Leesfragment: Tirade 431

| | | | |

Komende week verschijnt het nieuwe nummer van Tirade, met bijdragen van onder andere Carel Peeters, Daniel Kehlmann, Jan van Mersbergen, Nop Maas, en William Faulkner. Het nummer is nu al te reserveren, en de bijdragen van Jan Hanloprijswinnaar Arjen van Veelen, Leo Vroman en Michiel Heijungs zijn al te lezen.

Inhoud

Jeroen van Kan – De hysterische lezertjes van hoog en laag
Carel Peeters – Genieten voor miljoenen
Harry Stroeken – Het grote geluk of het succes van de roddelbladen
Daniel Kehlmann – Zijn portret
Fanie Olivier – Gedichten
Thijs Menting – In de ban van de uitzondering
blogger in residence: Jan van Mersbergen
Ellis Meulenbelt – Zondag op Coney Island
Leo Vroman – Gedichten
Nop Maas – Gescheiden circuits. Lodewijk van Deyssel, Alfred Haighton en Adolf Hitler
Sylvie Marie – Jij, de stilte
Charlotte Manot – De bruid
Emma Burns – Liefste
Arjen van Veelen – Suum cuique. Over tattoos en het taboe op standaardtaal
Marc Tritsmans – Voyeur
Michiel Heijungs – Incident
Wim Brands – Gedichten
Martijn Boven – William Faulkner (1897-1962)
William Faulkner – Septemberdroogte
Erik Lindner – Gedichten
blogger in residence: Carel Peeters

Suum cuique. Over tattoos en het taboe op standaardtaal

Arjen van Veelen

De vraag die Prisca aan het forum voorlegt is van belang. ‘Wat is in het Latijns: na regen komt zonnenschijn?’, wil ze weten. En ook: ‘hoe schrijf je: hou je hoofd omhoog / keep your head up?’ Prisca vindt dat mooie teksten, &lsquomaar niet in het Nederlands.’
Ik ben op het discussieforum van de website Tattoosonchicks.hyves.nl.
Een kleine vijftigduizend Nederlandse vrouwen praten daar over tatoeages. Prisca is een van hen. Ze is lang niet de enige die om een vertaling vraagt. ‘Weet iemand Papa & Mama in het Latijns?’ vraagt Baco bijvoorbeeld. ‘Hoe schrijf je geluk?’ vraagt Maria.
Ik blader klikkend door het forum en zie foto’s van versgeplaatste tatoeages. Ik lees: Bis vincit qui se vincit. En: Vivat, crescat, floreat. Ik zie zelfs een zinsnede uit Vergilius’ Eclogae, met Oost-Indische inkt geinjecteerd op een bovenarm. De huid rondom de letters is nog rood uitgeslagen.
Vlak onder de opperhuid beleeft het Latijn een wonderlijke Renaissance. En het Latijn is niet de enige taal, merk ik als ik verder blader. Het wemelt van tattoos in onbekende tongen. Chinees, Hindi, Arabisch, Tibetaans. Een van de vrouwen prefereert het braille-alfabet. ‘Heel uniek’, schrijft ze. ‘Ik had eigenlijk m’n keuze laten vallen op Hebreeuws, maar nu kwam ik dit tegen. Xxxx’.
Ik ben als een gluurder op deze discussiegroep beland omdat ik zocht naar een plaats op het internet waar woorden nog op een goudschaal gewogen werden. Waar anders moest ik zijn, dacht ik, dan bij de mensen die op hun huid schrijven? Je lichaam is immers duur papier. En inderdaad geldt hier het devies: eerst nadenken, dan de naald erin. Zo lees ik het advies om een tekst in een vreemde taal eerst voor te leggen aan een expert. Wie Hebreeuws niet beheerst, wordt verwezen naar het Joods Historisch Museum. En voor Chinees geldt: ga langs bij een Chinees restaurant, of liever nog, bij twee.‘Want het zou,’ schrijft een van de getatoeeerden,‘extreem lachen zijn als er uiteindelijk gewoon babi pangang staat’.
Ik was nieuwsgierig: heeft slordig Nederlands ook zijn intrede gedaan op de huid? Zo ja, dan zou het niet goed gaan met onze taal. Het probleem is alleen dat op het forum niemand peinst over een tekst in het Hollands. Als tatoeagetaal lijkt het Nederlands taboe.
Ik sta op het punt de pagina’s te verlaten als ik een reactie lees van een buitenstaander, iemand met een onbeschreven lichaam, kennelijk een gymnasiast. Ze wijst op schrijffouten in sommige Latijnse vertalingen en vraagt zich af waarom iedereen tatoeages wil in een onbekende taal.
‘In het Latijn,’ reageert een meisje,‘straalde de text meer kracht uit dan in het Nederlands.’ Een ander schrijft:‘Ik heb ook 2 nl namen opgezocht in het Chinees en vervolgens naar Chinese restaurants gegaan om hun te vrage wat daar staat en moet zegge er kwam tog egt uit wat de bedoeling was, dus die tattoos gaan er komen!! En waarom in t chinees? Stuk toffer dan ons taaltje’. Dan valt mijn oog op de reactie van ene Madd, een vrouw van 20.‘De Nederlandse taal’, schrijft ze,‘is gewoon oerlelijk om te spreken en echt mooi ist ook niet om te zien. t slaat toch nergens op om ik zag kwam en overwon te zetten, dat is gewoon lelijk. Maar ik het Latijns is het gewoon mooi. Dat je dat niet snapt, zeg, vind ik een beetje dom.’
Ik zou het zelf anders formuleren, maar ik ben het met haar eens: ook ik zou het holle Hollands soms best willen ruilen voor het rijke Latijn. Maar er is nog iets dat mij charmeert aan deze reactie, iets dat mij een beginnetje van een antwoord lijkt te geven op een vraag die mij al een tijd bezighoudt.
Ik denk dat die vraag anderhalf jaar geleden voor het eerst bij me opkwam, nadat ik een maand had rondgereisd in Zuid Afrika. Een vriend had mij de website Couchsurfing.com aanbevolen. Dat is een site waar de deelnemers hun huis aanbieden als slaapplaats. Eerst aarzelend, later enthousiast, maakte ik tijdens de reis gebruik van deze dienst. Zo kwam het dat ik in Kaapstad twee nachten op de bank sliep van een vrouw die ik nooit eerder had ontmoet. Cecille, heette ze. Op de website had ze zichzelf Ce# genoemd.‘Ik hou van mensen’, schreef ze in het Engels.‘Ik denk dat we op een bepaalde manier allemaal een verschil maken. Ik ben nieuwsgierig naar dat verschil.’
Op weg naar haar huis kreeg ik een sms-je dat ik nog steeds bewaar op mijn sim-kaart. Het eindigt met de woorden:‘enjoy the road. Lv Ce#’. Love Cecille. Ik weet nog dat ik verrast was. Ik was er toen nog niet aan gewend dat‘love’ weinig meer betekent dan‘mvg’.
Cecille had een rode mini waarmee ze me naar een filmfestival bracht. Ook gingen we naar het strand en voerden we goede gesprekken. Bij mijn vertrek liet ik als geste twee boeken achter. Ik koester aangename herinneringen aan die twee dagen, maar Cecille zou langzaam uit mijn hoofd verdwenen zijn als ze niet een reference had achtergelaten op mijn profiel. Dat is een beoordeling van de ontmoeting. Je kunt het vergelijken met de beoordelingen die kopers en bieders op veilingsite Ebay elkaar geven. Het geeft een indruk van de betrouwbaarheid van een persoon. Op Couchsurfing. com kon je destijds kiezen uit vijf kwalificaties, varierend van‘extremely positive’ tot‘extremely negative’.1
Cecille had mijn bezoek beoordeeld als extreem positief.
Ook had Cecille mij een‘vriendschapsverzoek’ gemaild. Ik klikte op‘accept’.
De website vroeg mij nu om‘friendship type’ te selecteren (good friend? very good friend?) en vragen te beantwoorden over onze relatie (‘Please tell us how you know your friend. Please select how well you know this other person. Please select the trust degree associated with this person.’). Ik was nu vriend van Cecille. Maar ik sprak haar nooit meer. Het laatste dat ik van haar vernam, nu een jaar geleden, was het bericht:‘You have been vouched for from Ce# Cape Town.’ Dat betekende dat Cecille borg voor mij staat. Ik heette nu officieel‘zeer betrouwbaar’.
Ik voelde me ongemakkelijk door al deze woorden. Vriend? Zeer betrouwbaar? Extreem positief ? Misschien klopte dat allemaal. Maar ging het niet wat snel? En waren de woorden niet veel te groot?
Ik dacht daar over na, en bedacht dat het kwam door het internet. Mijn hypothese was dat in vroeger tijden de mensen gedwongen waren eerst na te denken voordat ze iets opschreven. Het kleitablet en de papyrus zijn duur materiaal. Hoe goedkoper het medium, hoe goedkoper worden de woorden, meende ik. En in onze tijd, door de komst van internet, is schrijven nagenoeg gratis geworden. Dus wordt er vaak maar wat raak geschreven. En kunnen woorden hol worden. Mijn ongemak kwam, kortom, voort uit de opvatting dat je zuinig op woorden moet zijn. Dat je grote woorden dient te reserveren voor grote gelegenheden. Wanneer je woorden, uitroeptekens, of de Caps Lock maar klakkeloos gebruikt, verliest de taal aan zeggingskracht. Zo ben ik opgevoed. Zo ben ik getraind. En twee van mijn leermeesters zijn schrijvers die op de bres hebben gestaan voor het belang van klare taal: de Atheense historicus Thucydides en de betrokken allesschrijver George Orwell.
In 431 v. Chr. breekt in Athene een grote oorlog uit die de ondergang zal worden van de stad. Thucydides is dan 29 jaar oud. Tijdens de oorlog begint hij aan een verslag van de gebeurtenissen. Hij doet dat in een sobere, wetenschappelijke taal, die zijn relaas vaak tot droge kost maakt. Maar er zijn ook passages waar de schrijver even uit zijn wetenschappelijke rol lijkt te vallen. Dan is hij een tv-correspondent die tegen tranen vecht. Die passages zijn des te indringender omdat ze worden omringd door droge woorden en statistieken. In een van de meest intense passages uit zijn boek, treurt hij om het feit dat woorden door de oorlog hun betekenis verliezen. Thucydides beschrijft de lotgevallen van het stadsstaatje Kerkyra, waar een burgeroorlog woedt. Hij constateert met vochtige ogen dat ‘doldriestheid’ opeens staat voor ‘dapperheid’, ‘aarzeling’ opeens voor ‘lafheid’, ‘nadenken’ voor ‘slapheid’.
De woorden hebben hun zeggingskracht verloren. Het maakt zijn werk onmogelijk.
Met de woorden gaat ook een beschaving ten onder, meent hij. ‘De eenvoud,’ schrijft Thucydides in het derde boek van De Peloponnesische oorlog, ‘werd uitgelachen en ging verloren.’
In het Engeland van vlak na de tweede wereldoorlog is het bon ton geworden om bloemen en kamerplanten niet langer bij hun gewone naam te noemen, maar bij hun Latijnse titel. Het vergeet-mij-nietje heet opeens een Myosotis. George Orwell noemt deze taalmode in zijn essay Politics and the English Language (verschenen in 1946), als een voorbeeld van pretentieus, onwaar taalgebruik. Zijn essay is een helder pleidooi tegen versleten uitdrukkingen, holle frasen, en standaardtaal. Tegen taal zonder nadenken, kortom.
Hij pleit voor taalpurisme. Niet vanuit sentimenteel conservatisme, ‘like preferring candles to electric light’, maar vanuit de visie dat schrijven zonder denken gevaarlijk kan zijn.
Woorden kunnen op twee manieren hun betekenis verliezen. De eerste is als niemand ze meer gebruikt. De uitdrukking ‘euvel duiden’, bijvoorbeeld, zal binnenkort misschien sterven. De tweede manier is als woorden gedachteloos worden gebruikt. Dan worden ze leeg. Zoals het woord ‘extreem’: dat heeft zijn kracht verloren en staat nu voor ‘tamelijk’. Het woord ‘respect’ betekent niet langer ‘hoogachting’. Het zijn de Zimbabwaanse bankbiljetten van het Nederlands. En als bankbiljetten hun waarde verliezen, kun je wel gaan bijdrukken, maar daarmee versterk je het effect. Als het woord ‘leuk’ niet meer leuk is zeggen we ‘superleuk’, ‘helemaal leuk’, ‘echt superleuk’ of ‘echt zo leuk’ — en ‘leuk’ keldert alleen maar verder in waarde. Het internet heeft een enorme impuls gegeven aan deze laatste manier van woordinflatie. Dankzij internet werd er nog nooit zoveel Nederlands geschreven als nu. Op blogs en fora tikken we er lustig op los. De cijfers van een website, vriendenplatform Hyves, mogen volstaan: de gebruikers typen daar tien miljard woorden per maand. Dat is — hier past een groot woord — duizelingwekkend.
Een heldere illustratie van betekenisverlies door klakkeloos gebruik is het x-je. Het is inmiddels zo normaal geworden om onderaan een e-mail de x-toets een tijdje ingedrukt te houden, dat het al zakelijk overkomt als je afsluit met maar een kusje. Een ander voorbeeld is het woordje ‘zo’. Zoals in: ‘Ik had het echt zo geschoten.’ Ook dat woord wordt te pas en te onpas gebruikt, liefst getypt met een flink aantal o’s. Ooit gaf de overheid een educatieve folder uit waarin een spellingsvereenvoudiging werd uitgelegd. ‘Niet zoo, maar zo’, heette die brochure uit 1934. Nu zou de titel moeten zijn: ‘Niet zo, maar op zijn minst zoooooo’.
Deze taalverschijnselen beperkten zich niet tot de frivole pagina’s van internet. Ook op condoleanceregisters kom je uitgesleten taal tegen. Nadat een Boeing van Turkish Airlines was neergestort, opende de NOS een forum op haar website. Bezoekers betoonden daar hun medeleven door een toets even ingedrukt te houden. ‘Ik wil iedeereen heeeeeel veeeeeel sterkte wensen,’ kon je er lezen. Maar ook: ‘recpect voor alle mensen’. En: ‘Super erg wat er gebeurt is!!’ Of simpelweg: ‘ereeeeeeeg!!!!’ Als ik dat lees, voel ik mij als een oude docent, die moe is van het schrijven van sic in de kantlijn. Dan krijg ik de lede ogen van Thucydides. Dan wil ik Orwell citeren. Dan wil ik de Caps Lock aanzetten en schreeuwen:

eerst nadenken, dan schrijven!!!

Maar ik houd me in. Want waarom maakt het forum mij eigenlijk zo boos? Waar komt het ongemak vandaan?
Misschien maak ik zelf een denkfout. Op internet is de drempel om iets te schrijven zo laag geworden, dat het verschil tussen schrijf. en spreektaal is weggevallen. Veel internettaal is bevroren spreektaal, maar mijn ogen zijn daar nog niet aan gewend. Mijn ogen zijn getraind door oude schrijvers die me geleerd hebben om geschreven taal te beschouwen als iets heiligs, iets hogers. Ik onderwerp spreektaal aan de eisen van schrijftaal. Ik lees het forum als een philoloog. En dus huiver ik.
Mijn ongemak komt voort uit het meten met verkeerde maten. Alsof ik een gezellig keuvelgesprek heb opgenomen op de band, de conversatie uitschrijf en vervolgens deze versie vol rode strepen opstuur naar mijn gesprekspartner. Dat is unfair.
Er is nog iets anders. Orwell was bang voor standaardwoorden. Hij zou nu zijn hart kunnen ophalen: het internet lijkt verliefd op afwisseling. Creatief, levend taalgebruik is de norm — zie alleen al het eigenwijze idioom van weblogs als Sargasso.nl of GeenStijl. Als het internet de oorzaak is van woordinflatie, dan is het ook het antidotum daartegen, al moeten we soms wennen aan de verschijningsvormen van dit tegengif.
Toen ik zocht naar plaatsen waar er nog werd nagedacht over woorden, kwam ik op de site van Marina Orlova, een jonge Russin die enkele jaren geleden een YouTube-kanaal over taal begon. Voor de webcam legt ze, gekleed a la Paris Hilton, de herkomst van vreemde woorden uit. ‘Hi, my name is Marina,’ begint ze haar eerste filmpje. ‘I’m a philologist.’ Marina doceert: ‘Philos, that means love, and logos means word. So philology is the love for the words...’. Later behandelt ze woorden als serendipity, sesquipedalian, floccinaucinihilipilification, polka dot en wiki. Het kanaal trekt miljoenen kijkers.
‘Words are so cool,’ zegt Marina steeds. Ik ben het met haar eens, al zou ik het anders formuleren.
Het internet verslijt onze taal soms, maar verrijkt die veel vaker. Het meest helder is dat misschien wel te zien aan de opkomst van de tekstuele tatoeage. Ooit was het repertoire voor tatoeages zeer beperkt. Een hartje, een anker, een gestileerde naam . dat was het wel. Het internet heeft gezorgd voor allerlei subgenres.
Een van meest interessante is de literaire tatoeage, zoals bijvoorbeeld te zien op de website Contrariwise.org, waar liefhebbers van literaire tatoeages elkaar treffen. Je ziet er foto’s van mannen en vrouwen met literatuur op hun lijf, van Dante tot Dylan Thomas, van Sophocles tot George Orwell. De ethiek is hier: alles mag, behalve standaardtaal.2
Het taboe op standaardtaal heerst ook op het forum van Tattoos on Chicks. Een tekst moet iets betekenen, vindt bijna iedereen, en standaarduitdrukkingen zijn betekenisloos. Wanneer een dissident schrijft: ‘Ik vind die betekenisbullshit echt onzin, tattoo is toch gewoon versiering.’, valt de meerderheid over die opmerking heen. Een cynicus zegt wellicht dat het bevel tot originaliteit ook weer een cliche op zich kan worden, maar intussen zijn tatoeages rijker dan ze ooit waren. Wie zomaar wat op de huid kwakt staat hier laag in de hierarchie. Orwell zou gelukkig zijn.
Die lust tot afwijken van de standaardtaal lijkt precies de reden dat het Nederlands nauwelijks gebruikt wordt voor tatoeages. Het Nederlands is daarvoor te gewoon, te alledaags, te standaard. Is er een beter argument denkbaar dat het goed gaat met die taal?
Dankzij internet denken mensen op dit forum na over taal, mensen die dat anders wellicht nooit zo hadden gedaan. Ze corrigeren elkaars fouten (‘Crescat komt van crescere en betekent groeien, niet geloven’, schrijft iemand) of leren elkaar de coniunctivus (‘heeft een meer subjectief karakter en drukt een wens, twijfel, mogelijkheid e.d. uit.’). Hoe langer ik er over nadenk, hoe meer bijzonder ik het vind.
Tijdens mijn bezoek aan Tattoos on Chicks was er heel even een moment dat ik wilde ingrijpen. Ik las dat iemand overwoog om ‘Suum cuique’ op haar lijf te zetten. ‘Dat betekent: let each have his own’, schreef ze, ‘Laat ieder het zijne/hare hebben. Ik weet niet hoe ik er ooit op kwam, maar het is echt een soort levensovertuiging geworden. Dat ieder mens verschillend is, en dat dat juist een positief iets is. En dat door die verschillen juist veel moois kan ontstaan. Elkaar respeceteren. En ja, dat past bij mij.’
Maar wat moest ik zeggen? Of ze wel besefte dat dit de woorden van Cicero waren? Moest ik betweterig spelfouten gaan verbeteren in haar spreekschrijftaal? Waar bemoeide ik me eigenlijk mee?
Ik hield me in. Suum cuique

.

1 Tegenwoordig kun je op Couchsurfing.com nog slechts kiezen uit drie recensies: positief, negatief of neutraal. De reden van die vereenvoudiging is dat gebruikers geen verschil meer zagen tussen‘positief ’ en‘extreem positief’. De sitebeheerder: ‘It seems to be the trend that less members distinguish between truly ‘extreme positive’ and ‘positive’ experiences. Now members will just choose to rate the experience as ‘positive’, ‘neutral’ or ‘negative’. (...) All current references will be automatically changed, so ‘extremely positive’ and ‘extremely negative’ references will be changed to ‘positive’ or ‘negative’, respectively.’
2 Die drang tot originaliteit is niet zonder risico, blijkt uit het bericht van ene Emily op Contrariwise.org. Emily heeft op haar linkerschouderblad een tatoeage met vier regels uit een gedicht van Emily Dickinson: Hope is the thing with feathers / That perches in the soul, / And sings the tune-without the words, / And never stops at all. Uniek . denkt ze. Tot ze op Contrariwise een bericht leest van Amy K, die ontboezemt hoe dit gedicht van Dickinson haar door een diep dal heen hielp, en ze voegt foto toe van haar tatoeage, met precies dezelfde vier regels als Emily. Die reageert: ‘I got this (tattoo, AvV) as a Christmas present this year and was sad to see that someone else on your blog has the same verse!’

Kleiner en kleiner

Leo Vroman

Wij worden steeds kleiner, bij de
Hollanders vergeleken;
een onvermijdelijk teken
dat wij aan verdwijnen lijden
terwijl het toch best met ons gaat
en met mijn voorlopige gestalte:
mijn ledematen doen niet al te
dwergachtig met hun formaat,
mijn benen passen nog in mijn benen,
mijn voeten hangend aan hun kuiten
steken toepasselijk naar buiten,
mijn knieën zijn nog niet verdwenen
in mijn borstkas, en mijn hoofd
— natuur of hemel zij geloofd —
zakt nog niet mijn keelgat binnen,
mijn vingers hangen niet als vinnen
aan een bont geschubde bast
maar schrijven hierna alvast
al of niet gepast
nog enige zinnen.
Reuzen uit ons moederland
bezoeken ons voorzichtig
en geven ons eigen spichtig
klauwtje de warme hand
van een olifant.
De zitkamer wordt altijd
ruimer na het afscheid
en dan, weer alleen,
missen we iedereen.

Fort Worth, 9 oktober 2009

Incident

Michiel Heijungs

Er bestaan bepaalde regels die niet te vinden zijn in wetboeken, verdragsteksten of jurisprudentie. Ongeschreven regels, maar wie er een beetje toe doet, kent die regels en houdt zich er aan: je rommelt niet met de vriendinnetjes van je gabbers, gokt niet met geleend geld, praat niet met de politie, schrijft niet in bibliotheekboeken en weigert niet een vriend bij te staan die in het holst van de nacht bij je aanklopt met het verzoek hem even te helpen bij het verbergen van de lijken.
Diezelfde regels verbieden verder nadrukkelijk het lastigvallen van anderen met jouw problemen, maar dat heeft Edje er niet van weerhouden mij uit bed te bellen. Klappertandend sta ik in de gang terwijl hij druk gebarend een ingewikkeld verhaal afsteekt. Om te beginnen hoef ik mij nergens zorgen over te maken, beweert hij. Dat is prettig om te weten want de tekenen zijn verder niet gunstig. Hij springt van het ene been op het andere, zijn pupillen nemen bijna zijn hele ogen in beslag en de dranklucht is te ruiken tot bij de buren. In zijn broekband steekt zijn favoriete 9 mm semi-automatische pistool. Zo’n type uit Oost-Europa met een magazijn voor 12 patronen, maar zonder veiligheidspal. Wie een dergelijk wapen op die manier bij zich draagt, heeft om te beginnen al een probleem. Met het oog op zowel mijn eigen als het algemene welzijn kan ik hem moeilijk eenzaam en alleen de koude, donkere nacht weer insturen. Ik probeer me te concentreren.
‘Sorry Ed, dat kon ik even niet volgen, vertel het nou nog eens rustig, ik sta nog half te slapen.’
‘Je moet ook opletten man, ik zeg je dat ik de auto twee straten verderop heb neergezet. Ze hebben me niet gezien en de nummerplaten zijn eraf dus daar hoeven we ons geen zorgen om te maken. Nu moeten we dus de jouwe nemen.’
‘De mijne?’
‘Ja, jouw auto. Waar heb je hem staan?’
‘Ik heb alleen een fiets, Ed. Probeer hier in de binnenstad maar eens een parkeerplaats te vinden.’
‘Dan huur je er toch een.’
‘Een auto?’
‘Nee, een parkeerplaats natuurlijk. Nu hebben we een probleem.’
Daar was ik al bang voor, Edje zou in quarantaine moeten liggen. Hij draagt steevast een gevarieerd assortiment problemen met zich mee, de meeste daarvan besmettelijk.
‘Wat is er nu eigenlijk aan de hand Ed, ik begrijp er nog steeds niets van.’
‘De lijken man, je moet me helpen die lijken te verbergen en hoe wou je dat doen zonder auto.’
‘Welke lijken?’ vraag ik en probeer de toon zo luchtig mogelijk te houden.
‘Van die Surinamers natuurlijk. Je weet wat ze zeggen: geen lijk, geen moord. Die gasten moeten daar weg.’
Ik begin me wat ongerust te maken. Kletspraatjes van bezopen of stonede mafketels hoor ik vaker dan me lief is. Meestal is er weinig reden tot bezorgdheid, maar Edje heeft een reputatie. Ik besluit meteen door te dringen tot de kern van de zaak: ‘Wat voor Surinamers, waar heb je het in godsnaam over?’
‘Bij de Grote Markt. Dat zeg ik toch net. Ik had ze eerst niet in de gaten, maar ik hoorde ze praten. Duidelijk Surinamers.’
‘En die heb jij neergeschoten?’
‘Natuurlijk, het waren er zes en ze kwamen van alle kanten tegelijk. Dacht je dat ik ze een tik op hun neus ging geven.’
Nee, dat zit er niet in, Edje is geen vechtersbaas, ook al heeft hij een paar keer gezeten wegens geweldsdelicten. Het is maar een klein kereltje en zijn veroordelingen betreffen vooral overtredingen van de vuurwapenwet. Hij slaat niet, hij schiet. Nauwelijks een geruststellende gedachte in dit verband. Als zijn verhaal ook maar voor één zesde klopt, zitten we allebei flink in de nesten: Edje, omdat je geen Surinamers mag neerschieten en ik, omdat je geen voortvluchtige moordenaars mag verstoppen. Straks staat hier zowel een arrestatieteam als de anti-terreur brigade op de stoep. Met een tank waarschijnlijk. Vragen gaan die jongens echt niet stellen. Sinds de keer dat Edje een ongewapende verkeersagent neerschoot omdat die liep te zeuren over een kapot achterlicht, is hij niet populair bij de handhavende instanties.
Intussen kan die gek geen moment stilstaan en stuitert als een pingpongbal door de gang. Ik krijg schele koppijn van zijn geratel. De marmeren vloer is ijskoud. Tijd om de vergadering te verplaatsen. Met zachte hand leid ik hem naar de zitkamer. Glaasje water, sigaret, even diep ademhalen, koffie zetten en de zaak nog eens rustig evalueren.
‘Wat was eigenlijk de aanleiding, Ed?’
‘Aanleiding?’
‘Ja, wat gebeurde er? Was het een overval? Kregen jullie ruzie?’
‘Ruzie?’
‘Ruzie, onenigheid, bonje, conflict, knokpartij, problemen, overval, ripdeal, weet ik veel. Er moet toch iets gebeurd zijn?’
Dat is nog maar de vraag. Als het Edje eindelijk lukt verslag te doen, blijkt dat het eerder om een preventieve actie ging: hij zat in zijn auto bij de Grote Markt. Rustig geparkeerd. Tijd voor een snuifje, misschien met een slokje erbij voor het evenwicht. Terwijl hij klungelde met een opengevouwen pakje en een bankbiljet, nam hij vanuit zijn ooghoek een steelse beweging waar. Gealarmeerd keek hij om zich heen en merkte dat een stuk of wat donkere gedaanten in zijn richting slopen. Enkele ogenblikken later zag hij zichzelf omsingeld door Surinamers. Zijn enige kans was om er zo veel mogelijk neer te schieten en er als de gesmeerde bliksem vandoor te gaan.
‘Weet je zeker dat je ze hebt geraakt?’ vraag ik voor de zekerheid. Edje reageert verontwaardigd: ‘Ik had twee magazijnen, allebei leeg. Heb je mij wel eens zien schieten?’
Een retorische vraag. Zeker heb ik hem wel eens zien schieten. Bij wijze van spreken dan, want het schieten zelf zag ik niet. Wel de directe gevolgen.

We hadden afgesproken op een parkeerterrein buiten de stad. Juist om veiligheidsredenen. Tegenwoordig is Edje misschien een doorgesnoven psychopaat, maar in die periode genoot hij nog een uitstekende reputatie als zelfstandig privé-koerier. Snel, discreet, redelijk geprijsd en uiterst betrouwbaar. Als kleine ondernemer maakte ik regelmatig van zijn diensten gebruik en kende zijn reputatie van horen zeggen. Echt in actie zag ik hem pas de avond op dat parkeerterrein. Daar overhandigde hij me volgens afspraak een belangrijk pakket. We wisselden een paar woorden en hij liep terug naar zijn auto. Zijn werk was gedaan. Op het moment dat ik zelf ook weer wilde instappen, doken twee kerels voor mijn neus op. De één zette een pistool tegen mijn slaap. De ander graaide naar het pakket in mijn hand. Nog voor hij dat te pakken had, hoorde ik twee knallen en zakten beide mannen vredig aan mijn voeten ineen. Edje had het tot zijn taak gerekend om even in de buurt te blijven totdat ik veilig was weggereden. Daarmee redde hij waarschijnlijk mijn leven. Die gasten hadden me zo kunnen afschieten en dat pakje was ik in ieder geval kwijt geweest, wat vrijwel op hetzelfde neerkwam. Ik was Edje nog iets schuldig.

Terwijl hij zich op mijn bankstel installeert, probeer ik hem verdere details te ontfutselen:
‘Heb je echt allebei je clips leeggeschoten Ed?’
Als antwoord haalt hij een magazijn uit zijn zak en een ander uit zijn wapen. Allebei leeg, geen kogel over.
‘Hebben die Surinamers zelf geschoten? Waren ze eigenlijk wel bewapend?’
‘Ze hadden knuppels en messen en ik heb ook een Uzi gezien, maar die liep meteen vast. Nog mazzel, anders had ik hier nu niet gezeten.’
‘Dus ze hebben niet geschoten?’
‘Kregen ze geen tijd voor, daar ga ik echt niet op zitten wachten.’
‘En ze zijn allemaal dood?’
‘Hoe moet ik dat weten? Ben ik een dokter, had ik soms een verbandje moeten aanleggen?’
Edje is van mening dat de Surinamers er zelf om hebben gevraagd. Het enige wat nu nog moet gebeuren is het verwijderen van de lijken.
Makkelijker gezegd dan gedaan. Ik kan moeilijk op de fiets springen en bij de Grote Markt gaan kijken of daar misschien een paar dode Surinamers liggen te wachten op transport. Hier en daar in de buurt aanbellen en vragen of iemand een schietpartij heeft opgemerkt lijkt me ook geen goed idee. In plaats daarvan probeer ik telefonisch informatie in te winnen bij enkele personen uit mijn kennissenkring waarvan het niet aannemelijk is dat ze op dit tijdstip liggen slapen. Vooralsnog heeft niemand iets gehoord over een incident op de Grote Markt, maar men is bereid eens wat rond te vragen en later terug te bellen.

Edje hangt nu onderuitgezakt op de bank. Hij heeft de tv aangezet, bekijkt de erotiekreclames zonder geluid en rookt een van zijn voorgedraaide jointjes. Ik neem voorzichtig de afstandsbediening uit zijn hand en schakel naar het lokale nieuwsoverzicht op teletekst:

- Slaande ruzie op stadhuis
- Toch sloopvergunning monumentale panden
- Bejaarde vrouw verjaagt Marokkaanse jongeren
- Doden en gewonden bij schietpartij

Verdomd, dat moet hem zijn. Helaas blijkt het te gaan om een uit de hand gelopen misverstand tussen een groep Turken en een clubje Antillianen over de leveringsvoorwaarden van bepaalde artikelen, in een heel ander deel van de stad. Alle betrokkenen zijn inmiddels veilig in cel, ziekenhuis of koelhuis beland en met het verhaal van Edje heeft het allemaal niets te maken.
Ik ga door met de ondervraging, maar hij is ondertussen half in slaap gevallen en de zaak lijkt hem nauwelijks meer te interesseren. Zijn pistool ligt op tafel. Ik pak het wapen en trek de slede naar achter. Niets. Ik ruik aan de loop. Mooi gebaar, maar met mijn gebrek aan reukzin volkomen zinloos. Ik vraag nog half voor de grap of hij soms een geluidsdemper heeft gebruikt en hij wordt zowaar even wakker:
‘Doe ik nooit,’ zegt hij en trekt een vies gezicht, ‘aan die dingen heb je helemaal niks.’ Ontploffen in je hand als je niet uitkijkt.’
In het daaropvolgende uur bellen de lieden die ik om informatie heb gevraagd één voor één terug. Hun verklaringen zijn eensluidend: niets bekend over een schietpartij bij de Grote Markt. Geen schoten, geen lijken, geen ambulances, geen kogels in muren, geen hulzen, geen verontruste burgers, niets. Ze hebben allemaal wel de Turken en Antillianen in de aanbieding, maar daar zitten we niet op te wachten. Het is half vijf, Edje ligt in coma op de bank en ik kan niemand meer bedenken om te bellen. Tijd om mijn bed weer op te zoeken.

De volgende ochtend vind ik Edje in precies dezelfde houding op de bank. Een moment denk ik nu zelf met een lijk in huis te zitten, maar het valt mee. Of tegen, het is maar hoe je het bekijkt. Edje is nog steeds onder de levenden en ik zit nog steeds met hem opgescheept. Na enkele koppen koffie probeer ik alsnog een samenhangend verslag van de gebeurtenissen van de vorige dag uit hem los te krijgen, maar zijn geheugen laat hem in de steek. De Surinamers kan hij zich levendig voor de geest halen, het vuurgevecht alleen vaag. Hij kan zich moeilijk voorstellen dat hij van plan was samen met mij op pad te gaan om de lijken te gaan verbergen. Het is nooit verstandig terug te gaan naar de plaats van de misdaad, zoveel weet hij nog wel. Andere feiten kan hij zich niet herinneren.
Ik vraag hem of zijn wapen voor honderd procent zeker geladen was.
‘Natuurlijk man, altijd. Als je met een ongeladen wapen gaat rondlopen, kan je het beter thuislaten.’
Klinkt heel redelijk zo vroeg op de dag, maar behalve dat hij absoluut zeker weet dat hij gisteravond nog twee volle clips had, kan hij er niets aan toevoegen. Het ochtendjournaal levert ook al geen vuurgevecht op, behalve opnieuw die Turken en Antillianen. We praten nog wat heen en weer, maar komen er niet uit. Met een smoes werk ik Edje de deur uit. We zullen allebei de eventuele ontwikkelingen nauwlettend in de gaten houden en contact opnemen als dat nodig is. Ik barricadeer de voordeur en neem me voor om eerst maar eens een week te gaan slapen.
In de dagen daarop vraag ik zelf nog hier en daar wat rond en volg het lokale nieuws aandachtig, maar nieuwe feiten komen niet boven tafel. Edje komt een paar keer langs, maar weet ook niet wat hij ervan moet denken. Het geval brengt hem in verlegenheid. Een paar keer vraagt hij me om er met niemand over te spreken of anders in ieder geval zijn naam niet te noemen.
Maar wat valt er nog te vertellen? Je weet het natuurlijk nooit, maar alles in aanmerking genomen lijkt het me onwaarschijnlijk dat Edje dit keer werkelijk iemand heeft omgelegd. Mijn doorgaans goed geïnformeerde contacten weten van niets. De media en de politie weten van niets. Geen schietpartij gemeld. Geen doden of gewonden aangetroffen.Wat blijft er dan over? Aan de lege clips te oordelen, heeft hij wel degelijk geschoten, maar waar, wanneer en op wie, is een raadsel. Bovendien, waarom heeft niemand die schoten gemeld? Waakzame burgers bellen normaal gesproken bij iedere knallende uitlaat onmiddellijk de politie.
Een verhaal met losse eindjes, maar voor Edje komt er mogelijk iets moois uit voort. Hij wil weer aan het werk en is heilig van plan om nu echt te kappen met al dat snuiven en zuipen. Een kwestie van eergevoel. Het is tot daar aan toe dat hij met een dronken kop op een stel Surinamers stond te schieten. Die dingen gebeuren. Hij kan ook prima leven met de gedachte dat sommige van die lui misschien denkbeeldig waren. Je hebt van die dagen. Maar dat hij met 24 kogels blijkbaar niemand heeft geraakt, dat gaat zelfs hem te ver.

Michiel Heijungs (1957) was onder andere journalist, instrumentmaker en entrepreneur. Hij schrijft sinds enige tijd korte verhalen. ‘Incident’ is zijn debuut.

Arjen van Veelen (1980) is classicus en journalist. Voor zijn essay ‘Suum cuique’ ontving hij de Jan Hanlo Essayprijs Klein 2009. Bij uitgeverij Augustus verschijnt dit voorjaar zijn essaybundel Over rusteloosheid.

Leo Vroman (1915) is dichter, tekenaar, bioloog en hematoloog. Alle malen zal ik wenen (2007), Nee, nog niet dood en Soms is alles eeuwig (2009) zijn zijn laatst verschenen titels.

Tirade

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum