Leesfragment: Vrede op Ithaca

27 november 2015 , door Sándor Márai

23 augustus verschijnt het nieuwe boek van Sándor Márai: Vrede op Ithaca, vertaald door Frans van Nes. Vanavond kunt u al een fragment eruit lezen.

Na jarenlange omzwervingen komt Ulysses weer thuis op Ithaca. Maar hoezeer hij ook verlangde naar huiselijke rust en vrede, voor zijn vrouw en kinderen is hij een vreemde geworden. Hij kan niet meer aarden.

In Vrede op Ithaca heeft Sándor Márai van de mythische figuur Ulysses, zoals Odysseus bij hem heet, een mens van vlees en bloed gemaakt, een man die in het volle leven staat en denkt dat hij heer en meester is over zijn eigen bestaan. Maar de goden hebben anders beslist.

Net als in Kentering van een huwelijk laat Márai in Vrede op Ithaca drie vertellers aan het woord, die ieder hun eigen beeld hebben van de hoofdpersoon Ulysses: zijn vrouw Penelope, zijn zoon Telemachus en zijn bastaardzoon Telegonus vertellen ieder over de man die ze menen te kennen. Dat levert drie totaal verschillende verhalen op. In de epiloog voegt Márai hier zijn eigen beeld van Ulysses aan toe. Zo stelt hij in deze roman de universele vraag in hoeverre wij in staat zijn de ander echt te leren kennen, terwijl ieder van ons zo hunkert naar werkelijk contact.

Voorzang

Aan zijn rechterarm werd het touw losser. Hij rekte zich uit. Het gezang
Was nu dichtbij. Hij luisterde. Nu herkende hij ze:
Zij waren het, de sirenen.
Het gezang klonk hees, zinnelijk, olieglad. De metgezellen sliepen.
Hun oren zaten vol was. Ze droomden. Over hun thuiskomst,
Over de wraak van de zonen, of de vaders!
Hij kreunde, machteloos. Pallas Athene, waar zit je nu?
Het vlot dreef voort met klotsende riemslagen, de grijze zee sperde zijn gruwelijke keelgat open.
Het gezang verwijderde zich. De zeilen gierden.
Ineens werd hij bang. De kracht week uit zijn ledematen -
Hij kreunde. Hij vreesde zijn thuiskomst op Ithaca.

 

Eerste zang
Penelope

I

Mijn man zaliger had een ongedurige inborst. Het liefst was hij voortdurend onderweg.
Maar als hij niet onderweg was en hier bij ons op Ithaca verbleef, als hij in mijn sponde lag en mij in zijn armen hield, had ik altijd het gevoel dat ik me op een schip bevond, of op een traag voortdrijvend vlot. Het is lastig uit te leggen. Wie met hem samenleefde, was zelf ook altijd op reis, in een trage en regelmatige beweging. Het was moeilijk om hem te benaderen, omdat hij in een toestand van voortdurende verwijdering leefde. En de geur van zijn huid deed aan die van de zee denken.
Aan onze lotgevallen en onze familiegeschiedenis heeft de wereld al te veel woorden verspild. De laatste tijd is mij meer dan eens gevraagd om de waarheid te vertellen en mijn herinneringen te boek te stellen. Al die verzoeken heb ik afgewimpeld. Niet alleen omdat ik zulke onthullingen beneden mijn stand acht. Ik heb de nieuwsgierigen vooral moeten teleurstellen omdat de schrijfkunst in onze tijd - ik doel op de tijd dat ik samenleefde met mijn echtgenoot - nog een uitgesproken platvloerse, minderwaardige bezigheid was. In die tijd, waarin zowel mijn man als ikzelf nog tot de mensen behoorde, deden de verfijndere lieden niet aan schrijven. Als zij de wereld iets te zeggen hadden, namen ze de lier ter hand en hieven een lied aan. Dichters, en iedereen die verder nog tot formuleren in staat was, koesterden een diepe minachting voor de slavenarbeid van het schrijven. Ze gingen voort in de wind, met hun lier in de hand, en zo zongen ze. Mijn man hield van het vijfsnarige instrument en wij hadden altijd iemand bij ons wonen die in metrische verzen over de lotgevallen van de Achaeërs verhaalde. Deze man werd afzonderlijk gespijzigd en ook kreeg hij wijn uit een zilveren mengvat, om zijn zanglust aan te moedigen. Mijn echtgenoot trok partij voor de literatuur.
Ik herinner me een man die geruime tijd in ons huis rondhing en later, toen alles zo pijnlijk en rigoureus was veranderd, met zijn lier onder zijn arm op weg ging om overal op de eilanden zijn lied aan te heffen. Deze man was blind. Soms zie ik zijn gezicht vaag voor me. Hij was oud en mager en hij kon met zijn blinde ogen kijken alsof hij iets zag. Later ben ik erg boos op hem geweest. Het verhaal dat hij vertolkte was onzorgvuldig. Hij zong er maar wat op los, meer ligt ook niet in het vermogen van een blinde die slechts een vermoeden heeft van de waarheid, maar haar niet kent. De enige die de waarheid kent, ben ik, die bij mijn echtgenoot in bed heb gelegen en vervolgens twintig jaar op hem heb gewacht. De schrijfkunst wil ik echter niet meer leren. Daarvoor ben ik te oud, mijn onsterfelijkheid en mijn eeuwige jeugd ten spijt. Ik geef er de voorkeur aan te vertellen wat ik weet. Ik zal het langzaam vertellen, op de manier waarop hij soms sprak als hij - 's winters - met ons bij de drievoetige ijzeren korf met de vuurgloed ging zitten en begon te verhalen. Soms hoor ik zijn stem nog. Hij klonk als de zee.

II

Ik weet niet eens waar ik moet beginnen. Nu de herinneringen me overvallen, voel ik ineens hartkloppingen, alsof het te veel is wat ik moet zeggen en onbevattelijk als de zee. Want alles herinnert altijd aan de zee als ik aan mijn man zaliger denk. Aan land was hij altijd alleen maar te gast. Maar op zee was hij thuis en als hij zijn vlot betrad, glansden zijn ogen. Op Ithaca heb ik zijn ogen nooit zo zien glanzen als toen hij vanaf zijn vlot naar ons, achterblijvers, zwaaide.
Misschien was dat ook wel de reden dat Poseidon hem haatte. Hij was jaloers op hem. Niemand weet daar het fijne van, alleen ik. De praatjes die er later rondgingen, en wat die kletskous van een Tiresias bij de poort van de Hades staat uit te kramen: allemaal uit de lucht gegrepen en gelogen. Poseidon haatte mijn man niet vanwege diens moord op die naarling van een zoon van hem, dat stotterende rund van een Polyphemus met zijn ene oog. In onze kringen legt een moord niet veel gewicht in de schaal. In onze wereld worden leven en dood anders beoordeeld dan in die van de mensen: wij, die zowel mensen als goden waren, weten dat de dood niet meer is dan een misverstand. Nee, Poseidon haatte mijn man, omdat hij jaloers op hem was: ze waren allebei goden, en voordat de Grieken, die ik geen warm hart toedraag, het stamland van mijn man, Arcadië en Boeotië, binnentrokken, is er een tijd geweest dat het volk van Arcadië mijn man als een god vereerde. Hij is lange tijd de god van de zee geweest. Later heeft dat ongure Griekse volk hem verdreven, samen met de andere Arcadische goden, en hem tot een eenvoudige heros gedegradeerd. Een heros, mijn man! Ik kan dat rustig zeggen, want zelf ben ik ook van goddelijke, Arcadische afkomst. Mijn vader Icarius was van Arcadië naar Sparta getrokken. Had hij dat maar nooit gedaan! Het is echter mogelijk dat ook dat de wil is geweest van onze machtige verwanten, de goden.
Dat doet er nu niet toe. Als ik over hem spreek, lijkt het altijd net alsof ik nog een aardse vrouw ben, in de overgang: soms stijgt het bloed me naar mijn hoofd. Alles om hem heen was wonderbaarlijk: wonderbaarlijk en tegelijk verdacht. Ja, in Arcadië was hij nog een god geweest, de god van de zee. Onder de goden had veel afgunst geheerst: Pallas Athene, die me hier op het eiland Aeaea zo nu en dan komt bezoeken - ze is een oude huisvriendin; onder het genot van een weinig ambrozijn of een kopje nectar onderhouden wij ons urenlang met elkaar over vroeger tijden, toen de goede oude Olympus met zijn voortreffelijke hofleven nog bestond - zegt dat de goden tegenwoordig niet meer afgunstig zijn op elkaar, maar veeleer op de mensen. De mens, zegt mijn uilogige vriendin, gedraagt zich tegenwoordig als een god, hij loopt rond te paraderen tussen hemel, aarde en water zoals eertijds Zeus, de wolkenverzamelaar. Dat bericht heeft me aan het denken gezet. De mensen, om precies te zijn de Grieken, hebben bij het afzweren van de oude goden ook mijn man vervalst: van een Arcadische god van eenvoudige, maar goede komaf hebben ze een Griekse held gemaakt. Die degradatie heeft hem vanbinnen pijn gedaan. Hij praatte niet graag over zijn vroegere goddelijke status. Maar Poseidon, de usurpator van zijn titel, heeft hij altijd veracht. Die modderfiguur had zijn status als god alleen maar aan de wil van de Grieken te danken. Een god die door de mensen is geschapen! Ik kan me de tijden nog herinneren dat de goden de mens schiepen. Misschien was dat een onbezonnen daad.
Soms verneem ik niet zonder leedvermaak dat men zijn naam niet begrijpt. De slaven die tegenwoordig boeken schrijven, twisten al duizenden jaren lang over zijn echte naam en zijn betekenis. Ze proberen de mensen wijs te maken dat mijn man, toen hij noodgedwongen Grieks staatsburger werd en zich op Ithaca vestigde, zijn naam heeft vergriekst. Dat is een leugen. Tot het eind van zijn leven heeft hij, onze wonderbaarlijke en afschrikwekkende heer, Ulysses geheten.
De zangers en de zieners zijn zijn naam later op zijn Grieks gaan uitspreken. De slaven, die niet meer konden zingen en daarom waren begonnen te schrijven, beweerden dat zijn naam 'de hatende' betekent. Anderen zeggen: 'hij die door velen gehaat werd'. Dat is zeker waar: velen haatten hem. De Grieken, dat kinderlijk snoeverige en ziekelijk zelfingenomen volk dat over een overmaat aan nationaal bewustzijn beschikt, wilden de wereld graag doen geloven dat mijn man vrijwillig zijn oude naam had opgegeven om daarmee zijn trouw aan zijn zelfgekozen vaderland en aan de Griekse wereld te bewijzen. Ik zal nog enkele eonen moeten wachten vooraleer ik de volledige waarheid kan vertellen. Ik heb de tijd: op een dag zal de waarheid aan het licht komen. De herinnering aan mijn man staat me zo helder voor de geest, dat ze best bestand is tegen de aantijgingen van de Grieken. Ik zal niet ontkennen dat hij een goede Griek was en een trouw burger van zijn nieuwe vaderland. Maar wie gelooft dat hij vóór alles een Griek was, vergist zich. Ithaca was zijn vaderland, dat is zo. Maar hij had nog een vaderland: de verandering. In dat land had hij waarachtig burgerschap verworven.
Ik wil de waarheid vertellen. Daarmee schaad ik mogelijk zijn nagedachtenis, want hijzelf had niet veel achting voor de waarheid. Hij kon meesterlijk liegen. Dat is geen wonder als we nagaan dat zijn grootvader Autolycus was, de goddelijke paardendief en veestempelvervalser, die het liegen nog van de Arcadische Hermes had geleerd.
Hij was degene die zijn kleinzoon de naam Ulysses gaf. Deze naam - ik kan het nu zeggen - betekent: de Lichtbrenger. Nu ik deze woorden heb uitgesproken, voel ik me opgelucht. Het is tijd dat de slaven een punt zetten achter hun dispuut.

[...]

© Erven Sandor Márai, Csaba Gaal Toronto
© 2011 Nederlandse vertaling Frans van Nes en Uitgeverij Wereldbibliotheek bv

Uitgeverij Wereldbibliotheek

MINDBOOKSATH : athenaeum