Leesfragment: Brandlucht

27 november 2015 , door Erik Vlaminck

25 augustus verschijnt de nieuwe roman van Erik Vlaminck: Brandlucht. Dit weekend publiceren we eruit voor.

Kun je een streep zetten door je afkomst en opnieuw beginnen – zonder familiebanden? De hoofdpersonen in deze roman proberen het ieder op hun eigen manier – met verschrikkelijke gevolgen.

‘Net zoals bij Suikerspin heb ik ervoor gekozen om met Brandlucht een verhaal te schrijven met een donkere ondergrond, maar ook met de nodige humor. Om het boek te kunnen schrijven verbleef ik in Canada, in de streek rond London Ontario, waar veel Nederlandse en Vlaamse emigranten wonen. Hun vaak verstarde en met heimwee doordrenkte leefwereld vormt het decor voor Brandlucht.’ – Erik Vlaminck

Elly, geboren en getogen in het Canadese Saint Thomas, is het enige kind van een Belgische vader en een Nederlandse moeder. Door het slechte huwelijk van haar ouders is Elly’s verhouding met hen zwaar beschadigd. Het liefst zou ze weggaan en alle schepen achter zich verbranden.

Jaren later heeft ze zelf problemen met haar dochter Linda, die tot haar schrik ontdekt dat haar moeder en grootmoeder leven met ieder hun eigen waarheid over het verleden. De verschrikkelijke gevolgen daarvan kan ze niet voorkomen.

Erik Vlaminck laat op zijn geheel eigen wijze de verschillende stemmen klinken in deze roman over de banden van het bloed en het verleden. De vader en moeder van Elly vertellen hun verhaal, Elly zelf, en tot slot Linda. Ieder van hen kijkt anders naar de gebeurtenissen, en toch hebben ze allemaal gelijk.

'Je laat je eigen moeder in de steek.' Dat zegt ze.
Nog voor ik kan reageren voegt ze er sissend aan toe: 'Je maakt me bovendien te schande. Al jaren. En opzettelijk.'
Ze wacht even. Vijf seconden, tien seconden… En dan: 'Weet je wat ik ook zó verschrikkelijk vind? Dat je je eigen naam niet meer gebruikt. Ik kan het enigszins begrijpen dat je je achternaam verfoeit want dat is de naam van je vader, die mij zo onheus behandeld heeft. Maar je voornaam, die is je met liefde gegeven. En toch weiger je hem te gebruiken.'
Ik zwijg.
Ik weet waarom ik zwijg.

Twee maal per week ga ik bij haar langs. Twee maal per week verdraag ik gedurende anderhalf uur de muffe stank van oude vrouw in dat ongeluchte en bedompte huis. Twee maal per week verdraag ik litanieën van verwijten.
In haar stem zit altijd klank van klagen. Altijd. Ook wanneer ze een zeldzame keer zegt dat de koffie lekker is. Ook wanneer ze op zondag hagelslag van De Ruijter op haar wittebrood schudt en daarbij zegt: 'Thuis kwam zoiets alleen op tafel wanneer er wat gevierd werd.'
En 'thuis', dat is Zundert. Ook al woont ze ondertussen vijftig jaar in Ontario.
Er gaat trouwens geen dag voorbij of ze zegt dat ze van Zundert is.
Al moet ze het tegen de krakende houten wanden van haar Canadian cottage zeggen.
En dat de beroemde schilder Vincent van Gogh ook in Zundert gewoond heeft, meer zelfs: dat hij daar, net als zij, ter wereld is gekomen. Dat geleuter over de geboorte van Van Gogh hoort er onlosmakelijk bij wanneer Zundert ter sprake komt. Met nog wat ander hol gewauwel er bovenop. Dat Vincent daar op de weg naar Achtmaal, op de eigenste plek waar zij haar kindertijd heeft doorgebracht, fluitend heeft rondgelopen met zijn schildersezel op zijn schouder en met platgeknepen verftubes in de zakken van zijn fluwelen broek.
Alsof ze Vincent van Gogh zelf gekend heeft. Alsof ze de rouwranden van onder zijn vingernagels gepeuterd heeft.
Er hangt trouwens een door het zonlicht gebleekte imitatie van De aardappeleters van Van Gogh aan de muur in haar slaapkamer. Ook die klauwende en kauwende knollenvreters woonden volgens haar in Zundert. Ook over hen praat ze alsof ze hen zelf gekend heeft.
Ik heb het een keertje opgezocht en toen bleek dat die bende armoezaaiers in de jaren achttienhonderd en zoveel in een godvergeten plek met de naam Nuenen woonde en helemaal niet in Zundert. Het valt mee dat ze niet beweert dat de Eiffeltoren en het Liberty Statue in Zundert staan.

De vergulde lijst met ontspiegeld glas waarin ze haar namaakschilderij etaleert is allicht tien keer meer waard dan de verkleurde prent zelf. Die hele slaapkamer van haar is een pandemonium van kitsch, quatsch en wakke nostalgie. Een beddensprei in vergeelde roze nylon, een tuil al even vergeelde plastic tulpen in een fluorescerende purperen vaas, een gekruisigde Christus die de helft van zijn plaasteren hoofd kwijt is en bij wie een bruine verdorde palmtak achter de rechterarm steekt, een rekje met theelepeltjes met Zeeuwse wapenschilden op de steeltjes, gehaakte en gebreide kussens in kleuren die pijn doen aan de ogen, en ga zo maar door.
De rommelwinkel van het Leger des Heils verzinkt in het niets bij dit spektakelmagazijn.
Ze zegt dat die slaapkamer haar trots is, haar baken in de nacht. Ze zegt dat haar vriendinnen er stuk voor stuk stikjaloers op zijn.
Alsof ze vriendinnen heeft. Alsof er bakens zijn die haar nacht kunnen verlichten.
Mijn maag blokkeert wanneer ik mijn moeder bezoek. Ik proef het zuur op mijn huig wanneer ik aan haar denk. En toch ga ik twee keer per week bij haar op bezoek. En toch ga ik er opruimen, stoffen en poetsen. En elke keer zegt ze dan: 'Je laat je eigen moeder in de steek.'
Terwijl ik de vaat doe of de ramen zeem, zeurt zij onophoudelijk door. Voor de honderdste keer moet ik, na de geboortekwestie van Vincent van Gogh, alle nare details van het ellendige verhaal over mijn eigen geboorte aanhoren.
Dat ze maar al te goed wist dat er een groeiend en stampend kind in haar ingewand zat maar dat ze hoegenaamd niet wist hoe en langs waar het eruit zou komen. Dat niemand er haar ooit wat over verteld had en dat ze niet beter wist dan dat het kind er door haar navel uit moest. En dat er absoluut niemand was die ze om raad kon vragen want over zulke private aangelegenheden kon een vrouw met goed fatsoen niet spreken.
'Had je daar in Zundert dan nooit een koe zien kalven? Je vertelt toch altijd over de boeren die je daar kende.'
'Hoe kan je zoiets zeggen!? Een mens vergelijk je toch niet met een beest. Dat is godslasterlijk.' De speekselbellen vliegen tot halverwege de tafel. 'Toen de pijn in golven aan kwam rollen, toen haalde Tony zijn jas van het haakje en hij nam zijn autosleutel en met een zekerheid alsof hij er alles van wist zei hij dat het tijd was om naar het hospitaal te vertrekken.'
'Hij wist er in ieder geval iets van. Want hij had dat groeiende en stampende kind er in gestoken.'
'Haal alles maar neer.'
'Ik haal niets neer.'
Geen enkele reactie kan haar tot zwijgen brengen. Ze zeurt gewoon eindeloos verder. Tot de gordijnen er stijf van staan.
Dat ze nog nooit in haar leven in een hospitaal was geweest. Dat ze vol schrik en twijfels zat. Dat ze pijn had zoals ze nooit tevoren pijn had gehad. Dat ze dacht dat haar buik zou gaan openscheuren. Dat ze er heilig van overtuigd was dat haar buik zou gaan openscheuren.
Ik verlaat de keuken. Ik zeem de ramen aan de buitenkant en wanneer ik weer binnenkom zit ze daar nog steeds te lamenteren. Het gaat dan over verpleegsters en over dokters die betaald werden en worden om onvriendelijk en nors te zijn. En dat ze, toen bij dat bevallingsdrama, nog niet lang genoeg in Canada was om het snelle Engels van die verpleegsters en dokters te begrijpen. En dat ze zonder mededogen naakt, poedelnaakt met alle intimiteit bloot, op een hoog ijzeren bed, op een kil rubberen matras werd gehesen. Een laken was er niet. Er was zelfs geen hoofdkussen en daardoor werd, hoe banaal het ook mag klinken, de pijn helemaal ondraaglijk. Maar het Engelse woord voor hoofdkussen, dat kende ze toen niet. En mocht ze het wel gekend hebben, dan had ze er allicht toch niet naar durven vragen want de verpleegsters blaften haar af alsof ze een onwaarschijnlijke lastpak was.
Waarom verwondert mij dat niet?
Terwijl een verpleegster bezig was haar polsen met snijdende riemen aan het bed vast te binden trok een andere, een zwarte godbetert, zonder veel poespas dikke elastieken kousen over haar gezwollen benen. Daarna tilden ze haar benen, als waren het balen stro, in ijzeren beugels. Omdat ze krijste en gilde hebben ze haar toen in slaap gebracht. Ze hebben gewoon een prop in ether gedrenkte watten onder haar neus geduwd. En daarom weet ze niet hoe het verder is gegaan.
'Gelukkig maar,' zeg ik.
'Gelukkig maar,' zegt zij.
We zeggen krek hetzelfde. We bedoelen totaal iets anders.
Twee minuten valt ze stil, zit ze met malende kaken aan het tafeleind, wriemelt ze met stijve vingers aan de vieze franjes van het tafelkleed.
En dan barst de woordenstroom weer ongeremd los. Dat mijn vader, die de complexe gevoelens en verlangens van een vrouw niet wilde kennen, er niet aan dacht om geboortekaartjes te laten drukken. Dat hij vond dat ze te weinig mensen kenden om de drukkosten te verantwoorden. Dat zij nochtans zo ontzettend graag kaartjes had verstuurd naar haar vriendinnetjes uit Zundert. Naar Marietje Arnouts, naar Nettie van den Bleeken, naar Leentje Sanders. Dat ze dan wel geen adressenboekje had maar dat ze alle adressen glad uit het hoofd kende. Dat ze alle adressen trouwens nog steeds glad uit het hoofd kent.
'Geloof je me niet?'
'Ik geloof vast dat jij alle adressen van heel Zundert glad uit je hoofd kent.'
'Je gelooft me niet. Ik wist het.'
'Zouden Marietje Arnouts en Nettie van den Bleeken en Leentje Sanders ook ergens als geslagen honden aan een tafeleind zitten en hun dochter hoorndol zeuren?'
'Zeur ik jou hoorndol? Je zou je mond met zeep moeten gaan uitwassen nadat je je bloedeigen weerloze moeder zulke dingen verweten hebt. En wat Marietje en Nettie en Leentje betreft: in mijn gedachten zijn het jonge meisjes.'
En dan zwijgt ze. Eindelijk. Dan malen haar kaken en friemelen haar vingers.

Toen ik op de lagere school zat werd voor een of andere lesopdracht verwacht dat we een geboortekaartje mee naar de klas brachten.
Ik heb haar er toen naar gevraagd. Toen had ze een totaal ander verhaal dan wat ze me nu vertelt. Toen zei ze dat ze geen enkel exemplaar meer bezat.
Dat ze allemaal, tot en met het allerlaatste, verstuurd waren, mijn geboortekaartjes. Naar Nederland en naar België. Opdat de hele wereld zou weten dat ik geboren was.
Ik ben toen naar vader gegaan. Naar het duivenhok. Hij was er met een krabber bezig de slaapplekken schoon te maken.
'Dag Boterbloemeke,' zei hij.
En: 'Ge ziet er zo ongelukkig uit.'
Ik vertelde hem dat alle kinderen uit mijn klas geboortekaartjes hadden, behalve ik. De meisjes blauwe met ooievaartjes erop. De jongens roze met ingeduffelde baby'tjes erop. Vaak met goudkleurige letters bedrukt.
'Tja,' zei hij, 'uw moeder vond het indertijd, omdat zowel zij als ik amper familie hebben, niet nodig om er geld aan uit te geven.' En hij gaf me een duivin in mijn handen. Zijn 'beste'.
Voorzichtig omknelde ik het warme lijfje.
'Voelt ge het hartje kloppen?'
Terwijl ik knikte, zei hij: 'Uw moeder en geld uitgeven, dat zijn twee dingen die nooit goed zijn samengegaan.'

Haar kaken malen. Haar handen liggen, tot vuisten gebald, voor haar op de tafel. Ik wrijf met alle kracht die ik in me heb de vetvlekken van het aanrecht.
En dan begint het weer helemaal van voor af aan.
'Je laat je eigen moeder in de steek. En je liet me al in de steek toen je vader er nog was. En weet je wat het ergste van alles is…'
Soms fantaseer ik erover dat ik vergif in haar soep of in haar thee meng. Soms denk ik eraan om in Vancouver of in Texas of in Australië te gaan wonen. Misschien moet ik gewoon haar huis in brand steken.

[...]

© Erik Vlaminck

Uitgeverij Wereldbibliotheek

MINDBOOKSATH : athenaeum