Recensie: Gruwen en grijnzen in de stad van Paroutaud

09 februari 2017 , door Joeba Bootsma
| |

Uitgeverij Coppens en Frenks stopte er twee jaar geleden mee, maar is nu terug met De ongewisse stad van de Franse auteur J.M.A. Paroutaud, ontdekt en vertaald door Mirjam de Veth en uitgegeven door ad-hoc uitgeverij De laatste snik. Heel even voelt de hoofdpersoon - op de vlucht voor een doodvonnis elders - zich veilig in de stad. 'Ranède had het gevoel dat hij deel uitmaakte van een menselijk magma, dezelfde lucht inademde en beschut was.' Maar beetje bij beetje komt hij er achter dat die menselijke magma van inwoners leeft volgens vreemde wetten en gewoonten die alles behalve veilig zijn. De ongewisse stad is een verhaal om van te gruwen. En te grijnzen.

Geen enkele zekerheid

'De kroegbaas verrees vanaf zijn middel boven de zinken toog, ingeklemd tussen twee perculators, en staarde naar het plafond.' Deze sinistere kroegbaas Nabus vertelt aan Ranède en aan de lezer hoe de wetten en regels precies werken in de stad waar Ranède is beland. Al is het woord 'precies' hier misschien niet helemaal op de juiste plaats. Er is namelijk geen enkele zekerheid wat betreft de wetten: sommige zijn permanent, andere zijn maar één dag geldig en kunnen diezelfde dag nog veranderen. De naleving van de wetten wordt gecontroleerd door mannen met petten die bij een getuigenis niet vragen naar je echte naam maar naar de naam die je graag zou willen hebben. Thuisblijven heeft geen zin 'want het kan goed zijn dat het juist die dag verboden is om thuis te blijven'. Overtreders worden afgevoerd naar buiten de stad gelegen kampen en krijgen zo nu en dan de kans om vrij te komen. In het park zitten reuzehagedissen die zich in rap tempo voortplanten en geregeld afgemaakt moeten worden. 'Men kiest een stuk van het park, zet er dichte hekken omheen en dan wordt er een half dozijn ongewapende gevangenen in losgelaten.' De kans is klein, maar degenen die het overleven zijn definitief vrij. Maar hoe definitief is definitief in een stad waar vrijwel niets definitief is?

Verkoolde lijken en gepolijste tegels

Na zijn eerste bezoek aan het café van Nabus begeeft Ranède zich naar een groot open plein, naar de menselijke magma waarvan de opgewondenheid toeneemt naarmate de donderslagen elkaar sneller opvolgen. 'Om het beter te kunnen zien probeerden mensen op de schouders te klimmen van degenen die hun het zicht op het schouwspel benamen.' Dat schouwspel bestaat uit, hou je vast, de nog gloeiende en verkoolde lijken die zijn getroffen door de bliksem. En dan is er nog de nationale sport, die Ranède leert kennen via de 'sprongfoto's' die Nabus maakt.

'Hij bewoog zich zijwaarts langs de muur, hier en daar met vinnige tikjes van zijn nagels een foto recht duwend waarvan de onderkant naar zijn zin niet volkomen parallel aan de vloer hing. […] Hij pakte Ranède bij de hand. "Deze is het meest bijzonder." Je zag een man met zijn hoofd neerkomen op de marmeren tegels. Zijn armen lagen aan weerskanten van zijn schedel als de oren van een omgevallen amfoor. "Als je de foto ondersteboven bekijkt lijkt het of hij Atlas nadoet," zei Ranède. "Ja hè? Dat dacht ik ook, maar als je goed kijkt zie je van dichterbij dat de schedel al is verbrijzeld, misvormd aan de linkerkant, de breuk is duidelijk. Een vijftigste seconde later, dan had ik de te pletter slaande sinaasappel gehad."'

Boven een marmeren vloer, 'van mooie gepolijste, harde witmarmeren tegels, zo strak tegen elkaar gelegd dat je geen voegen ziet', hangt een ring. Degene die van het hoogste punt naar beneden durft te springen, op zijn voeten terecht komt en daarna nog een rondje door de arena kan rennen, wint.

Zinloos verzet

'Opnieuw. Opnieuw. De vrouw naast me maakt ook opnieuw steeds dezelfde beweging, stom van me dat ik vanochtend niet eerder naar haar benen heb gekeken, ik zal ze vanavond zien wanneer ze haar rok aantrekt.'

Ranède heeft in een mum van tijd een baan, een huis en een vrouw. Het geestdodende werk aan de lopende band blijkt echter compleet zinloos te zijn. 'Alles gaat terug naar de smelterij, naar de hoogovens en komt dan weer bij ons terug.' De absurditeit van het werk en de wetgeving wordt door iedereen voor lief genomen, maar Ranède pikt het niet langer en komt in opstand. Zijn rebellie haalt echter niets uit in een stad waar de regels om de haverklap veranderen en uiteindelijk verkiest hij de gewisse dood die hem elders staat te wachten boven de absurditeit, willekeur en onzekerheid in de ongewisse stad.

Een gruwelstad met een grappig randje

Paroutaud slaagt erin de lezer, hand in hand met Ranède, mee te nemen en vast te houden in een stad waar alles steeds gekker en gekker wordt. Gedachten als 'ja hoor…' of 'dat kan niet..' komen niet in je op; daarvoor is de gekkigheid te realistisch. Die realiteit zit 'm in de volgzaamheid en kalmte van de inwoners die alles de normaalste zaak van de wereld lijken te vinden, maar ook door de toevoeging van details die maken dat je het allemaal voor je ziet. Tegelijkertijd kan je een detail zoals de witmarmeren vloer zonder voegen bijna niet meer serieus nemen in een context waarin op diezelfde vloer mensen te pletter vallen. Door de zakelijke vermelding van minuscule details en de droge constaterende gedachtes van Ranède krijgen de gruwelijkheden een grappig randje. In Frankrijk verscheen La ville inconnue in 1950 en dankzij Coppens en Veth kunnen wij Nederlanders - bijna zeventig jaar later - nu ook een uitstapje maken naar de ongewisse stad. Een stad die je met kippenvel en een grijns verlaat.

Joeba Bootsma doet de researchmaster Literair Vertalen aan de Universiteit van Utrecht en liep eerder dit jaar stage bij Athenaeum.nl.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum