Bestel uw boeken online bij Athenaeum Boekhandel!

Leesfragment: Filosofische polemieken

27 november 2015 , door Herman Philipse
| | |

Filosoof Herman Philipse is bij het grote publiek bekend geworden met zijn Atheïstisch manifest. Naast zijn wetenschappelijke werk publiceert hij regelmatig in diverse dagbladen en tijdschriften en neemt hij actief deel aan het maatschappelijk debat.

Filosofische polemieken bundelt de beste van zijn populaire artikelen die eerder in andere media zijn verschenen, geschreven voor een algemeen publiek. Philipse schrijft soms provocatief, maar altijd scherp en argumentatief, en zijn artikelen zetten veelal aan tot nadere discussie.
In de gebundelde columns en opiniestukken komt een breed scala aan onderwerpen aan bod. Zo komen onder meer politiek, religie, wetenschap en filosofie aan de orde. Hoewel de onderwerpen vanzelfsprekend vanuit een filosofische hoek worden besproken, hoeft de lezer niet te zijn ingevoerd in de wijsbegeerte. Vanavond kunt u het wat lichtere staartje van de bundel lezen, en het boek reserveren.

De foto van Herman Philipse is © Bob Bronshoff.

Go: to hell
Een virtueel interview met de wijsgeer René Descartes

Er komt een leeftijd dat je rijp wordt voor buitenechtelijke escapades. Ik ontsnap niet aan deze wetmatigheid, maar omdat de realiteit vaak weerbarstig is, heb ik me een fictieve maîtresse aangeschaft. Ze is jong en bevallig, ze heet Beatrice, en ze heeft een passie voor de wijsbegeerte, vooral voor het werk van René Descartes (1596-1650). Het kostte Beatrice en mij geen moeite het eens te worden over de bestemming van onze virtuele wittebroodsweken. We wilden ons idool Descartes te spreken krijgen. De vraag was alleen: waar zouden we hem kunnen treffen?
De zoekmachine Altavista bracht ons op een idee. Bij het commando ‘go’ vonden we ergens de bestemming ‘to Hell’. ‘Ecco,’ riep Beatrice uit, ‘daar moet René D. zitten. Zijn werk werd toch in 1663 op de index geplaatst?’ Dus klikten we op ‘to Hell’. Het duurde eindeloos voordat de heftig snorrende computer de volgende tekst op het scherm wist te toveren (in het Italiaans):

In het midden van de reis door ons leven
Hervond ik mijzelf in een duister woud,
Want de Rechte Weg was geheel verloren.

Tranen van ontroering schoten me in de ogen. ‘Dit moet op mij slaan,’ zei ik tegen Beatrice. ‘Ben ik niet verdoold door bij een universiteit te gaan werken in plaats van grof geld te verdienen als advocaat of in het bedrijfsleven?’ ‘Je bent een obsessionele sukkel,’ antwoordde Beatrice. ‘Het zijn de beginregels van een gedicht dat een aanbidder van mij ooit geschreven heeft.’ En ja hoor, ze had gelijk. In een dubbel omlijnd kadertje stond: ‘Warning. Users of Internet should not open this document. It leads to Hell.’
We klikten en plotseling was mijn werkkamer aan de Leidse universiteit verdwenen. We bevonden ons in een dicht eikenbos dat zich naar alle richtingen van cyberspace eindeloos leek uit te strekken. De avond viel en tussen de bomen zag je geen hand voor ogen. Daarom hield ik Beatrice stevig vast rond haar smalle taille. Hoe zouden we in dit duistere woud ooit onze weg kunnen vinden? Het was precies zoals de dichter zei: ‘De Rechte Weg was geheel verloren.’ Erger nog, we zagen helemaal geen weg! Onthutst keken we elkaar aan en ik voelde hoe Beatrice lichtelijk trilde onder haar dunne zomerjurk.
Op dat moment herinnerde ik mij een passage uit het Discours de la Methode. Descartes spreekt daar over de tweede maxime van zijn voorlopige moraal, die we moeten aannemen zolang het wetenschappelijke onderzoek nog niet ver genoeg gevorderd is om de juiste weg met zekerheid te bepalen. De maxime schrijft voor dat we zo ferm en vastbesloten moeten zijn in ons handelen als we kunnen, en de twijfelachtigste meningen met evenveel volharding moeten volgen als de zekerste, zodra we daartoe eenmaal besloten hebben.
Descartes licht dit toe aan de hand van reizigers die verdwaald zijn in een donker woud. ‘Ze moeten niet dwalen door zich nu eens naar de ene en dan weer naar de andere kant te wenden […] maar altijd zo veel mogelijk rechtdoor lopen in eenzelfde richting, zelfs als die richting aanvankelijk louter bij toeval bepaald was, want op deze manier komen ze, al gaan ze niet precies waarheen ze wilden, er tenminste ergens uit.’
Zo gezegd, zo gedaan. We liepen rechtdoor in een willekeurige richting terwijl de takken ons in de ogen zwiepten. Uren later, na de drie wilde dieren gezien te hebben (een luipaard, een leeuw en een wolvin), belandden we bij een vervallen houten poortje dat toegang gaf tot een donkere grot. Erboven stond een opschrift in nauwelijks nog leesbare letters. Toen we de woorden ‘Per me si va tra la perduta gente’ ontcijferden, wisten we dat we aan het goede adres waren. We werden overmand door een mengeling van opwinding, angst en ook verbazing: was het bij toeval dat onze weg naar de Hel leidde? Of voert elke rechte weg naar de Hel?

*

Het zal niet nodig zijn de afdaling te beschrijven; dat is al door zovelen gedaan. Verrassend was wel dat naarmate we dieper kwamen in de trechtervormige grot, ons haastig spoedend langs de eindeloze galerijen met kermende slachtoffers, het niet warmer werd, zoals we hadden verwacht, maar steeds kouder. Uiteindelijk verwijdde de grot zich weer en we bevonden ons op een onafzienbare ijsvlakte waarover een gierende wind sneeuwvlokken voortjoeg, die oplichtten in de schemering. De portier met de lauwerkrans die ons was voorgegaan, gaf ons twee paar schaatsen en maakte een gelaten gebaar, dat zo ongeveer wilde zeggen: ‘Rijden jullie nu maar je verdoemenis tegemoet.’
Korte tijd daarna scheerden we als meeuwen over het ijs, totdat we aan de einder een bord met een opschrift zagen opdoemen. Dichterbij gekomen lazen we: cogito, ergo sum in inferno. Onder het bord zat een man tot zijn middel ingevroren in het ijs. Hij wenkte ons naderbij en we zagen een opvallende gelijkenis (viezig lang haar, een grote neus, een snor, een sik, en onder de wat bolle oogleden koele en ironische ogen die ons afwachtend en afstandelijk aankeken) met het portret van Descartes door Frans Hals dat in het Louvre hangt. Op dat moment werden we door een heftige emotie aangegrepen. Hij zag het en keek ons streng verwijtend aan.
‘Bonsoir, monsieur,’ zeiden we verlegen, ‘we komen u interviewen namens het Leidse universiteitsblad Mare.’
‘De korte of de lange?’ vroeg hij.
‘Het blad wordt steeds korter,’ zeiden we, ‘maar dat komt door geldgebrek.’
Wederom een verwijtende blik. We waren even vergeten dat Descartes zich als edelman natuurlijk niet voor geld interesseerde. Dus begonnen we uit beleefdheid over de straf die hij moest uitzitten.
‘Het is te kinderachtig voor woorden,’ barstte hij los. ‘Alle filosofen zitten hier ingevroren. Een paar kilometer naar rechts woont Bertrand Russell. We praten met elkaar door in een complexe code op het ijs te tikken, dat kun je ver horen als je je oor erop legt. Hij heeft me de hele Principia Mathematica toegetikt, tweeduizend bladzijden met bewijzen, maar ik vond het nogal triviaal.’
We herinnerden ons dat Descartes, die zich in 1630 aan de Leidse universiteit had ingeschreven als student in de wiskunde, door de Leidse hoogleraar Jacob Golius het zogenaamde probleem van Pappus toegestuurd had gekregen en het onmiddellijk had opgelost met zijn nieuwe algebraïsche methode, ofschoon talrijke wiskundigen zich er eeuwenlang het hoofd over hadden gebroken.
‘Maar wat verklaart dan uw straf?’ vroegen we, ons zorgen makend over onze toekomst.
‘O,’ zei hij, ‘het is inderdaad heel kinderachtig. De straffen hier berusten op het beginsel van analogie, dat ook in de middeleeuwse geneeskunde gehanteerd werd. Als je een hartziekte hebt, moet je een plantje eten met hartvormige bladeren. En als je een bepaalde zonde hebt begaan, krijg je de straf die op je zonde lijkt. Zoals de Autoriteit ons bij het laatste oordeel – nogal een farce trouwens – uitlegde, worden wij filosofen ingevroren omdat we geprobeerd hebben in het leven ons hoofd koel te houden en zelfstandig na te denken. Vooral met het verwerpen van autoriteiten heeft de Autoriteit grote moeite. Daarom zitten Immanuel [Kant, red.] en ik wat dieper in het ijs dan mensen als Thomas [Van Aquino, red.]. Levinas is zelfs naar de hemel gegaan [Emmanuel Levinas kreeg een eredoctoraat van de Leidse theologische faculteit, red.].’
‘Was u ook niet liever in de hemel gekomen?’ vroegen we, terwijl de storm zo aanzwol dat we elkaar nauwelijks nog konden verstaan.
‘Ach,’ zei hij, ‘tijdens mijn leven op aarde ben ik heel voorzichtig geweest tegenover Rome, maar het heeft niet mogen baten. Toen Galilei in 1633 veroordeeld werd, besloot ik prompt de publicatie van mijn eerste boek stop te zetten omdat ik ook het heliocentrisme verdedigde. Later, in de Principia Philosophiae [deel III, hoofdstuk 28, red.], bood ik de kerk een prachtig compromis. Ik betoogde dat de aarde om de zon beweegt, maar toch ook stilstaat [namelijk ten opzichte van de haar direct omringende materie, red.]. Ze wilden er niet aan en dertien jaar na mijn dood hebben ze me alsnog te grazen genomen. Toen zat ik al hier en kon het mij niets meer schelen. Bovendien, de Autoriteit begrijpt de wetenschappelijke ontwikkelingen niet eens, ook al beweren mensen dat hij alwetend is! Hoe kan hij er dan een goed oordeel over hebben? Maar om op jullie vraag te antwoorden, natuurlijk wilde ik naar de hemel. Heb ik niet Elisabeth van Bohemen getroost door te zeggen dat grootmoedige mensen het leven op aarde beschouwen als een toneelstuk dat in het niet valt bij de eeuwige gelukzaligheid? Maar nu weet ik wel beter!’

*

‘Hoe bedoelt u dat?’ vroegen we verbaasd.
‘Jullie weten,’ hernam hij, ‘dat ik naar Holland kwam om rustig te kunnen werken. Die Hollanders zijn zo druk bezig met handelen en geld verdienen dat ze een wijsgeer niet eens opmerken, terwijl ik in Frankrijk allerlei sociale verplichtingen had en bovendien geen patroon kon vinden. “Bene vixit qui bene latuit” was mijn motto [hij heeft goed geleefd die zich goed verborgen heeft, red.] en ik dook in de Nederlanden als het ware onder, steeds van adres veranderend om lastposten te ontlopen. In het begin lukte dat aardig, maar later kreeg ik leerlingen als Regius en Heereboord, die mijn theorieën gingen verkondigen en gebruiken ter ondersteuning van de arminianen. Toen begon het gedonder. Ik werd van atheïsme beschuldigd en in september 1643 dreigde de raad van Utrecht mij, opgestookt door die naarling van een Voetius, zelfs met boekverbranding.
Leiden was iets vrijer dan Utrecht, maar ook daar liep het mis toen de theoloog Trigland me in september 1646 van pelagianisme betichtte [naar de leer van de Britse asceet Pelagius, die beweerde dat men zalig kon worden op eigen kracht, zonder de hulp van Gods genade, red.]. Het leven in Holland werd me door theologen onmogelijk gemaakt. En weten jullie wat ik nu heb ontdekt?’

*

‘Nou?’ vroegen we, alle beleefdheidsvormen door opwinding uit het oog verliezend.
Hij grijnsde breed en vervolgde: ‘In de hemel gaat het de hele tijd zo! Al die vrome theologen die bij de Autoriteit in het gevlij proberen te komen, zijn het onderling volstrekt oneens over wat de Autoriteit wil, en Hijzelf vertoont zich nooit en zegt niks. Dus ruziën ze in het paradijs de hele tijd ten overstaan van alle hemelse zielen, die daardoor volkomen in verwarring raken. Geef mij maar de Hel! Hier kan ik tenminste rustig nadenken.’
Hij leek te menen wat hij zei, en toch keek hij plotsklaps niet meer zo vrolijk. ‘Er is maar een ding dat ik werkelijk mis,’ voegde hij er zachtjes aan toe, ‘dat ik Francine nooit meer zie [Descartes’ enige dochter, red.]. Het arme kind, ze is zo vroeg overleden en nu zit ze in het vagevuur.’ Op dat moment smolt het ijs ter hoogte van het hart van Descartes en ondanks de strenge vorst ontstond er een klein plasje water. Wij vonden het beter om ons even discreet terug te trekken en de grote filosoof een moment met zijn smarten alleen te laten. Voordat ik besefte wat ik deed, had ik geklikt en bevonden we ons weer in de kleine doch behaaglijke werkkamer aan de Matthias de Vrieshof 4.
‘Wat doe je nou?’ zei Beatrice. ‘Ik had hem nog veel meer willen vragen!’
Naarstig zocht ik op internet nog een keer naar de bestemming ‘to Hell’, maar die hebben we nooit meer kunnen vinden.

(Oorspronkelijk verschenen in het Leidse universiteitsblad Mare, 31 mei 2000. Hier vrijwel ongewijzigd afgedrukt.)

Uitgeverij Prometheus

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum