Nieuws: De rode lijst van literaire tijdschriften en het supertijdschrift
Ze zijn de eikelmuizen en kleine hoefijzerneuzen onder de literaire vormen: behalve een paar boswachterachtige lezers heeft niemand ze ooit gezien, en ze kosten geld. Te veel geld: drie ton. Dat moet de gedachte achter deze zin geweest zijn: 'Vanwege het geringe publieksbereik zal het fonds de ondersteuning van literaire tijdschriften stopzetten.' De analyse dat deze bedreigde diertjes met te weinig zijn, door te weinig gelezen worden en maar in hun holletjes blijven zitten, werd al eerder gedaan door hoogleraar en literair criticus Lisa Kuitert, in Vrij Nederland. Door daan stoffelsen, ter voorbereiding op de SLAA-avond over literaire tijdschriften.
Update: de discussie van 1 november is op Twitter verslagen door @SLAAmsterdam, met als hashtag #tl.
Zij zit meer in de hoek van de vingerzegge of de oorsilene: 'Maar het literaire tijdschrift [want daar gaat het over] is momenteel een kasplantje, een bedreigde soort die met kunstlicht en gedestilleerd water in leven gehouden moet worden.' De SLAA reageert vanavond op die eerste zin, uit de cultuurbeleidsbrief van Halbe Zijlstra, laat Lisa Kuitert tien geboden uitspreken, en daagt een handvol tijdschriftredacteuren - Gustaaf Peek, Erik Lindner, Daniël van der Meer en Toine Donk uit als dieren te denken, en hun ideale tijdschrift samen te stellen. Wij denken mee, en vroegen Margot Dijkgraaf (Armada), Dirk van Weelden (De Gids) en Merijn de Boer (Tirade) hun droomtijdschrift te schetsen.
Ik ben zelf ook tijdschriftredacteur (van De Revisor), en behalve aandacht voor het diertje of plantje, zijn er voedingsstoffen (goed proza, sterke poëzie, actuele en diepgravende essayistiek) en water nodig (geld) om het in leven te houden. En dus een wereld waarin het kan aarden: er is bos nodig voor holletjes, natuur voor volle grond. Dat de staatssecretaris dat heeft uitgedund, en verwacht dat het voor 2013 een stuk lichter en opgeruimder is in letterenland, dat stuit een liternatuurliefhebber als mijzelf tegen de borst. Maar geld dus, en goede schrijvers. Stel dat je het hebt, stel dat er vanavond iemand voor de deur staat, en zegt: Daan, hier is een-vijfde van het bedrag dat ik won in de Koninginnedagloterij, of verdiende met mijn nevenfuncties in besturen van semi-overheidsinstellingen. Wat doe ik dan? We vroegen drie redacteuren die de afgelopen jaren toetraden tot de redacties van al jaren bestaande tijdschriften.
Margot Dijkgraaf: driemaal Franse inspiratie
'Ik zou voor het ideale tijdschrift drie Franse tijdschriften met elkaar willen mengen: Magazine Littéraire, Transfuge en Le matricule des anges. Van het eerste zou ik de actualiteit willen overnemen, de praktische informatie over wat 'hot' is, welke symposia zijn er, wie is verfilmd, wie treedt waar op en dergelijke, de meer journalistieke invalshoek dus. Ook het vaste onderdeel van een dossier zou ik willen overnemen, met dien verstande dat het wat mij betreft een actueel thema of een levende auteur zou moeten zijn.
Van Transfuge zou ik de internationale inslag willen overnemen. Hun wereldwijde blik is inspirerend, ze publiceren interviews én recensies én korte essays over de meest uiteenlopende auteurs. Dat maakt het ook mogelijk in een veel breder dan nationaal verband te kijken naar trends en ontwikkelingen in de literatuur. Ook leggen ze de link met de cinema, wat uitstekend is. Wat mij betreft zou die link met andere disciplines (muziek, beeldende kunst) ook onderdeel moeten zijn van mijn ideale literaire tijdschrift. Die valt namelijk op een heleboel manieren te verwezenlijken.
En tenslotte: de degelijkheid, de diepgang en vooral de eigenwijze keuze van Le matricule des anges. Zij brengen portretten, essays over en interviews met auteurs van buiten de mainstream. Soms worden ze naar verloop van tijd bekend, soms ook niet. De auteurs van een dergelijk magazine zouden natuurlijk afkomstig moeten zijn van alle werelddelen, een beetje zoals Courrier international dat doet op het gebied van nieuwsgaring.'
Merijn de Boer: polemiek ontbreekt
'Wat ik echt mis en wat bij Tirade niet lukt is de polemiek. Ik zou willen dat er in dat ideale literaire tijdschrift regelmatig polemische stukken staan die de hele literaire goegemeente bezighouden. Zoals Brouwers’ stukken in Tirade en zoals Hermans’ polemische stukken ooit deden. Schrijvers die elkaar mailen met de vraag: heb je dat stuk al in […] gelezen? Wat er op De Contrabas en aanverwante websites gebeurt vind ik niet polemiseren. Een polemiek moet goed en verzorgd geschreven zijn, na lang beraad. En niet zomaar in een reactie op een blog in een alinea iets roepen. Ik denk dat zo'n vorm van onderlinge kritiek iedereen scherp houdt en dat dat goed is.
Verder: grote schrijvers voelen zich blijkbaar niet geroepen om met hun verhalen, gedichten en essays de literaire tijdschriften te helpen. Want dan lezen maar weinig mensen het en het betaalt niet goed genoeg. Als er genoeg geld is, want zo plat is het geloof ik helaas, kun je Rosenboom, Van der Heijden cum suis wel in dat tijdschrift krijgen. En als die er eenmaal in schrijven, komen de lezers ook. Om deze reden kun je volgens mij beter investeren in literaire tijdschriften dan in schrijversbeurzen.
Ik zou ten slotte willen dat in dat blad de literaire kritiek heel goed in de gaten gehouden wordt. Dat dat blad urgentie uitstraalt. De Volkskrant wijdt anderhalve pagina aan Kluun, in Hollands Diep gaat het over de leef- en eetgewoonten van schrijvers, in mijn ideale tijdschrift gaat het tenminste echt om literatuur. Het moet idealiter maandelijks verschijnen, zodat actuele kwesties kunnen worden behandeld. En het moet laten zien hoe rijk de Nederlandse literatuur is.'
Dirk van Weelden: online klinkt het tijdschrift het beste
'Een tijdschrift dat er nog niet is, en waarvan het geweldig zou zijn als het er was, is Bocca. Ik heb niet gekeken naar iets wat al bestaat, een Nederlandse N+1, nee, dit is echt iets nieuws. Bocca zou in papieren vorm een kwartaalblad moeten zijn, en het zou een gidsfunctie hebben voor de website, en samen vormen ze een spoken word-tijdschrift. Op Bocca.nl vind je heel veel verschillende kanalen. Een met vooral documentaires, geen journalistieke maar artistieke documentaires. Een met hoorspelen. Een helemaal gewijd aan poëzie. Een met verhalen, voorgelezen en geperformed. Een met besprekingen en discussies. Een met singer-songwriters. En een met nieuws, bijgehouden door een redacteur die alles bijhoudt, ook internationaal.
Op ieder kanaal is er een functionele mix van pure audio en video, naast elkaar. Er is plek voor Pecha Kucha's, waarbij iemand een verhaal vertelt aan de hand van voorbijkomende foto's. En er is een archieffunctie, met toegang tot de archieven van Poetry International, met waanzinnige hoeveelheden dichters, of die van de Omroep.
Bij buitenlands materiaal zit er een tolk-vertaler-geluidsband op het materiaal, die je met een schuif kunt openen, van helemaal origineel via synchroon naar helemaal getolkt.
Zo'n soort tijdschrift blinkt uit in het organiseren van spannende en interessante evenementen, elke twee weken brengen ze mensen bijeen in een schouwburgje of café, jonge schrijvers, kunstenaars, denkers. Zo'n tijdschrift is de ideale partner voor de IDFA, Balie, Paradiso.
Bocca is een duur, maar haalbaar tijdschrift. Het papiere deel moet geïnteresseerde lezers voor een laag bedrag herinneren aan onderwerpen, auteurs, thema's, om ze te prikkelen om de site te bekijken. Hoe het zich verdient? Dat weet ik niet, maar je kan denken aan abonnementen en apps, en betalen voor bepaald archiefmateriaal. Ik ben geen ondernemer, maar ik zie de mogelijkheden.
Bocca heeft een tijdschriftachtige spirit, die over de grenzen culturele hokjes heengaat, en de wereld bezing en begrijpt met behulp van taal - geschreven of niet. Zonder drempels, gewoon met lol en gevoel voor kwaliteit. En het is er bijna geweest, men heeft erover nagedacht bij het Mediafonds, bij het Letterenfonds ook, om dit te maken, maar het raakte vertraagd en ondergesneeuwd bij de nieuwste bezuinigingsronde. Niemand durft nu meer te fantaseren over iets wat geld kan kosten, over iets nieuws of avontuurlijks.'
Wie betaalt, en hoeveel, en waarvoor?
Van Weelden legt de vinger op de zere plek: wie betaalt het? Hoe zorg je ervoor dat zoiets quitte draait? Is € 2,99 voor een app te veel? € 15 voor een papieren versie? Uit welk potje moeten al die mooie gratis bijdragen online worden betaald? En als je dan de goede prijs bedacht hebt, hoe weten al die potentiële lezers dat ze jouw tijdschrift moeten lezen?
Het zou allemaal opgelost zijn met een mecenas, een liefhebber met geld, of een uitgeverij die de mogelijkheden ziet voor talentontwikkeling en publiciteit. Je kunt je met de hoeveelheid energie en enthousiasme die tijdschriftredacteuren tentoonstellen niet voorstellen dat die er niet komen. Maar hopelijk op tijd.



