Leesfragment: Je moet wat

27 november 2015 , door San Bos
| |

In februari en maart debuteren Andreas Oosthoek, Michiel Lieuwma, San Bos, Amir Chitzan, Sarah Meuleman en Lucas de Waard. In samenwerking met Recensieweb brengen wij uitgebreide fragmenten en zij signalementen van de boeken.

Het debuut van verhalenschrijfster San Bos is de verhalenbundel Je moet wat, dat 4 maart 2015 verschijnt.

Licht van toon, met een vleugje ironie. De verhalen van San Bos bieden in enkele pagina's een inkijkje in een heel mensenleven. En hoewel je meestal blij bent dat dat leven het jouwe niet is, is San Bos in staat om de lezer onmiddellijk aan haar personages te binden. Aan de vrouw die dichter bij de donornier van haar man komt dan de bedoeling was. Aan de man die zich laat marineren door zijn Vlaamse vriendin. En aan de schoonmaakster die door de spullen van haar opdrachtgevers gaat. San Bos zet haar verhaalfiguren kort in de spotlights, maar de lichten reiken veel verder dan de laatste zin. Je moet wat is een sterk debuut, van een schrijver van wie wij nog veel gaan horen.

 

Wiener Melange

‘Wat mag het zijn?’ zegt de blonde vrouw in de dirndljurk. Hilde kijkt naar de letters op het naamplaatje. T. STINA.
‘Koffie,’ zegt ze zacht alsof het een geheim moet blijven. De vrouw kijkt haar aan met strenge, watergrijze ogen. Hilde kijkt nog eens op de geplastificeerde kaart; onder KOFFIE staat een hele rij namen.
‘Macchiato alstublieft.’
Het is nog te vroeg voor een broodje. De vrouw blijft haar aankijken.
‘Een apfelstrudel.’
‘Slagroom?’
‘Nee, een glas water alstublieft.’ Water zuivert, denkt Hilde. Ze voelt een spiertje trillen onder haar linkeroog.
Bij binnenkomst is ze hem gepasseerd. Hij draaide aan het taartplateau in de glazen vitrine en schepte een moorkop op. P. RÄTSEL, duidelijk leesbaar op het plaatje op zijn borst. De naam van het formulier; Petrus Joseph Rätsel, man, blank, drieënveertig jaar, bloedgroep, huisadres, werkadres, bij geen gehoor contact opnemen met…
Nu kijkt ze via de spiegelende ruit de zaak in. Hij moet zich ergens achter haar bevinden, bij het oude echtpaar dat daar zit. Haar handen maken franjes aan de papieren placemat.
Ze heeft een hotel geboekt voor een week. Zes straten verwijderd van Konditorei Demel. Een gok. Vaak worden mensen na een periode van ziekte ontslagen. Wat ze gaat zeggen heeft ze nog niet bedacht.
Ze glimlacht even naar hem, zoals ze altijd naar Ted glimlachte. Rätsel ziet het niet.

Op dag drie probeert ze een gesprek te volgen dat Rätsel voert met een klant. Hij trekt met zijn vinger een streep over zijn buik. Een nieuwe nier wordt vaak in de buik geplaatst, ver onder de oude nieren, die meestal 33 gewoon blijven zitten in het lichaam. Ze staat op, loopt vlak achter hem langs naar de toiletten.
‘Geleende tijd,’ zegt Rätsel. ‘Geleende tijd.’ Ze blijft lang op het toilet.

Dag vijf serveert Stina haar een tweede koffie gratis. Er staan verse bloemen in de vaasjes op de tafels. De nier is een orgaan dat zuivert, filtert en schift. Ze roert in haar koffie, glimlacht naar Rätsel, die terugkijkt maar niet glimlacht.
Op dag zes en zeven verschijnen Rätsel en Stina niet; ze worden vervangen door weekendkrachten. Vooral zondag is het druk.
Gelukkig kan ze een week bijboeken in Hotel Terminus. ’s Avonds kijkt ze tv op haar kamer, oefent het gesprek voor de spiegel van de wastafel. Het lukt nog niet.
Die maandagochtend is Rätsel er niet. Hilde bestelt koffie, staart naar de deur, bang dat ze hem kwijt is voor het onderhoud heeft plaatsgevonden.
Tegen twaalf uur komt hij binnen. Hilde morst koffie. Stina vraagt hoe het is gegaan, ze lachen, Rätsel houdt een hand tegen zijn wang en trekt een pijnlijk gezicht.
Dag negen wordt ze bij binnenkomst vriendelijk gegroet door zowel Stina als Rätsel, ze glimlachen. Vanbinnen voelt Hilde de druk van het gesprek, welke woorden te kiezen. Telkens hoort ze de stem van Elske: ‘Als ze erachter komen, ben ik mijn baan kwijt.’
Stina brengt haar koffie en een apfelstrudel, ze is onderdeel geworden van de routine in de konditorei. Niemand verwacht iets van haar, alleen dat ze haar koffie, water en gebak nuttigt, langzaam. Morgen, denkt ze. Nog steeds heeft ze geen eerste zin.

Als ze uit de wc komt, staat hij daar. Hij lacht. Zijn tanden zijn verschillend van kleur, de voorste drie te wit. Ze lacht terug, een vreemde giechel als een trompet die één schorre, onzuivere klank uitstoot. Een teken. Zacht duwt hij haar terug het hokje in. Ze begrijpt het niet. Haar lippen bewegen maar ze zegt niets.
Hij likt haar hals nog voor hij de wc-deur op slot draait. Hij snuift in haar nek, trekt haar dicht tegen zich aan. Ze is verbaasd. Ze is zoveel ouder. Haar glimlachjes, denkt ze.
Hij kneedt haar billen. Ze weet niet waar ze haar handen laten moet en zet ze in zijn zij. Een aansporing; hij trekt met een behendig gebaar zijn riem los. Met zijn vrije hand glijdt hij over haar rok. Haar handen liggen onder het losgekomen overhemd. Voorzichtig zoekt ze een weg over de huid. Hij heeft zijn hand inmiddels onder haar rok.
Een lichte ribbel ligt fijntjes op de gladde, niet-behaarde huid. Ted had veel haar, en overal. Slechts huid zit er tussen haar hand en dat kleine stukje Ted. Haar vinger glijdt over het litteken, een lange rechte lijn op de zachte, levende buik. Hij maakt een licht, gromachtig geluid, gesmoord zodat eventuele andere bezoekers van de damestoiletten het niet horen. Heeft ze het met Ted ook weleens gedaan? Staand in een toilet? Ze denkt van niet.
Zijn gezicht is verwrongen van genot. Het windt haar niet op. Ze streelt het litteken; het maakt haar rustiger dan ze in tijden is geweest.

 

© San Bos

Uitgeverij Nieuw Amsterdam

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum