Nieuws: Sherko Fatah, De dief van Bagdad, toegelicht door vertaalster Pauline de Bok
11 oktober 2012
De dief van Bagdad (oorspronkelijke titel: Ein weißes Land) is de nieuwe roman van Sherko Fatah. Het gaat over de Irakese straatjongen Anwar, die via vele omzwervingen uiteindelijk in de islamitsche eenheid van de Waffen-SS terecht komt. We vroegen vertaalster Pauline de Bok haar vertaling toe te lichten.
N.B. Fatah gaat 16 oktober in gesprek met Jeroen van Kan bij het Goethe Institut.
Sherko Fatah is geen eerstezinnenschrijver. In elk hoofdstuk van zijn nieuwe roman De dief van Bagdad heb ik een opvallende eerste zin gezocht, maar ik vond ze allemaal nogal gewoontjes. Hij is geen krachtpatser die de lezer meteen van zijn sokken blaast en de vertaler toeroept wat hij zich eigenlijk wel niet verbeeldt. En als vertaler hoef je de schrijver alleen maar stapje voor stapje te volgen, korte zinnetjes, herhaling, huiveringwekkende beelden. Je bent verkocht. Het worden onheilspellende maanden met dit boek. Vierhonderdtachtig bladzijden lang zit je in het hoofd van de Irakese straatjongen Anwar (geboren in Bagdad, begin jaren twintig van de vorige eeuw), die zijn loopbaan begint als beschermeling van de roverhoofdman Malik, opklimt tot bediende van de fascist Nidal, de leider van de Zwarthemden, vervolgens de oversteek maakt naar Europa als lijfwacht van de grootmoefti van Jeruzalem, en die uiteindelijk in de riolen van Warschau belandt, waar hij met de islamitische eenheid van de Waffen-SS op gruwelijke wijze de Opstand helpt neer te slaan.
Als vertaler heb je voortdurend het gevoel dat je Fatahs geheim moet proberen te kraken. Wat soms wellicht wat omslachtig lijkt of zelfs overbodig, blijkt essentieel voor zijn tekst. Het exotische aan de wereld en de mensen die Fatah ons voor ogen tovert, zit nauwelijks in de woordkeuze of de spaarzame beelden, het ontstaat in de zinnen en de aaneenrijging daarvan. Het oriëntaalse, poëtische vleugje dat zijn tekst doordringt, blijkt op een moeilijk grijpbare manier tussen de woorden te schuilen. Zijn geheim werkelijk kraken lukt dan ook niet. Wat met tijd, behoedzaamheid en wat geluk hooguit kan ontstaan, is een vertaling waarbij je je eveneens afvraagt hoe het toch precies komt dat het verhaal je zo meesleept.
Laat ik een concrete vertalerskwestie belichten, die in De dief van Bagdad expliciet wordt aangeduid: de ‘koningswoorden’. In zijn rustige Berlijnse dagen als lijfwacht van de grootmoefti kreeg Anwar soms Duitse les en verwonderde zich:
Während dieser Lektionen lernte ich die zusammengesetzten deutschen Hauptwörter lieben. Es war erstaunlich zu sehen, wie aus zwei oder mehreren Einzelwörtern ein großes, königliches wurde, das majestätisch die Zeile füllte und, einmal inthronisiert, auf allen folgenden Zeilen die manchmal sehr komplizierte Sache benannte, sie förmlich in sich aufsog, um alle weitere Erklärungen dazu überflüssig zu machen. Für mich allerdings war es oft nötig, die Königswörter insgeheim wieder auseinanderzunehmen, um sie überhaupt zu verstehen. Doch ich hatte bald eine Ahnung von der Wucht dieser Namen bedeutsamer Dinge, hatte man sie einmal zusammengeballt.
So sprachen wir mit Abu Hashim über Minderwertigkeitsdemut, Selbstzucht und Ghettodunst. Er hatte einige Schwierigkeiten, uns diese Begriffe zu erklären und versuchte Bilder dafür zu finden, die wir aus der Heimat kannten. Er beschwor die wehklagenden, ihre fauligen Gliedmaßen vorzeigenden Bettler vor den Moscheen, den Heldenmut der irakischen Soldaten und den Gestank in den Judengassen der Altstadt.
Tijdens die lessen leerde ik van de samengestelde Duitse zelfstandige naamwoorden te houden. Het was verbazingwekkend te zien hoe uit twee of meer enkelvoudige woorden één groot koninklijk woord werd gevormd dat majesteitelijk de regel vulde en, eenmaal op de troon gezet, in alle volgende regels de soms uiterst gecompliceerde kwestie benoemde, die gewoonweg in zich opzoog en alle verdere verklaringen overbodig maakte. Voor mij was het overigens vaak nodig die koningswoorden stiekem weer uit elkaar te nemen om ze überhaupt te begrijpen. Maar ik kreeg snel een idee van de kracht die deze woorden aan belangrijke dingen gaven, als ze eenmaal samengebald waren.Zo spraken we met Aboe Hasjim over ‘minderwaardigheidsdeemoed’, ‘zelfdiscipline’ en ‘ghettowalm’. Het was voor hem niet makkelijk ons die begrippen uit te leggen en hij probeerde er beelden voor te vinden die we van thuis kenden. Hij riep de weeklagende bedelaars op die hun smerige ledematen voor de moskeeën toonden, de heldenmoed van de Irakese soldaten en de stank in de jodenstegen van de binnenstad.
Fatah wil dat die koningswoorden voor de lezer herkenbaar zijn, want hij zette ze cursief. Dus moest ik die, vond ik, in de Nederlandse vertaling ook markeren. In feite behoren ze tot de in vertalersland zo beruchte realia (kortweg: begrippen of verschijnselen die aan een specifiek land of cultuurgebied gebonden zijn).
De vraag bleef: vertalen of niet? In eerste instantie dacht ik: wat ik ook kies, het moet in elk geval consequent zijn. Elk koningswoord dezelfde behandeling. Daarmee begon een eindeloos heen en weer van het Duits naar het Nederlands en terug. Natuurlijk, ik had het kunnen weten, de tekst bleef zich net zo lang verzetten tot ik mijn keuze voor consequentie opgaf. Beetje jammer wel, vond ik, want ik ben graag consequent. Bovendien was het lastig omdat ik nu bij elk koningswoord opnieuw moest twijfelen, maar dat had ik er graag voor over als ik daarmee zowel aan couleur locale enerzijds als aan begrijpelijkheid anderzijds kon winnen. Dan maar inconsequent, of zullen we het consequentie-op-een-hoger-plan noemen?
Complicerende factor bij de koningswoorden van Fatah is dat ze vaak karakteristiek zijn voor het Derde Rijk. Neem alleen al de militaire terminologie, ‘Oberscharführer’ bijvoorbeeld. In de Van Dale wordt ‘Scharführer’ vertaald met een ‘sergeant eerste klas’. Daar is het een woordenboek voor, gelukkig is het in Nederlandse teksten gebruikelijk de Duitse rangen te laten staan, in ieder geval die uit de nazitijd, want ‘maarschalk’ klinkt toch echt veel onschuldiger dan ‘Reichsführer’. Maar wat te doen met ‘Totenkopfstandart’? Door het woord ‘standart’ wordt een Nederlandse lezer al snel op het verkeerde been gezet. Dus heb ik er uiteindelijk ‘Doodskopregiment’ van gemaakt. Dat is een inzichtelijk woord en omdat in de buurt de Reichsführer staat en Menschentier, als benaming voor de Slaven, is het voor iedereen duidelijk dat het nazi-taal is. Bovendien is het ook in het Nederlands op zich een beangstigend woord.
Vertalen of niet hangt dus mede van de context af waarin een begrip staat. Daarnaast speelt een rol hoe begrijpelijk het begrip voor Duitsers is. Als Anwar in een penibele situatie verzeild is geraakt en met zijn semitische uiterlijk dronken SS’ers moet zien te weerstaan, lezen we: ‘Ik knikte en greep terug op een paar koningswoorden die ik uit boeken had gehaald toen ik antwoordde: “Hiernamaalszuchtige godzaligheid.”’ Wat stáát hier? hoor ik al roepen. Maar dat weten de Duitsers ook niet goed als ze lezen: Jenseitskranke Gottseligkeit, ik heb het ruimschoots nagevraagd. Het was een veiliger keuze geweest het in het Duits te laten staan. Toch heb ik het vertaald, omdat Nederlandse lezers zo in elk geval een beter gevoel krijgen voor de bizarre greep die Anwar hier doet in zijn Duitse grabbelton aan koningswoorden. Denk ik.
Het gaat, geloof ik, niet alleen om de vraag of je koningswoorden of realia vertaalt of niet. Het gaat ook om de vraag hoe raar, hoe on-Nederlands zo’n vertaling mag klinken. En daarmee duikt de vraag op hoe uitzonderlijk het voor Duitsers klinkt. Daar kun je via internet al een vinger achter krijgen. Maar vast staat dat Duitsers beter kunnen stapelen binnen een zelfstandig naamwoord dan Nederlanders. Bij nader inzien komt me dat eigenlijk goed uit, want Anwar verbaast zich over dat stapelen, dus is het een mooie bijkomstigheid van de vertaalde koningswoorden dat die stapeling op de Nederlandse lezer ook wat vreemd overkomt.
En verder is het taalgevoel hoe je realia tegemoet treedt, en dus aan discussie onderhevig. En het is temperament: hoeveel couleur locale, hoeveel vreemde woorden wil je een lezer aandoen? Of anderzijds: wat onthoud je hem als je het exotische wegvertaalt? Soms denk ik dwars: als hij niet voldoende heeft aan context en kleur, kan hij het zo op internet opzoeken. En ten slotte is het altijd een kwestie van maatvoering, en daarover valt eindeloos te bakkeleien. Ook met jezelf. Ik ben er in elk geval nog lang niet klaar mee, het is work in progress, het is voortschrijdend inzicht, net als elke vertaling.
Pauline de Bok vertaalde eerder romans van Wolfgang Herrndorf en Stephan Thome.
Reacties






