nadat ik het briefje had gelezen begaf ik mij aan tafel, waar ik haar ronduit stralend aantrof. Ten overstaan van de bedienden wisselden wij openhartige blikken, verheugd over hetgeen wij op de een of andere wijze voor onszelf hadden weten te creëren uit zulk twijfelachtig materiaal.
Die avond, bij haar in bed, zorgde ik ervoor niet anders te doen dan anders: ik was teder, respectvol, omzichtig. Wij deden niets opzienbarends – we kusten en omarmden elkaar – maar stelt u zich alstublieft de rijkdom voor van dit onverwachte genoegen. Wij ervoeren beiden opkomende lust (ja, uiteraard), doch geschraagd door de gestage, hechte genegenheid die wij hadden opgebouwd, een betrouwbare band, duurzaam en oprecht. Ik was geen onervaren man, had in mijn jonge jaren een losbandig leven geleid en menig uur (moet ik tot mijn schande bekennen) doorgebracht in de bordelen van Marble Alley, de Bandbox en de Wolf ’s Den. Ik was eenmaal eerder getrouwd geweest en had een alleszins gezond huwelijksleven geleid, doch de diepte van dit gevoel was volslagen nieuw voor mij.
We kwamen stilzwijgend overeen dat wij dit ‘onontgonnen terrein’ de volgende avond nader zouden verkennen, en toen ik mij ’s ochtends naar mijn drukkerij begaf moest ik vechten tegen de sterke aanvechting die mij smeekte thuis te blijven.
En die dag was, helaas, de dag van de balk.
Dat dat mij nú juist moest overkomen!
Terwijl ik aan mijn bureau zat viel er een balk uit de zoldering die mij híér trof. En dus moest ons voornemen worden uitgesteld tot na mijn herstel. Op aanraden van mijn arts legde ik mij te …

hans volman

Geëigend zou zijn.

roger bevins iii

Geëigend, inderdaad. Dank u, waarde vriend.

hans vollman

Geen dank, mijn beste.

roger bevins iii

Daar lag ik dan, in mijn krankenkist, tamelijk opgesloten, in de salon, dezelfde salon waar wij kort tevoren (opgetogen, schuldbewust, hand in hand) doorheen waren gekomen op weg naar haar slaapkamer. Toen keerde de arts terug, en diens assistenten droegen mijn krankenkist naar zijn ziekenwagen, en ik zag dat … Ik zag dat ons voornemen voor onbepaalde tijd moest worden uitgesteld. Hoe teleurstellend! Wanneer zou ik nu de volle geneugten van de echtelijke sponde gaan smaken, wanneer zou ik haar naakte gestalte zien, wanneer zou zij zich tot mij wenden in zekere staat, met een gretige mond en blossen op de wangen, wanneer zouden haar haren, met een speels gebaar bevrijd, eindelijk om ons heen vallen?
Welnu, het zag ernaar uit dat wij zouden moeten wachten tot ik volledig was hersteld.
Voorwaar een ergerlijke ontwikkeling.
<ALIGN="center">hans vollman
Niettemin, alles kan worden verdragen.

roger bevins iii

U hebt volkomen gelijk.
Al moet ik eerlijk bekennen dat ik daar destijds anders over dacht. Destijds bemerkte ik, daar in die ziekenwagen, vooralsnog ongebonden, dat ik kortstondig mijn krankenkist kon verlaten, naar buiten kon schieten en daar wolkjes stof kon doen opdwarrelen, en ik brak zelfs een vaas, een vaas op de veranda. Mijn echtgenote en die arts, die op ernstige toon mijn verwondingen bespraken, ontging dat evenwel volkomen. Ik kon mij daar niet bij neerleggen. En ik moet toegeven dat ik een woedeaanval kreeg die maakte dat de honden er jankend vandoor gingen, doordat ik dwars door hen heen schoot en in elk van de dieren een visioen van een beer wekte. Dat bleek ik ineens te kunnen! Dat waren nog eens tijden! Nu zou ik net zomin een visioen van een beer in een hond kunnen wekken als dat ik onze zwijgzame jonge vriend hier mee uit eten zou kunnen nemen.
(Hij oogt jeugdig, nietwaar, mijnheer Bevins? Wat zijn gestalte aanbelangt? Zijn postuur?) Hoe dan ook, ik keerde terug naar mijn krankenkist, wenend op die wijze van ons … hebt u die al leren kennen, jongeman? Wanneer wij hier pas in deze krankenhuistuin zijn aangekomen, jongeheer, en de aandrang voelen te wenen, maakt zich een lichte spanning van ons meester, ontwikkelt zich een zwak, akelig gevoel in onze gewrichten en barsten er allerlei kleine dingetjes in ons binnenste. Soms poep je als nieuwbakken patiënt zelfs een beetje. Dat deed ik namelijk ook die dag, daarbuiten in die wagen. Als nieuwbakken patiënt poepte ik een beetje in mijn krankenkist, uit pure woede, en wat was het gevolg? Dat ik die poep de hele tijd met mij heb meegedragen, en trouwens – ik hoop dat u dit niet beledigend vindt, jongeheer, of weerzinwekkend, en ik hoop dat het onze ontluikende vriendschap niet in de weg zal staan – die poep zit daarbeneden, op dit eigenste moment, nog immer, in mijn krankenkist, zij het dat hij aanzienlijk droger is geworden.
Goeie genade, ben je een kind?
Het is een kind, hè?

hans vollman

Ik geloof het wel. Nu u het zegt.
Daar komt hij.
Hij is al haast helemaal gevormd.

roger bevins iii

Mijn excuses. Goeie god. Om als kind al veroordeeld te zijn tot de krankenkist … en dan een volwassene te moeten aanhoren die omstandig de aanwezigheid van gedroogde poep in zijn krankenkist uit de doeken doet, is niet bepaald de, eh, meest wenselijke wijze om zijn entree te maken in een nieuwe, ah …
Een jongen. Een knaap nog. Lieve hemel.
Mijn welgemeende excuses.

hans vollman

 

 

Oorspronkelijke tekst © George Saunders, 2017. All rights reserved.
Nederlandse vertaling © Harm Damsma, Niek Miedema en De Geus bv, Amsterdam 2017

MINDBOOKSATH : athenaeum