Athenaeum Boekhandel
Elke dag boekenactualiteit: recensies, nieuws, filmpjes en boeken bestellen

Nieuws: Zinnen van Melinda Nadj Abonji, Duiven vliegen op, vertaald door Dineke Bijlsma RSS



Bookmark and Share

3 december 2011

De Hongaars-Servische familie Kocsis is jaren geleden naar Zwitserland geëmigreerd. Maar vader en moeder Kocsis en de twee dochters Nomi en Ildikó zien hun dorp van herkomst in de Vojvodina nog regelmatig terug. In hun chocoladebruine Chevrolet, die nauwelijks door de smalle straatjes past, rijden ze er vaak heen voor huwelijken en sterfgevallen.
Door zich volledig aan te passen aan hun nieuwe landgenoten en altijd hard te werken hebben ze het maatschappelijk gezien gemaakt in Zwitserland. Ze runnen een goedlopend café. Maar voor de slimme, gevoelige dochter Ildikó wordt haar tweede vaderland nooit een echt thuis. Dineke Bijlsma vertaalde het Buchpreiswinnende Duiven vliegen op (Tauben fliegen auf) van Melinda Nadj Abonji, en licht enkele zinnen toe.

… und ich sehe im Spiegel nicht nur mich, sondern das, was das Fräulein erwartet.
… en ik zie in de spiegel niet alleen mezelf, maar ook dat wat de juffrouw verwacht.

Ich, die sich nach dem Eimer bückt, ihn ins Becken hebt, am Hahn dreht, und während das Wasser einläuft, ziehe ich die Handschuhe an, die Hände, die das einlaufende Wasser nur noch dumpf spüren, und als der Eimer halbvoll ist, drehen die gelb eingepackten Finger in die falsche Richtung, das Wasser, das mit einem scharfen Strahl in den Eimer schiesst, auf die Haut, in die Augen spritzt, und ich, die wieder einen langen Moment wartet, drehe den Hahn zu, schaue ihr zu, wie ihr die Wassertropfen über das Gesicht laufen, und jetzt der unausweichliche Gedanke: Wir sind ein Herz und eine Seele geworden, ich und das Fräulein;
Ik, die me buk om de emmer te pakken, hem in de wasbak zet, en terwijl het water erin stroomt, trek ik mijn handschoenen aan, mijn handen, die het stromende water nu alleen nog maar vaag kunnen voelen, en als de emmer voor de helft vol is, draaien mijn geel ingepakte vingers de knop van de kraan de verkeerde kant op, het water dat met een harde straal in de emmer spuit, op mijn huid, in mijn ogen spettert, en ik, die weer een tijdje wacht, draai de kraan dicht, kijk naar haar, hoe de waterdruppels over haar gezicht lopen, en nu de onontkoombare gedachte: we zijn één geworden, ik en de juffrouw;

Om mijn vertaling toe te lichten is mijn keuze niet op de eerste zin van de roman gevallen maar juist op twee zinsdelen uit het voorlaatste hoofdstuk omdat die het centrale thema in de roman – vervreemding – naar mijn idee het allertreffendst weergeven.

Het verhaal in Duiven vliegen op wordt beschreven door de ik-verteller Ildikó. Deze Ildikó, een intuïtieve persoonlijkheid die alles ziet en hoort en zich alles ook nogal aantrekt, is samen met haar twee jaar jongere zusje en ouders jaren geleden vanuit Vojvodina, een streek in het voormalig Joegoslavië, naar Zwitserland geëmigreerd. Het is een verhaal over integratie, een ogenschijnlijk succesvolle integratie. Maar aan die ogenschijnlijk zo succesvolle integratie hangt wel een prijskaartje, vooral voor Ildikó, die door het aanpassingsgedrag dat voortdurend van haar wordt verwacht – het credo van haar ouders luidt: mond houden, net doen alsof er niets aan de hand is, en vooral niet opvallen – danig met zichzelf in de knoop komt. Ze voelt niet alleen een behoorlijke afstand tot de wereld om zich heen maar ook ten opzichte van zichzelf.

Aan bovenstaande fragmenten gaat een van de meest aangrijpende scènes uit het boek vooraf: een gast heeft het herentoilet in het Mondial, het café-restaurant dat door het gezin Kocsis wordt gerund, helemaal met menselijke uitwerpselen besmeurd; Ildikó voelt zich geroepen dit te gaan schoonmaken. Ze pakt de schrobber, emmer, doeken en gele plastic handschoenen en zal net aan de slag gaan als haar blik ineens op de spiegel valt.

Lange, melodieuze zinnen

Toen Uitgeverij van Gennep me vroeg Tauben fliegen auf van Melinda Nadj Abonji te vertalen was ik na een korte beschrijving ervan onmiddellijk enthousiast. Tijdens het lezen van het boek groeide mijn enthousiasme alleen nog maar. Abonji’s manier van denken, voelen en schrijven spreekt me enorm aan. Abonji houdt zich in haar roman niet aan de normale zinsbouw.

Ze schrijft in lange melodieuze zinnen, die soms hele bladzijden bestrijken, en maakt hierin veelvuldig gebruik van komma’s, gedachtestreepjes, puntkomma’s, haakjes en andere leestekens; gedachten en dialogen van verschillende personen wisselen elkaar razendsnel af (je weet soms niet meteen precies wie nu wat zegt of denkt). De constructie waarbij ze bovendien in bijzinnen ‘Ich’ combineert met de werkwoordsvorm van de derde persoon enkelvoud, in plaats van met die van de gebruikelijke eerste persoon, is zelfs ongrammaticaal te noemen.

Hier lagen voor mij als vertaler dan ook al meteen de eerste belangrijke vragen: wat doe ik met die lange zinnen en met al die leestekens, en hoe pak ik dat in de vertaling aan met die afwijkende werkwoordsvormen?

Ongrammaticale constructies

Wat de lange zinnen en interpunctie betreft heb ik ervoor gekozen genoemde zinnen zo veel mogelijk in dezelfde vorm in de vertaling over te brengen, zo veel mogelijk de komma’s en andere leestekens erin te handhaven en de muzikaliteit ervan te bewaren. De ongrammaticale constructie vervolgens vroeg om een andere aanpak. Dat Abonji in de bijzinnen bij ‘Ich’ de werkwoordsvorm van de derde persoon enkelvoud gebruikt, en daarna in de hoofdzin die van de eerste persoon, doet ze om het gevoel van vervreemding, de afstand die Ildikó ten opzichte van de wereld om zich heen en zichzelf ervaart, te illustreren.

In de vertaling heb ik wat de werkwoordsvorm in die bijzinnen betreft (eerste of derde persoon enkelvoud) toch de voorkeur aan de eerste persoon gegeven. Hier heb ik toe besloten omdat anders het vreemde in de roman ál te veel zou worden benadrukt; het begin van de tweede voorbeeldzin zou er dan wellicht als volgt hebben uitgezien: ‘Ik, die zich bukt om de emmer te pakken…’, terwijl het in de vertaling ‘Ik, die me buk om de emmer te pakken…’ is geworden. Door in elk geval voor de vorm ‘ik, die…’ te kiezen, zoals ook in ‘en ik, die weer een tijdje wacht, draai de kraan dicht, kijk naar haar…’ wordt die afstand naar mijn gevoel voldoende tot uitdrukking gebracht, krijgt het vreemde de juiste nadruk.

Na het voorval in het herentoilet en een ruzie daarna met haar ouders, waarin eindelijk eens de waarheid op tafel komt, gaat Ildikó ten slotte haar eigen weg; ze kan het niet meer opbrengen zichzelf zo te verraden, en dat alles om maar te worden geaccepteerd. Ze verlaat het ouderlijk huis en neemt haar intrek in een klein sober appartement.

‘… ik wil weg uit dit gehalveerde leven, uit dit leven van alledag waarin onze dienstbaarheid ons recht van spreken moet afdwingen, ‘monddood’ schiet me door het hoofd, ik word monddood gemaakt met opmerkingen als: jullie zullen het ooit beter hebben dan wij, we werken alleen maar zo hard voor jullie; ga zitten, zegt moeder op verzoenende toon, zij, die me aankijkt met die blik die ik zo goed ken, ogen waarachter iets opdoemt, een eindeloze gang waarin voetstappen weerklinken, nachtmerrieachtige gedaanten die met hun provocerende houding voorwaarts dringen, steeds dichterbij komen, knallende voetstappen die pijn doen aan je slapen, moeder, die krampachtig probeert te voorkomen dat er scheuren in het goud-groen-bruine behang komen, mijn gedachten die niet meer volgens de normale banen verlopen – en wat als ik het helemaal niet beter wil hebben?’

Duiven vliegen op is in één woord een buitengewoon fascinerend boek! En zoals Antoine Verbij in Trouw onlangs schreef: ‘Gewoon lezen. Het liefst hardop.’

Dineke Bijlsma vertaalde eerder onder andere werk van Ernst Weiß, Friedrich Glauser, Bernhard Kegel, Irmgard Keun, Ralf Isau, Tobias Meissner en Siobhan Dowd.


Reacties



Om een reactie te kunnen plaatsen dient u ingelogd te zijn.

Gerelateerde artikelen

Boeken van de dag