Leesfragment: Nobel streven

30 september 2017 , door Frits van Oostrom
| |

Op 4 oktober verschijnt Nobel streven. Het onwaarschijnlijke maar waargebeurde verhaal van ridder Jan van Brederode van Frits van Oostrom. Lees bij ons alvast een fragment!

Rond 1372 kwam op het luisterrijke kasteel Santpoort Jan van Brederode ter wereld in de meest gezegende omstandigheden. Een kleine veertig jaar later sneuvelde hij roemloos, als ridderlijke huurling, in de fameuze Slag bij Azincourt. Nobel streven reconstrueert, als een historische detective, de loop van dit bizarre leven tot in verbluffende details. Hoe Jan tot tweemaal toe met een gigantisch Hollands leger de Zuiderzee overstak voor oorlog tegen Friesland. Hoe hij naar Ierland reisde om in een onderaardse grot het helse vagevuur van Sint Patricius te voelen. Zijn jaren in het klooster, waarin hij een sprankelende Middelnederlandse tekst schreef. Zijn pogingen om de gigantische erfenis van zijn echtgenote te verwerven, en hoe hij daarvoor zelfs deze Johanna uit haar eigen klooster ontvoerde... Hoe zijn naam door heel Europa roemrucht zou worden: tot in Parijs, waar men college gaf over zijn geval, en tot aan de Engelse koning Henry V.

 

II
Heer Jan

Eerste jaren

Op de leeftijd van circa achttien jaar was Jan nu heer van Brederode. Het was jong voor zo veel verantwoordelijkheid, maar in zijn wereld zeker niet uitzonderlijk en een belofte voor een ambitieuze heerschappij die lang zou kunnen duren. In zijn vader en grootvader had Jan rolmodellen meegekregen, en met nog eens twee jongere broers te Santpoort op de achterhand lachte de toekomst Brederode toe. Eerste prioriteit was uiteraard een gunstig huwelijk voor de nieuwe heer, en van daaruit nakomelingschap dat de doorgroei van de stamboom zou verzekeren in rechte lijn. Begrijpelijk dat de familie in deze situatie hoog inzette. Hetgeen gelukte, want Johanna van Abcoude was een prachtige partij.
Abcoude was een uitgestrekte heerlijkheid aan de grens van Holland en het Sticht. Het was een leen van de bisschop van Utrecht, die naast de graaf van Holland de tweede grote heer was in de noordelijke Nederlanden. Het stamslot van Abcoude – thans alleen nog resten ondergronds – lag strategisch in het grensgebied met Holland, waar de riviertjes Angstel en Winkel samenkwamen. Daarnaast hadden de Abcoudes omvangrijke bezittingen rondom de belangrijke rivierstad Wijk bij Duurstede. Ook daar bezaten ze een sterke burcht: een massieve solitaire woontoren van 11 meter in het vierkant, met muren van 2,5 meter dik, door successieve heren uitgebouwd tot een kasteel. Daarmee hadden de heren ‘van Abcoude en Wyck’, zoals zij zich voluit betitelden, zowel aan de noord- als aan de zuidkant van het Nedersticht versterkte woonverblijven. Hun kastelen waren weliswaar iets minder groots en ook niet zo modern als Santpoort, maar in het al gemeen gesproken waren de Abcoudes van dezelfde status als de Brederodes.

 

Akte van schenking – (gebroken) oorkonde van Jan van Brederode, augustus 1397

 

De twee geslachten waren fraai in evenwicht. De wederzijdse grootvaders van de nieuwe echtelieden, heer Gijsbrecht van Abcoude en heer Dirk III van Brederode, hadden in dezelfde jaren zitting gehad in de grafelijke raad, waren tot tweemaal toe tezamen met graaf Willem IV op Pruisenreis geweest en worden in een grafelijke oorkonde uit 1359 na elkaar genoemd, hetgeen duidt op vergelijkbare statuur. Ook zouden ze allebei zeer lang regeren: Dirk III van Brederode tot 1377 en Gijsbrecht van Abcoude zelfs tot 1397. Heer Gijsbrecht moet ver in de tachtig zijn geworden en was een man van zeer groot aanzien. Hij zat nog in het zadel toen Jan en Johanna gingen huwen en zal in hun arrangement een zware stem hebben gehad, samen met zijn zoon Willem van Abcoude, de vader van Johanna. In de categorie faits divers hadden beide families een heraut en een eigen musicus in dienst: Brederode een vedelaar, Abcoude een zanger, ene meester Jan.
Aan het einde van de veertiende eeuw was het soortelijk gewicht van de Abcoudes zelfs nog iets zwaarder dan van Brederode. Om te beginnen waren zij in 1361 via vererving langs een zijtak de hoge heerlijkheid Putten en Strijen rijker geworden. Dit was een hoogst belangrijk leengoed op de grens van Holland en Zeeland, geregeerd vanuit het machtige slot Valckesteyn bij Poortugaal, in de bocht waar Maas en Merwede samenstroomden. (Het kasteel werd in 1826 afgebroken; het sloopwerk duurde twee jaar.) Deze heerlijkheid Putte ende Strien was van groot belang voor Hollands grensverkeer met Vlaanderen, en de heer ervan genoot qualitate qua groot aanzien bij de graaf als een belangrijke bondgenoot. Dankzij deze vererving hadden de Abcoudes vanaf 1361 dus niet alleen positie in het Sticht, maar ook rechtstreekse invloed in het Hollandse bestuur. Bovendien, en nog belangrijker, had de grootmoeder van Johanna (naar wie zij was vernoemd) bij haar huwelijk met Gijsbrecht van Abcoude de heerlijkheid Gaasbeek ingebracht. Daardoor was het geslacht sinds circa 1345 tevens vooraanstaand in Brabant, waar het in slot Gaasbeek nog een machtig kasteel bezat, ten zuidwesten van Brussel. Van hieruit draaide de familie mee in Brabantse elite en bruisend Brussel. Wel waren er in 1388 in deze contreien perikelen gerezen waardoor het geslacht Abcoude-Wijk-Putten-Gaasbeek zijn zwaartepunt voorlopig naar het noorden had verlegd. Maar hoe dan ook was Abcoude een goudgerande partij. Door zich hiermee te verbinden, bereikte Brederode ideale spreiding van macht naar alle windstreken. Van huis uit vooraanstaand in Holland, was de familie door het huwelijk van Dirk III gelieerd geraakt aan Valkenburg en daarmee aan Limburg; dankzij het huwelijk van Reinoud gold hetzelfde richting Gennep en dus Gelre; via Abcoude kwamen daar het Sticht, Zeeland en Brabant bij. Geopolitiek zat Brederode nu op rozen.
Aangezien Johanna van Abcoude een volle erfdochter was, gold het hier bovendien een verbintenis met frontaal zicht op grote rijkdom. Johanna’s grootvader Gijsbrecht was immers al ver in de tachtig, terwijl zijn zoon Willem van Abcoude slechts één oudere broer had, Zweder, die zich tot 1388 vooral met Gaasbeek occupeerde en sindsdien met Putten. Johanna’s vader leek daarmee de aangewezen leider van Abcoude in het Stichtse; en dat terwijl Johanna slechts één broer had, Gijsbrecht, naar zijn grootvader vernoemd. (Van Willem van Abcoude zijn daarnaast minstens acht bastaardkinderen bekend, maar die stonden bij vererving buitenspel.) Deze Gijsbrecht junior was vanzelfsprekend voorbestemd om de eerstvolgende heer te worden. Maar hij lijkt, zacht uitgedrukt, geen sterke figuur te zijn geweest, gezien zijn vergaande afwezigheid in alle bronnen – een zeer opmerkelijk feit voor een volwassen erfopvolger in zo’n grote heerlijkheid. Voor het overige was er enkel nog een heel klein neefje: Jacob, de zojuist geboren zoon van Zweder. Maar die zuigeling bevond zich vooralsnog op grote afstand. Trouwens: ook als Johanna’s broer en neef in leven bleven, viel er voor haar genoeg te erven. Er is geen twijfel aan dat men destijds op Santpoort dit soort calculaties heeft gemaakt. De macht van middeleeuwse adel berustte op grootgrondbezit. ‘Oud geld’ betekent van huis uit: oud land. Het was essentieel om een scherp oog te hebben voor allianties die het territorium konden vergroten, en van hun kant zullen de Abcoudes Johanna’s marktwaarde donders goed hebben beseft. Gijsbrecht en Willem konden hoog spel spelen. Voor minder dan een regerend heer van Brederode zouden ze het om te beginnen nooit hebben gedaan. Enkel Jan kon hier hun man zijn, nooit diens jongere broers Walraven of Willem. En dan nog stelde Abcoude fikse eisen. Jan van Brederode moest zich voor groot geld inkopen, hetgeen eens te meer duidelijk maakt hoe de verhoudingen lagen. De huwelijcse brieven – huwelijkse voorwaarden – zijn niet bewaard, maar wel op een belangrijk punt reconstrueerbaar dankzij een kwestie die pas generaties later zou gaan spelen. Diep in de vijftiende eeuw diende namelijk voor de Grote Raad van Mechelen een zaak waarbij oude contracten van Brederode op tafel moesten komen. De verslagen daarvan zijn bewaard; daaruit blijkt dat heer Jan eertijds aan zijn schoonvader een huwelijksgift – medegave – heeft toegezegd van liefst 10.000 Hollandse guldens, met een rente van 1000 gulden per jaar. Een en ander te bekostigen uit opbrengsten van de heerlijkheid Voshol; indien die daartoe ontoereikend mochten blijken, zou Jan het restant moeten fourneren uit zijn goederen langs Lek en Merwede. Het was een steile prijs, maar Johanna van Abcoude was het waard, al helemaal op langere termijn.
Het huwelijk werd formeel gesloten in 1392; een nadere datum is onbekend. Heer Jan was inmiddels omstreeks twintig; voor de leeftijd van Johanna missen wij gegevens. Veel jonger dan Jan zal zij niet zijn geweest, want er is nergens sprake van voogdij. Veel ouder evenmin, want daarvoor was Johanna een veel te begeerlijke partij. Doch eenmaal getrouwd had Jan van Brederode de grootste moeite om de huwelijkse voorwaarden na te komen. Klaarblijkelijk was hij met zijn belofte tot de grens van zijn financiële kunnen gegaan. Uit stukken blijkt dat Jan in deze jaren danig klem is komen te zitten, en zijn voornaamste schuldeiser was zijn schoonvader. Al in juli 1395 vond Abcoude het klaarblijkelijk nodig dat Albrecht van Beieren de betaling herbekrachtigde die Jan met zijn schoonfamilie was overeengekomen. Indien de heerlijkheid Voshol daartoe niet voldoende zou opbrengen, moest hij zijn inkomen uit ’t Oge inzetten. Aldus nog eens bevestigd door de graaf, in aanwezigheid van Jan, Johanna en Willem van Abcoude. Laatstgenoemde had zijn schoonzoon overduidelijk in de tang en schrok er niet voor terug hem bij zijn eigen landsheer te kijk te zetten als een (potentiële) wanbetaler. Een stuk van 25 februari 1396 duidt zelfs op een tweede schuld van Jan bij Willem van Abcoude, nog eens liefst 9000 Hollandse guldens groot. Het ging hier kennelijk om een lening waarmee Jan een schuld bij iemand anders had gedekt. Opnieuw was schoonvader wantrouwig over de afbetaling, want hij heeft ook deze zaak aan Albrecht van Beieren voorgelegd, die wederom bevestigde dat onse lieve ende getrouwe Jan, here van Brederode was gehouden zijn verplichting jegens Willem van Abcoude bij voorrang na te komen. (Uitgezonderd dan de schuld die van Jan nog uitstond bij graaf Albrecht zelf, ‘blijkens de brieven die wij hebben van zijn ouders en hemzelf, gezegeld en wel’…) En op 29 oktober 1396 is het wederom zover, als graaf Albrecht oorkondt dat heer Jan van Brederode voor betaling van vereiste sommen aan de heer van Abcoude en Duurstede desnoods zijn goederen tussen Lek en Merwede zal moeten aanspreken.
Jan lijkt door zijn huwelijk financieel te zijn gekneveld door zijn schoonfamilie. Wat hem hoop zal hebben gegeven, is het vooruitzicht dat zijn schoonvader, nu nog het probleem, op langere termijn de oplossing zou zijn, en meer dan dat. Hetgeen nog wel geduld vereiste, want ook al liep grootvader Gijsbrecht van Abcoude op zijn laatste benen, Willem van Abcoude moest nog vijftig worden. Vooralsnog waren er dus bovenal liquiditeitsproblemen. Klaarblijkelijk heeft Jan zich zelfs genoopt gezien hiervoor zijn moeder aan te klampen. Al op 27 maart 1394, twee jaar na het huwelijk, belooft Jolanda van Gennep plechtig in een oorkonde haar zoons nimmermere te onterven. (Oftewel: Jan had nog geld in het vooruitzicht.) De hiertoe strekkende oorkonde werd op uitdrukkelijk verzoek van Jolanda mede bezegeld door de hertog van Gelre, leenheer van Gennep. Gaat achter dit ongebruikelijke contract tussen een moeder en haar zoon(s) wederom het financiële armpje drukken schuil van de Abcoudes, die van Brederode maximale zekerheden wilden?

 

Oorkonde uit 1394 over de erfenis van Jolanda van Gennep, mede bezegeld door de hertog van Gelre

 

Een tweede dure verplichting die voortkwam uit Jans huwelijksverbintenis was auxilium: gewapende bijstand ingeval Abcoude ten strijde trok. Zoals de Brederodes boven hem gehouden waren geweest aan de zijde van hun schoonfamilies te gaan vechten in Limburg en Gelre, moest Jan nu opkomen met de Abcoudes bij hun auxilium aan hun leenheer: de bisschop van Utrecht, op diens veldtocht tegen Drenthe. De Utrechtse bisschoppen hadden al eeuwenlang de grootste moeite om hun gezag te handhaven in dit deel van het Oversticht. De Drenten woonden al te dicht bij de immer rebelse Friezen, en ook nog eens in een gebied dat met zijn hoogveen, hooggelegen zandgronden, dichte wouden en stinkende moerassen moeilijk toegankelijk was. De stad Coevorden heette ‘de poort van Drenthe’ en was de sleutel tot de macht in die contreien, maar ook een brandhaard van verzet; de burggraven ter stede streefden zelfs naar onafhankelijkheid. Al vaker hadden bisschoppen van Utrecht gepoogd Coevorden te veroveren. Zelfs een keer gedurende de winter, toen echter plotselinge dooi de op de dichtgevroren stadsgracht geposteerde blijdes door het ijs deed zakken, waarna het bisschoppelijke leger in arren moede huiswaarts keerde. Bij een volgend beleg werden de bisschoppelijke belegeringsmachines aan flarden geblazen door een wervelstorm. Met reden spreekt militair historicus H.P. de Graaf hier van een guerillaoorlog, waarin de Drenten zich allengs beter wisten te bewapenen dankzij het buitgemaakte wapentuig van op hun terrein vastgelopen vijanden.
In 1395 besloot de Utrechtse bisschop Frederik van Blankenheim tot een nieuwe Drentse veldtocht. En zo verscheen in juli van dat jaar, in het kader van verplichte bijstand langs de feodale lijn, heer Jan van Brederode voor de muren van Coevorden, als aanvoerder van troepen uit Kennemerland en Alblasserwaard. De tocht vandaar naar Drenthe moet een beproeving op zichzelf zijn geweest. Aangaande de aansluitende belegering bezitten wij helaas geen nadere bronnen – of het moest zijn de officiële lijst van zelfverklaarde Drentse vyande van Utrecht, door amateurhistoricus en apotheker Cornelis Snuif in 1915 in de archieven van Ootmarsum opgedolven. Om hun geduchte tegenstand de baas te worden, moet de bisschop met een omvangrijk leger in Drenthe zijn verschenen. (Zij het niet zo gigantisch als de legermacht die in 1345 Utrecht zelf had belegerd: graaf Willem IV van Holland was daar toen te velde met liefst dertigduizend man. Dat de kronieken met dit cijfer niet overdrijven, blijkt uit de inkopen voor lijftocht: het leger nam alleen al ruim drieduizend zalmen mee. Maar in 1345 had de Zwarte Dood van 1360 nog niet huisgehouden, die de populatie weerbare mannen in Holland in één jaar met eenderde zou uitdunnen.) Naast heel veel boogschutters en zware blijdes bracht de bisschop ook een arsenaal aan vuurgeschut in stelling, al waren deze smeedijzeren steenbussen nog in een pril stadium van ontwikkeling. Bij de eerst bekende demonstratie in de Lage Landen, in 1346 op een veldje buiten Doornik, vloog het projectiel – een houten bal, omwikkeld met een kilo lood – onverwacht ver over de stadsmuren naar binnen en doodde daar op slag een nietsvermoedende passant. Maar het bisschoppelijk invasieleger boekte eclatant succes; na een beleg van zes weken nam men Coevorden op 19 augustus in. Het burggrafelijke slot werd meteen met de grond gelijk gemaakt.
Saillant detail is bij dit alles dat Jan van Brederode aan de vooravond van de Drentse veldtocht nog een weduwetoelage voor Johanna had vastgelegd. Gerede kans bestaat dat het alweer zijn schoonvader is geweest die hierop aandrong. Abcoude zat er immers bovenop en zal verzekerd willen hebben dat zijn dochter meer dan verzorgd achterbleef indien haar man in Drenthe mocht sneuvelen. En dus verscheen Jan op 7 juli 1395 voor graaf Albrecht om met diens instemming, – plechtig mit onser handt verleend, zo verklaart deze – voor jonkvrouw Johanna ‘800 goede Hollandse guldens per jaar, dan wel de tegenwaarde daarvan in andere valide betaling’ vast te leggen als weduwetoelage (in rechter duwarie ende lijftochte), en wel haer leven lang. Dit alles wederom te bekostigen uit het bezit van Brederode in Kennemerland en ’t Oge. Zulks ter nauwkeurige controle, zoals Albrecht aanvullend stipuleert, ‘van ons en onze nakomelingen, conform recht en gewoonte van ons land, waarin voornoemde goederen gelegen zijn’. Willem van Abcoude had overigens de teugels best wat kunnen laten vieren, want hij zwom in het geld. Volgens P.C. van der Eerden bezat de familie alleen al in het Sticht duizenden hectare grond, honderden leenmannen en meer dan een dozijn versterkte huizen. Abcoude had het jonge paar op Santpoort ook wat meer rust kunnen geven om een eigen leven op te bouwen en bij voorkeur een gezin. Maar kennelijk was hij zo niet geaard, zoals we in het algemeen het materialisme van de middeleeuwse adel niet moeten onderschatten. Eer was een hoofdzaak, maar geld een goede tweede.

[...]

 

©2017 Frits van Oostrom

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum