Leesfragment: Bij Voltaires Candide

27 november 2015 , door Hans van Pinxteren

6 oktober verschijnt Voltaires Candide, of het optimisme in de nieuwe vertaling van Hans van Pinxteren in de Perpetuareeks. Vanavond kunt u het nawoord van de vertaler lezen.

Het kan allemaal niet beter in deze wereld, heeft de jonge Candide geleerd. Maar als hij wordt verjaagd uit het kasteel waar hij is opgevoed omdat hij de dochter van de baron heeft gezoend, leert hij een andere werkelijkheid kennen. Op zijn reis door de wereld wordt Candide geconfronteerd met oorlog en natuurrampen, en met mensen die elkaar afslachten vanwege nationalistische gevoelens of religieus fanatisme. Langzaam vallen Candide de schellen van de ogen.

Voltaire, het pseudoniem van François-Marie Arouet (1694-1778), heeft zijn leven lang een uiterst precaire gezondheid gehad. Bij zijn geboorte gaf de vroedvrouw hem nog geen uur te leven. Hij was altijd ziek of op sterven na dood. Maar hoewel zijn vrienden en ook hijzelf voortdurend dachten dat zijn laatste uur nu toch echt geslagen had, krabbelde hij telkens weer overeind. Opvallend is dat hij ondanks zijn wankele gezondheid altijd heeft gewerkt als een paard. Voor hem bleek dit dé remedie te zijn tegen ziekte en de vele tegenslagen die hem in zijn leven troffen.

Aanvankelijk legde Voltaire zich vooral toe op het schrijven van poëzie en tragedies (Oedipe, Zaïre): hij wilde Frankrijks grote toneelschrijvers uit de zeventiende eeuw, zoals Corneille en Racine evenaren, zo niet overtreffen. Een groter talent bleek hij te hebben voor het schrijven van historische werken (Le siècle de Louis xiv), van filosofische werken (Lettres philosophiques, Dictionnaire de la philosophie), van wetenschappelijke werken (Elements de la philosophie de Newton) en van satires, romans en vertellingen (Candide, Micromégas). Meer dan 800 werken staan op zijn naam. Voltaire, geboren als de zoon van een welgestelde Parijse notaris, werd in zijn tijd gevreesd om zijn ironie. Zodra hij wantoestanden zag of vond dat iemand misbruik maakte van zijn machtspositie, nam hij geen blad voor de mond. Dat leverde hem veel vijanden op. Hij leefde in een periode waarin Kerk en adel de macht hadden, maar het respect voor hun autoriteit moesten zij vaak afdwingen met oneigenlijke middelen. De bevolking werd klein gehouden en kritiek werd niet geduid. Ook een grote geest als Voltaire wist zich door de hogere standen geminacht, omdat hij ‘maar’ tot de derde stand behoorde, een gewoon burger was. Zodra hij door zijn scherpe tong de superioriteit van zijn geest liet blijken, kwam hij in diskrediet bij de gevestigde orde. Zo werd hij na het schrijven van een hekeldicht tegen Philippe d’Orléans, de regent van Frankrijk, in 1717 voor elf maanden opgesloten in de Bastille: in zo’n uiterst koel vertrek waar je, zoals het in Candide heet, ‘nooit last had van de zon’. In 1726 kreeg hij onenigheid met de chevalier de Rohan; de edelman van hoge afkomst gaf blijk van minachting voor de naam Voltaire. Deze reageerde fel: ‘Mijn naam komt op met mij, de uwe gaat met u ten onder.’ Twee dagen later werd hij door een paar mannetjes van de chevalier in een hinderlaag gelokt en met een stok afgeranseld. Toen Voltaire daarop de edelman uitdaagde voor een duel, schakelde deze de politie in. Voltaire belandde opnieuw in de Bastille, maar werd algauw uit zijn gevangenschap ontslagen, op voorwaarde dat hij naar Engeland zou uitwijken. Tweeënhalfjaar bleef hij in dit land in ballingschap. Hij leerde Engels, ontmoette vooraanstaande schrijvers als Swift, Pope en Young, maakte kennis met de ideeën van Locke en Newton. Het terrein van de menselijke kennis, zei de empirist Locke, de eerste filosoof van de Verlichting, moet aan een nieuw onderzoek onderworpen worden. De mens moet zijn eigen verstand durven gebruiken in plaats van gebonden te zijn aan niet-verstandelijke opvattingen. De geest kan geen enkele zekerheid, geen enkele absolute waarheid a priori kennen. Een van de meest benijdenswaardige zaken in Engeland vond Voltaire wel dat hier de dogma’s van de heersende Kerk door kritische geesten in twijfel werden getrokken, zonder dat deze bang hoefden te zijn in de gevangenis te belanden.

Terug in Frankrijk propageert Voltaire deze ideeën in zijn Lettres philosophiques (1734). Hierin levert hij kritiek op de Franse maatschappij met haar intolerantie, haar despotisme, haar privileges en haar vooroordelen. In bewonderende artikelen over Bacon, Newton en Locke doet Voltaire een directe aanval op de absolute macht van de koning en op de autoriteit van de katholieke Kerk, spot met dogma’s, fanatisme en bijgeloof – als zijnde middelen waarmee het volk onmondig wordt gehouden. Met dit werk wordt hij de grote voorganger van de Verlichting in Europa. De publicatie van de Lettres Philosophiques veroorzaakt een schandaal in Frankrijk. Kerk en Staat reageren fel, en om niet opnieuw in de Bastille te belanden vlucht Voltaire naar het onafhankelijke Lotharingen. Niet veel later neemt hij zijn intrek in het vlak bij Lotharingen gelegen Cirey, in het kasteel van de markiezin du Châtelet. Met haar zou hij tot haar dood, in 1749, samenleven en vooral samenwerken.

Vrienden die in Cirey te gast zijn, berichten over de ontembare werkdrift van Voltaire en zijn geliefde. Een gewone werkdag begint daar om vijf uur ’s ochtends, en met korte onderbrekingen voor een koffiepauze en een lunch werken de markiezin en hij door tot het avondeten. Samen bestuderen ze literaire teksten en wetenschappelijke werken (Madame du Châtelet vertaalde onder andere Newton). Hun belangstelling gaat uit naar scheikunde, natuurkunde en sterrenkunde. In een van de kamers, die is omgebouwd tot een soort laboratorium, verrichten ze natuurkundige proeven. En ’s avonds voeren ze samen met de gasten, bij wijze van ontspanning, in het kleine theater dat ze op zolder hebben ingericht, komedies en tragedies op, vaak die van Voltaire zelf.

Van 1745 tot 1747 verblijft Voltaire aan het hof van Versailles, maar aan het eind van deze periode valt hij opnieuw in ongenade. Van 1750 tot 1753 is Voltaire te gast bij de koning van Pruisen. Vooral dit verblijf aan het hof van Frederik ii, die zich als kroonprins een vurig aanhanger van de door Voltaire geponeerde Verlichtingsideeën had betoond, loopt uit op een bittere teleurstelling. Als koning blijkt Frederik een despoot: Voltaire ervaart aan den lijve dat de praktijk van het regeren tot heel andere resultaten leidt dan waar de filosofie op speculeert. Als hij niet danst naar de pijpen van de vorst, krijgt hij via een van Frederiks andere gasten te horen hoe deze nu over zijn hoffilosoof denkt: ‘Ik geef hem hier nog één jaar. Je perst de sinaasappel uit; daarna gooi je de schil weg.’ Geschokt en vrezend voor zijn leven verlaat Voltaire halsoverkop Berlijn. Tegen deze achtergrond is Candide ontstaan. Voltaire is vierenzestig als hij het schrijft. Ondanks het persoonlijk leed waardoor hij is getroffen (onder andere de dood van Madame du Châtelet), ondanks zijn op een desillusie uitgelopen verblijven aan het hof van Versailles en dat van Berlijn, ondanks de hevige ontsteltenis die recente wereldcatastrofes (de aardbeving van Lissabon en het uitbreken van de Zevenjarige Oorlog) bij hem teweegbrengen, is dit boek met een bijna kwajongensachtige ironie geschreven. Naar het voorbeeld van schrijvers als Swift en Pope is Voltaire in 1748 begonnen met het schrijven van verhalend proza dat de ideeën van de Verlichting uitdraagt. Van deze filosofische romans, zoals Voltaire zijn vertellingen wel heeft genoemd, is Candide het onbetwiste meesterwerk. Hoewel Candide leest als een avonturenroman, is het geschreven vanuit een filosofische stellingname. Het is een satire op het optimisme van Leibniz. Volgens Leibniz zijn er oneindig veel werelden denkbaar, die God alle heeft overwogen voor hij de feitelijke wereld schiep. Aangezien God goed is, besloot hij de best mogelijke wereld te scheppen. Deze theorie, die Leibniz ontvouwt in zijn Théodicée, vereenvoudigt Voltaire tot: ‘Het kan allemaal niet beter in de beste wereld die je je maar denken kunt.’ Het was een opvatting die maar al te graag werd aangehangen door de gegoede stand uit Voltaires dagen, en in zijn jonge jaren had hij dit optimisme zelf ook beleden. Zo schrijft hij in 1736 in het gedicht ‘Le Mondain’: ‘Het aards paradijs is daar waar ik ben.’ Van deze optimistische kijk is na alle desillusies in zijn leven weinig meer over. In zijn ‘Poème sur le désastre de Lisbonne’ (1756) betoogt hij al: ‘Alles is goed, lijkt me een heel belachelijke uitspraak, als overal het kwaad heerst, zowel te land als op zee.’

Elk hoofdstuk in Candide laat ons kennismaken met een andere vorm van het kwaad: metafysisch kwaad (aardbevingen, scheepsrampen) én kwaad dat de mens veroorzaakt: oorlog, fanatisme, slavernij, schurken treken. Voltaire houdt in deze roman de mens een spiegel voor waarin hij hem laat zien tot welke gruwelen hij in staat is als hij de rede niet kritisch gebruikt. Voltaire doet dit vrijwel steeds zonder directe beschuldigingen, op een absurdistische wijze; en als in al zijn werken haalt hij met het wapen van de ironie op een schijnbaar naïeve manier de voetstoots geaccepteerde waarden onderuit. Een mooi voorbeeld van deze absurdistische wijze van vertellen is het moment dat Candide, nadat hij is weggelopen uit het Bulgaarse leger, weer wordt opgepakt. Hij kan kiezen wat hij liever wil: ‘zesendertig keer door het hele regiment gegeseld worden, of ineens twaalf loden kogels in zijn hersens’. Hoewel hij het een noch het ander wil, besluit hij ‘gebruik makend van de goddelijke gave die vrijheid wordt genoemd, zesendertig keer spitsroeden te lopen’ (pag. 16).

In Candides ontwikkeling weerspiegelt zich die van Voltaire zelf: hij geeft aan zijn held zijn eigen naïviteit als jongeman mee; het rijpingsproces dat Candide doormaakt naar aanleiding van zijn reizen en belevenissen komt overeen met het rijpen van zijn eigen geest, en wanneer Candide aan het eind van het boek een soort commune sticht, doet dit sterk denken aan de laatste stap van Voltaire: het zich terugtrekken uit de grote wereld, niet om voor zichzelf te gaan leven, maar om een meer sociale, menselijke betekenis aan zijn werk te geven. De tuin die de schrijver ons in zijn conclusie uitnodigt te bewerken, is de wereld.

Voltaire brengt zijn gezegde ‘il faut cultiver notre jardin’ de laatste twintig jaren van zijn leven, na de voltooiing van Candide, meer dan ooit in praktijk. De werkdrift die hij ontplooit op het landgoed Ferney, dat hij in 1759 heeft gekocht, is ongelofelijk. Uit de verhalen van ooggetuigen blijkt hoe door zijn toedoen het levensniveau van de behoeftige bevolking drastisch wordt verhoogd. Hij zorgt dat er behoorlijke huizen voor de arbeiders komen, bevordert de landbouw door het ontginnen van gronden en de drooglegging van een moeras. Hij zet een zijdefabriekje en een horlogefabriekje op. Bovendien correspondeert hij met de vorsten en de belangrijkste geesten van Europa. (Meer dan zesduizend brieven dateren uit deze periode.) Hij ontvangt in zijn kasteel vorsten, diplomaten, musici, bewonderaars uit alle landen van Europa. Hij organiseert toneelvoorstellingen en speelt daar zelf in mee. Hij schrijft artikelen voor de Encyclopedie van Diderot en d’Alembert. Als ook de Encyclopedisten het aan de stok krijgen met de Kerk, ondersteunt hij hen met pamfletten en schotschriften. ‘Ecrasez l’infâme,’ (vernietig het infame) wordt dan zijn beroemde slogan tegen het fanatisme van de Kerk. En intussen voert hij tegen de ondeugdelijke rechtspraak in Frankrijk jarenlange campagnes. Door op deze manier de publieke opinie te bewerken, weet hij uiteindelijk eerherstel te verkrijgen voor een aantal slachtoffers van juridische dwalingen en religieuze onverdraagzaamheid. Voltaires strijd is een eerste stap geweest naar verbetering van het rechtssysteem.

Geboren in een tijd waarin de adelstand haar plichten tegenover de onbedeelden niet meer nakwam, heeft Voltaire van jongsaf gestreefd naar een aristocratie van de geest. Van een ware grootheid van geest getuigt misschien nog wel het meest de conclusie die hij aan het eind van zijn leven trekt, bij het opmaken van de balans: ‘Ik heb een beetje goed gedaan. Dát is mijn beste werk.’

Athenaeum - Polak & Van Gennep

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum