Leesfragment: Angst en schoonheid

27 november 2015 , door Bas Heijne

26 september verschijnt Bas Heijnes essay Angst en schoonheid. Louis Couperus, mystiek der zichtbare dingen. Wij publiceren voor. 'Beide boeken van Couperus die tijdens die zomermiddag met de studenten ter sprake kwamen – Noodlot als jeugdwerk, Van oude mensen als het werk van een schrijver op de toppen van zijn kunnen – zitten vol ervaringen, tragische en komische. Ze gaan over mensen met bij uitstek herkenbare emoties: jaloezie, verlangen, wreedheid, moordlust, geilheid, benauwdheid, onvrede, benepenheid, wanhoop, angst voor het leven, angst voor de dood, allemaal ingebed in voor ons nog herkenbare situaties. Over die Couperus gaat dit essay.'

Angst en schoonheid is een bevlogen essay over leven en werk van Louis Couperus, volgens Bas Heijne de grootste romancier die Nederland gekend heeft. Heijne haalt Couperus naar deze tijd en laat zien dat de levensvragen die hij zich stelde nog altijd ónze vragen zijn: 'Hoe kan een mens zichzelf overeind houden in een wereld waarin alles vergankelijk is, waarin de mens die zich ontworstelt aan de benepenheid van zijn eigen kleine wereld niet automatisch een rijker, zinniger leven wacht, maar misschien juist de wanhoop van de totale leegte?' Heijne dringt door tot de kern van het werk van Couperus. Zijn boek is ook een persoonlijke confrontatie met een schrijver die hem meer over zichzelf heeft geleerd dan welke denker ook.

'Bas Heijne durft het aan Couperus' reusachtige oeuvre als één geheel te zien. In dit persoonlijke essay, meesterlijk geschreven en prachtig van toon, toont hij aan hoe een van onze grootste schrijvers, werkend op het breukvlak van de negentiende en twintigste eeuw, nog dicht bij ons "moderne mensen" staat. Ontworteling en vervreemding zijn Couperus' grote thema's. Ook stelt hij vragen die ons nog altijd aanspreken: hoe geef je betekenis aan je leven? Wat is zinvol als er geen zin is? Door Heijne ga je Couperus beslist anders lezen. Na Angst en schoonheid kijk je anders naar jezelf.' - Adriaan van Dis

Bas Heijne is schrijver, essayist en columnist. Naast romans en verhalen schreef hij spraakmakende essays als Onredelijkheid (2007) en Moeten wij van elkaar houden? (2011). Hij is vast verbonden aan NRC Handelsblad, waarin hij wekelijks een column schrijft. In 2005 ontving hij de Henriette Roland-Holst prijs. Couperus leest hij al bijna dertig jaar.

 

Lezers

Couperus lees ik al bijna dertig jaar; hij heeft mij meer over mijzelf geleerd dan welke denker ook. De vragen die hij zich in zijn beste werk stelt zijn voor mij nog even rauw en schurend als toen hij er de veelal onbegrijpende lezers in zijn eigen tijd mee confronteerde: hoe kan een mens zichzelf overeind houden in een wereld waarin alles vergankelijk is, waarin geen blijvend houvast te vinden is in geloof, filosofie, ideologie, waarin de mens die zich ontworstelt aan de benepenheid van zijn eigen kleine sociale wereld niet automatisch een rijker, zinniger leven wacht, maar misschien juist de wanhoop van de totale leegte?
Toen ik Couperus begon te lezen, ik was begin twintig, was hij voor mij vooral een verrassend brutale schrijver – de vanzelfsprekendheid waarmee hij over seks schreef, de vileine zinnetjes waarmee hij zijn Haagse personages neerzette, de ongeremdheid waarmee hij zijn vaak bizarre dweepzucht ruim baan gaf. Hier was een schrijver die de wereld volledig naar eigen inzicht inrichtte. Zijn veel aangehaalde dandyisme onderstreepte voormij zijn ongenaakbaarheid – je presenteert jezelf als het levend bewijs van je afwijkende blik op de wereld. Je staat ver boven het gedoe van alledag, de conventies van kleine zielen. Niet dat het mij lukte, ik was sociaal te weinig assertief, heb geen gevoel voor kleding, maar ik had het graag gewild.
Later kreeg ik door hem oog voor wat er achter dat verlangen naar onkwetsbaarheid lag: een permanent gevoel van onzekerheid over wie ik nu eigenlijk was en een aangeboren onvermogen om me over te geven aan één geloof, één vaste overtuiging, één wereldbeeld. Het lag altijd genuanceerder, er zat altijd iets anders achter, niemand was wie hij leek te zijn. Die zwakte bleek uiteindelijk een kracht. Mijn chronische twijfel dwong me steeds om verder te kijken, alles opnieuw tegen het licht te houden, overal een vraagteken bij te zetten. Niets is eenduidig. De werkelijkheid komt nooit overeen met wat ik denk wat werkelijk is.
Achter die twijfel lag vertwijfeling op de loer. Ook dat herkende ik in Couperus. Als je door alles heen kijkt, is de kans groot dat je ieder houvast verliest. Dat is beangstigend. Het brengt je al snel tot de rand van de afgrond, maar het dwingt je ook voor jezelf uit te maken wat voor jou van belang is, het dwingt je tegen de klippen op tot een persoonlijke definitie van wat goed is, van wat liefde en geluk inhoudt. Alles tijdelijk en wankel, zeker, maar eigenhandig veroverd op de leegte.
Een paar jaar geleden gaf ik aan een groep studenten Nederlands aan een grote universiteit een gastcollege over Couperus. Ter voorbereiding hadden ze twee romans van hem gelezen – het vroege Noodlot (1890), zijn tweede roman na Eline Vere, en het latere Van oude menschen, de dingen die voorbij gaan… (1906), een hoogtepunt in zijn werk.
Mijn eerste vraag was: welk boek vinden jullie beter?
De meeste studenten keken me bevreemd aan. Zo waren ze niet gewend om over literatuur te spreken. Vooraf hadden ze zich in de achtergrond van beide romans verdiept. Ze konden Couperus plaatsen in de canon van de Nederlandse literatuur. Ze hadden misschien verwacht over de invloed van het naturalisme op zijn vroege werk te horen, zijn geloof in determinisme en erfelijkheidsleer, decadentie in de laatnegentiende- eeuwse roman, de noodlotsgedachte die je steeds opnieuw, in allerlei gedaanten, aantreft in zijn romans en verhalen, over zijn dandyisme, zijn esthetiserende stijl, de invloed van de theosofie op zijn romancyclus De boeken der kleine zielen, zijn compositietechniek, de receptie van zijn werk door tijdgenoten.
Maar welke van de twee romans hen het meeste aansprak – dat was geen vraag.
Die middag kwamen we er niet uit. De studenten bleven moeite hebben met het soort vragen dat ik stelde. Ik denk dat ze te veel in de buurt kwamen van wat zij geleerd hadden te verafschuwen: herkennend lezen. Een roman op je eigen leven betrekken, de ervaringen en emoties van de verschillende personages naast die van jezelf leggen, in een academische omgeving wordt dat alles doorgaans met groot wantrouwen bekeken. Het lijkt akelig veel op het soort platte herkenning dat met triviaalliteratuur wordt geassocieerd – De stille kracht een prachtig boek vinden omdat je zelf net met vakantie in Indonesië bent geweest.
In die opvatting leidt herkenning onherroepelijk tot onbenullige beschouwing. Of tot een gevaarlijk beperkte analyse: je gaat je eigen blikveld als objectief beschouwen, alsof jouw blik zich in het middelpunt van het universum bevindt. En voor je het weet debiteer je een aantal gruwelijk kortzichtige aannames over de schrijver en zijn werk. Daarbij word je geacht de strategieën van de schrijver te doorzien – in hoeverre is hij de drager van de (voor)oordelen van zijn tijd en milieu, wat wil hij de lezer wijsmaken en hoe doet hij dat? De intelligente lezer is een afstandelijke lezer, iemand die een tekst kan plaatsen.
Zo vermijd je onmachtig gestamel en impressionisme. Maar onmiddellijk dient zich een groter gevaar aan: dat de roman louter een object voor studie wordt, en niet langer persoonlijk als kunstwerk wordt ervaren. Vooral een ‘klassieke’ roman dreigt dan al snel tot een museaal object te worden, een cultureel artefact, dat ons veel leert over de tijd waarin het is ontstaan, en over degene die het gemaakt heeft, maar waar de vraag wat het ons nu nog te zeggen heeft, niet of nauwelijks wordt gesteld.
De studenten spraken over Noodlot en Van oude mensen zoals medische studenten over een te ontleden lichaam spreken; zakelijk, klinisch – terwijl ik van hen verwachtte dat ze beide romans opnieuw tot leven zouden wekken, nu, in de eenentwintigste eeuw, in dit les lokaal, door middel van hun verbeelding.
Beide boeken van Couperus die tijdens die zomermiddag met de studenten ter sprake kwamen – Noodlot als jeugdwerk, Van oude mensen als het werk van een schrijver op de toppen van zijn kunnen – zitten vol ervaringen, tragische en komische. Ze gaan over mensen met bij uitstek herkenbare emoties: jaloezie, verlangen, wreedheid, moordlust, geilheid, benauwdheid, onvrede, benepenheid, wanhoop, angst voor het leven, angst voor de dood, allemaal ingebed in voor ons nog herkenbare situaties.
Over die Couperus gaat dit essay. Het is geen biografische schets en ook geen literaire studie. Het is geen zelfhulpboek, waarmee Couperus weer aantrekkelijk gemaakt moet worden voor niet-lezers, door hem uit zijn literaire context te halen en te doen alsof hij ons tips geeft voor een gelukkiger leven – Hoe Couperus je leven kan veranderen. Bij Couperus is de inzet altijd een dieper bewustzijn, een uitnodiging om beter te zien, het voelbaar maken van ambivalenties.
De vraag voor mij is niet waar Couperus het vandaan haalde, maar wat hij ermee gedaan heeft. De stille kracht is een meesterwerk, maar als de roman alleen zou gaan over de fatale berekendheid van de Hollandse koloniale onderneming in Indië, zou die ons nu weinig meer te zeggen hebben.
Ik lees Couperus dan ook persoonlijk. De feiten van zijn leven gebruik ik alleen voor zover ze volgens mij licht werpen op zijn thema’s, zijn blik.
Waarom legde hij er in zijn feuilletons zo veel eer in echte omstandigheden te mengen met mensen en gebeurtenissen die verzonnen waren? En waarom loog hij in 1913 tegen zijn uitgever L.J. Veen, toen hij hem schreef dat zijn Italiaanse vriend de reis naar Spanje voor hem en zijn vrouw Elisabeth had betaald? Als deze Orlando, die in zo veel van zijn Franse en Italiaanse feuilletons opduikt, inderdaad een grotendeels verzonnen figuur blijkt te zijn, waarom verzon Couperus hem dan, zo laat in zijn leven, als rustige, viriele imaginary friend? In hoeverre kan een kunstenaar die door kenners van zijn leven en werk ‘narcistisch’ en ‘egocentrisch’ genoemd wordt, zich oprecht het lot van de lijdende mensheid aantrekken? Waarom zijn de zelfportretten in zijn romans zo dodelijk – intelligente en fijnzinnige, maar uiteindelijk steriele estheten als Vincent in Eline Vere, Paul in De boeken der kleine zielen en Lot in Van oude mensen?
En waarom wisselde Couperus zijn grote psychologische romans zo gretig af met een zwaar symbolistisch proza, dat, zoals hij het zelf uitdrukte, slechts ‘la beauté pour soi-même’ leek na te streven? Dat hij de gekunstelde poëzie, waarmee hij zijn loopbaan als schrijver begon, van de ene dag op de andere opzijschoof voor de psychologische diepteboring die Eline Vere is, laat zich niet enkel en alleen verklaren door zijn jeugdigheid – de jonge schrijver die na een al te romantisch begin zijn ware talent ontdekt. Daarvoor laat de mooischrijver zich daarna nog te vaak zien.
In de innerlijke werelden van hemzelf en zijn personages die hij in zijn beste werk zo onbevangen durfde te verkennen, komt Couperus, denk ik, het dichtst bij onze eigen levens. Wij herkennen niet alleen zijn personages, met hun al te menselijke gedrag, met hun sociale tics en hun getob, we herkennen ook de grote dingen, die – zoals hijzelf schreef – achter de kleine dingen schuilgaan, de intense aspiraties waardoor zelfs de kleinste ziel in zijn werk wordt voortgedreven, met meestal tragische gevolgen.
De drie bepalende plaatsen in zijn leven – Indië, Den Haag, Italië – zijn meer dan literaire locaties. In zijn werk groeit elk ervan uit tot symbool van een geestesgesteldheid, een manier van in de wereld staan. Meer nog dan als een tijdgenoot beschouw ik Couperus in dit essay dan ook als mijn eigen imaginary friend: de schrijver die de moed heeft alleen te staan, en zonder angst te kijken – naar binnen, tot diep in zijn eigen ziel, en tegelijk voorbij de verste horizon van het bestaan.

 

Copyright © 2013 Bas Heijne
Copyright auteursportret © Alice Wolfs

Uitgeverij De Bezige Bij

MINDBOOKSATH : athenaeum