Recensie: Er is een prima shuttle-service

14 augustus 2012 , door Bouke Vlierhuis
| | | |

Mustafa Stitous vierde bundel, Tempel, is na tien jaar stilte verschenen. En hoewel je er eigenlijk pas over nog eens vijftig jaar iets van kan zeggen, heb ik de neiging hem in te delen bij de belangrijke dichters van mijn generatie. Destijds in de markt gezet als de eerste Nederlandse schrijver van Marokkaanse origine heeft hij zich inmiddels ontwikkeld tot iemand die zijn scherpe observaties in eenvoudige maar puntgave taal kan neerzetten en zo iedere keer weer wijst op de vreemde paradoxen waar de menselijke cultuur van barst. Door bouke vlierhuis.

Allochtone, denkende, anekdotische dichter

De canonieke status van Stitou blijkt ook uit de relatief ruime aandacht die Hugo Brems voor het werk van de dichter heeft in zijn literatuurgeschiedenis Altijd weer vogels die nesten beginnen. Brems positioneert Stitou in eerste instantie ook als een 'allochtone' dichter, maar geeft onmiddellijk toe dat dat alleen voor Mijn vormen, Stitous debuut, opgaat:

'Stitou toont [...] zich in de eerste plaats een dichter die gefascineerd is door taal. Door de kracht van bevreemdende formuleringen, niet zelden als readymades ontleend aan bestaande teksten, ontwricht hij enigszins de gebruikelijke kijk op de werkelijkheid. Een "gewoon" dichter dus.'

Daar doet Brems de dichter tekort. Stitou is toch vooral ook een denkende dichter. Dat denken gaat meestal, maar in zijn nieuwe bundel Tempel nog sterker dan voorheen, samen met een sterk kritische observatievermogen. Stitou is daardoor - en dat zal ongetwijfeld toch iets met zijn immigrantenachtergrond te maken hebben - geëngageerder dan veel andere dichters.

Stitou is ook vaak gekenschetst als een anekdotisch dichter, lang niet altijd een compliment. Met die opvatting rekenden Jos Joosten en Thomas Vaessens overtuigend af toen ze in hun essay 'De onvermoede diepten van Stitous anekdotes' (in verkorte versie opgenomen in Joostens essaybundel Misbaar) aan de hand van het werk in Varkensroze ansichten aantoonden dat Stitou wel degelijk op een dieper niveau gelezen kan en moet worden.

Mannen, vaders, God

Tempel is vrij strak georganiseerd. In het naamloze eerste deel gaat het over mannen, over de vaderfiguur en (dus) over God. Het openingsgedicht is een prozagedicht waarin de ik-figuur zijn dode vader in zijn kist op zijn rug draagt. Als het hem te zwaar wordt, vraagt hij zijn vader uit de kist te komen en zelf te lopen.

'Toen zuchtte hij en schudde zijn hoofd, spottend-medelijdend, zoals altijd. Hij richtte zich op, stapte uit de kist, bewoog zich voort met kalme tred. Ik liep achter hem aan, ook ik zei niets.'

De verteller prijst zich, bij het graf aangekomen, gelukkig dat zijn vader hem niet vraagt waar de richting van Mekka is, want hij weet het niet.

De dood van de vader is de dood van God. Die gedachte wordt in 'Van stier tot stier' op een originele manier verder uitgewerkt in de gedachten van een stier die sperma moet leveren door een nepkoe te dekken.

Onvermoede diepten

Dat beeld wordt, in de mooie, consequente uitwerking van het thema, dan weer meegenomen naar afdeling II, 'Koeiensuite', waarin het vrouwelijk perspectief aan bod komt. Door in deze suite over kamelen te beginnen weet Stitou multiculturaliteit op een luchtige manier aan te stippen.

'III' is het donkerste deel van de bundel. Dood, vernietiging en wreedheid sluipen in de gedichten. De laatste afdeling, 'IV', lijkt, onder andere met invocaties van de natuur, met lied- of zelfs gebedachtige teksten en met religieuze beelden (het titelgedicht bevindt zich in deze afdeling), op te roepen tot een soort transcendentie, hoewel steeds het aardse met het hemelse en de natuur met de stad worden verbonden. '[G]roet de hortensia's en groet de voetbalkooi,' staat er in 'Groet'. In 'Beginselen' schrijft Stitou, met zijn bekende ironie: 'Een troep engelen staat de straatcoaches bij.'

Ik citeer nog even een titelloos gedicht uit afdeling I:

In no time loop je vanuit het hotel
het strand op voor een frisse duik.

Er is internet, een restaurant met internationale
keuken, er is een fitnessruimte, een sauna,

een spacentrum met massagemogelijkheden.
Kamers hebben airconditioning, tv, telefoon,

een minibar, ligbad, een kingsize bed.
Er worden diverse uitstapjes georganiseerd.

In de nabije omgeving kun je tijdens begrafenissen
kinderen zien, vastgebonden aan palen:

zo wordt voorkomen dat de kinderziel het kind verlaat,
haar intrek neemt in het lijk dat voorbij gedragen wordt.

Er is een strandbar: Club Amour.
Er zijn diverse watersportmogelijkheden.

De luchthaven is op circa twee uur rijden,
er is een prima shuttle-service.

Anekdotische observaties en readymades (in dit geval uit reisbrochures geleend, zo lijkt het): ze zijn er nog. Maar het lijkt erop dat de onvermoede diepten van het werk van deze dichter in Tempel alleen maar dieper zijn geworden.

Waarom is dit grootse poëzie? Omdat Stitou ons onze cultuur laat zien, daar volslagen terloops een andere cultuur (waar we niets van begrijpen) naast zet en ons het verder zelf laat uitzoeken. Stitou schrijft op wat hij ziet, maar consequent weigert hij ons te vertellen wat we erbij moeten voelen. Er staat geen woord in dit gedicht dat we niet meteen kunnen begrijpen, en toch laat het ons in verbijstering achter. Zijn die mensen die kinderen vastbinden achterlijk? Zijn wij misschien achterlijk, met onze fitnessruimtes en minibars? Kunnen deze twee culturen prima naast elkaar bestaan? Of beweert de dichter juist het tegenovergestelde? Het enige wat we zeker weten is dat er een prima shuttle-service is. Daar moeten we het mee doen.

Bouke Vlierhuis is schrijver, dichter, recensent, columnist.

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum