Leesfragment: Amerika of de verdwenen jongen

10 december 2016 , door Franz Kafka
|

Op 13 december verschijnt Amerika of de verdwenen jongen van Franz Kafka (Amerika, Der Verschollene, vertaald door Willem van Toorn). Lees bij ons alvast een deel van het eerste hoofdstuk.

Kafka is zelf nooit in Amerika geweest. Hij schiep uit beschrijvingen die hij las en visuele elementen die hem fascineerden een mythisch land waar New York en Boston door een brug met elkaar verbonden zijn, het Vrijheidsbeeld een zwaard ten hemel heft, en waar alles reusachtig is. Onafgebroken verkeersstromen vullen de talloze wegen en straten.

De roman vertelt het verhaal van de jonge Duitse immigrant Karl Rossmann, die bij een dienstmeisje een kind heeft verwekt. Om een schandaal te vermijden 'verbannen' zijn ouders hem naar Amerika. Dat levert wonderlijke en vaak geestige avonturen op. Karl blijkt een steenrijke oom te hebben die hem liefdevol opneemt in zijn gigantische huis - maar die hem ook zonder pardon weer op straat zet. Dan begint Karls zwerftocht door het onbegrijpelijke land. Hij heeft een baantje als liftboy in een enorm hotel en ontmoet bizarre randfiguren. Uiteindelijk verdwijnt hij op een lange treinreis in het niets.

 

I

De stoker

Toen de zeventienjarige Karl Rossmann, die door zijn arme ouders naar Amerika was gestuurd omdat een dienstmeisje hem had verleid en een kind was hem had gekregen, op het al langzaam geworden schip de haven van New York binnenvoer, zag hij het al veel eerder waargenomen standbeeld van de vrijheidsgodin als in een plotseling sterker geworden zonlicht. Haar arm met het zwaard wees omhoog alsof ze hem net had opgestoken en om haar gestalte waaiden de vrije luchten.
'Zo hoog,' zei hij bij zichzelf en hij werd, terwijl hij nog helemaal niet aan weggaan dacht, door de steeds meer aanzwellende menigte kruiers die langs hem heen trok geleidelijk naar de reling geduwd.
Een jongeman die hij tijdens de overtocht vluchtig had leren kennen zei in het voorbijgaan: 'Zeg, heb jij nog geen zin om van boord te gaan?''Ik sta toch klaar,' zei Karl lachend tegen hem en hij tilde, uit overmoed en omdat hij een sterke jongen was, zijn koffer op zijn schouder. Maar toen hij zijn kennis nakeek die zich, lichtjes met zijn stok zwaaiend, al met de andere passagiers van hem verwijderde, drong tot hem door dat hij zijn paraplu onder in het schip had laten staan. Hij vroeg snel aan zijn kennis, die daar niet erg blij mee leek, zo vriendelijk te zijn even de wacht te houden bij zijn koffer, nam snel de situatie in zich op om als hij terugkwam de goede plek te kunnen vinden en haastte zich weg. Beneden vond hij tot zijn ongenoegen een gang die zijn weg zeer bekort zou hebben voor het eerst afgesloten, wat waarschijnlijk verband hield met de ontscheping van alle passagiers, en moest hij zich moeizaam een weg zoeken door ontelbare kleine ruimtes, voortdurend afbuigende gangen, korte trappen die steeds weer op elkaar volgden, een leeg vertrek met een verlaten schrijfbureau, tot hij daadwerkelijk, omdat hij deze weg maar een. of tweemaal had afgelegd en dan steeds in een vrij groot gezelschap, volstrekt verdwaald was. In zijn radeloosheid en omdat hij geen mens tegenkwam en alleen onafgebroken boven zijn hoofd het geschuifel van duizenden mensenvoeten hoorde en uit de verte als een ademtocht de laatste trillingen van de al uitgeschakelde machine waarnam, begon hij zonder erbij na te denken op een willekeurig deurtje te slaan, waar hij op zijn dwaaltocht voor was blijven staan. 'Hij is open hoor,' werd er van binnen geroepen en Karl deed waarlijk opgelucht de deur open. 'Waarom slaat u zo idioot op de deur?' vroeg een reusachtige man zodra hij Karl zag staan. Door een of ander bovenlicht viel een troebel, boven in het schip allang verbruikt licht in de armzalige hut, waarin een bed, een kast, een stoel en de man dicht op elkaar stonden als in een opslagruimte. 'Ik ben verdwaald,' zei Karl, 'ik heb het tijdens de overtocht helemaal niet zo gemerkt, maar het is een verschrikkelijk groot schip.''Ja, daar hebt u gelijk in,' zei de man met een zekere trots, terwijl hij niet ophield met aan het slot van een koffertje te morrelen, dat hij steeds opnieuw met beide handen dichtdrukte om naar het klikken van het mechaniek te luisteren. 'Maar komt u toch binnen,' zei de man vervolgens, 'u blijft toch niet buiten staan.' 'Stoor ik niet?' vroeg Karl. 'Ach, hoe zou u moeten storen.' 'Bent u Duitser?' vroeg Karl nog voor de zekerheid, omdat hij veel had gehoord over de gevaren die nieuwkomers in Amerika vooral van de kant van Ieren bedreigen. 'Zeker, zeker,' zei de man. Karl aarzelde nog. Toen greep de man onverwachts de deurknop en trok met de deur, die hij snel dichtdeed, Karl bij zich naar binnen. 'Ik kan er niet tegen als ze van de gang bij mij naar binnen kijken,' zei de man, die weer met zijn koffer in de weer was. 'Iedereen loopt zomaar langs en kijkt naar binnen, het is niet te harden.' 'Maar de gang is toch helemaal leeg,' zei Karl, die ongemakkelijk tegen een stijl van het bed aan gedrukt stond. 'Ja, nu wel,' zei de man. 'Het gaat toch om nu,' dacht Karl, 'het is moeilijk praten met die man.' 'Gaat u toch op het bed liggen, dan heeft u meer plaats,' zei de man. Karl kroop er zo goed en zo kwaad als het ging in en moest hard lachen om zijn eerste vergeefse poging zich over de rand te zwaaien. Maar hij lag er nog niet in of hij riep: 'Goeie god, nu ben ik mijn koffer helemaal vergeten.''Waar is die dan?' 'Boven op het dek, een kennis past erop. Hoe heet hij ook weer?' En hij haalde uit een geheime zak, die zijn moeder voor zijn vertrek in de voering van zijn jas had genaaid, een visitekaartje. 'Butterbaum. Franz Butterbaum.' 'Heeft u die koffer beslist nodig?' 'Natuurlijk.' 'Ja, waarom heeft u hem dan aan een vreemde gegeven?''Ik had mijn paraplu beneden laten staan en ben teruggerend om hem te halen, maar ik wilde mijn koffer niet meeslepen. Toen ben ik ook nog verdwaald.' 'Bent u alleen? Zonder gezelschap?'
'Ja, alleen.' Ik moest misschien maar bij deze man in de buurt blijven, ging het door Karls hoofd, waar vind ik zo gauw een betere vriend. 'En nu bent u ook nog uw koffer kwijt. Over uw paraplu heb ik het dan maar niet', en de man ging op de stoel zitten, alsof Karls kwestie hem nu beetje begon te interesseren. 'Maar ik geloof dat ik de koffer nog niet kwijt ben.' 'Zalig zijn de gelovigen,' zei de man terwijl hij krachtig in zijn donkere, korte, dichte haar krabde. 'Op een schip veranderen met de havenplaatsen ook de zeden, in Hamburg had die Butterbaum van u misschien op de koffer gepast, hier zijn ze hoogstwaarschijnlijk allebei al spoorloos.''Maar dan moet ik toch meteen boven gaan kijken,' zei Karl, om zich heen kijkend hoe hij naar buiten kon komen. 'Blijf toch zitten,' zei de man en hij duwde hem met een hand tegen zijn borst haast ruw terug in het bed. 'Waarom dan wel?' vroeg Karl geërgerd. 'Omdat het geen zin heeft,' zei de man. 'Over een poosje ga ik ook, dan gaan we samen. Ofwel uw koffer is gestolen, dan is er niets aan te doen en kunt u er tot het einde van uw dagen om treuren, ofwel die man staat er nog steeds op te passen, dan is het een domoor en moet hij nog maar even blijven oppassen, of hij is gewoon een eerlijke vent en heeft de koffer laten staan, dan vinden we hem des te gemakkelijker als het schip helemaal leeg is. Hetzelfde geldt voor uw paraplu.''Weet u de weg op het schip?' vroeg Karl wantrouwig, en hij had het gevoel dat er met de overigens overtuigende gedachte dat zijn spullen op het lege schip het best gevonden zouden kunnen worden, iets niet helemaal in de haak was. 'Ik ben toch stoker op het schip,' zei de man. 'U bent stoker op het schip,' riep Karl verheugd, alsof dat al zijn verwachtingen overtrof, en steunend op zijn ellebogen keek hij de man aandachtiger aan. 'Precies voor de hut waar ik met de Slowaken samen heb geslapen, zat een luik waardoor je in de machinekamer kon kijken.''Ja, daar heb ik gewerkt,' zei de stoker. 'Ik heb mij altijd zo voor techniek geïnteresseerd,' zei Karl, die een bepaalde gedachtegang volgde, 'en ik zou later zeker ingenieur zijn geworden als ik niet naar Amerika had moeten gaan.''Waarom heeft u dan moeten gaan?''Ach, laat maar!' zei Karl terwijl hij de hele geschiedenis met zijn hand wegwuifde. Daarbij keek hij de stoker glimlachend aan, alsof hij hem zelfs begrip vroeg voor wat hij niet had opgebiecht. 'Er zal wel een reden voor zijn geweest,' zei de stoker en je wist niet precies of hij daarmee het vertellen van die reden wilde uitlokken of tegenhouden. 'Nu zou ik ook stoker kunnen worden,' zei Karl, 'mijn ouders kan het nu niets meer schelen wat ik word.' 'Mijn plaats komt vrij,' zei de stoker, en stak in het volle bewustzijn daarvan zijn handen in zijn broekzakken en wierp zijn benen, die in gekreukte, leerachtige, metaalgrijze broekspijpen staken, op het bed om ze te strekken. Karl moest meer naar de wand opschuiven. 'Verlaat u het schip?' 'Jawel, vandaag marcheren we af.' 'Maar waarom? Bevalt het u niet?''Ja, zo staan de zaken nu eenmaal, het gaat er niet altijd om of het je bevalt of niet. Overigens hebt u gelijk, het bevalt me ook niet. U denkt er waarschijnlijk niet serieus over stoker te worden, maar dan kun je het juist het gemakkelijkst worden. Ik raad het u dus beslist af. Als u in Europa wilde studeren, waarom wilt u het hier dan niet. De Amerikaanse universiteiten zijn toch onvergelijkelijk veel beter.''Dat is wel mogelijk,' zei Karl, 'maar ik heb toch bijna geen geld om te studeren. Ik heb weliswaar over iemand gelezen die overdag in een winkel werkte en 's nachts studeerde tot hij doctor en, geloof ik, burgemeester was. Maar daar is toch een groot doorzettingsvermogen voor nodig, nietwaar? Ik vrees dat het mij daaraan ontbreekt. Bovendien was ik helemaal geen bijzonder goede leerling, het afscheid van school is mij werkelijk niet zwaar gevallen. En de scholen hier zijn misschien nog wel strenger. Engels ken ik bijna helemaal niet. Ze zijn hier trouwens nogal vooringenomen tegen vreemdelingen, geloof ik.''Hebt u dat ook al ondervonden? Nou, dan is het goed. Dan bent u mijn man. Kijk, wij zitten toch op een Duits schip, het is van de Hamburg-Amerikalijn, waarom zijn hier dan niet alleen Duitsers? Waarom is de eerste machinist een Roemeen? Hij heet Schubal. Dat is toch niet te geloven. En die smeerlap beult ons Duitsers af op een Duits schip. Denkt u niet' - hij kwam adem tekort, hij wuifde ongeduldig met zijn hand - 'dat ik klaag om te klagen. Ik weet dat u geen invloed hebt en zelf maar een arm ventje bent. Maar het is te erg.' En hij sloeg een paar keer hard op de tafel met zijn vuist, die hij bij het slaan niet uit het oog verloor. 'Ik heb toch al op zoveel schepen dienstgedaan' - hij noemde twintig namen achter elkaar alsof het één woord was - het duizelde Karl helemaal - 'en ik heb mij onderscheiden, ik ben geprezen, was een werker die bij zijn kapiteins in de smaak viel, heb zelfs een paar jaar op hetzelfde koopvaardijschip gewerkt'. hij richtte zich op alsof dat het hoogtepunt van zijn leven was -'en hier op deze schuit, waar alles op rolletjes loopt, waar je nergens over hoeft na te denken - hier deug ik nergens voor, hier loop ik die Schubal voortdurend in de weg, ben ik een luilak, verdien ik het eruit gegooid te worden en is het een gunst als ik mijn gage krijg. Begrijpt u dat? Ik niet.''Dat moet u niet nemen,' zei Karl opgewonden. Hij had bijna niet meer het gevoel dat hij zich op de onvaste bodem van een schip aan de kust van een onbekend werelddeel bevond, zozeer voelde hij zich hier thuis op het bed van de stoker. 'Bent u al bij de kapitein geweest? Hebt u al geprobeerd bij hem uw recht te krijgen?''Ach, ga toch weg, gaat u maar liever weg. Ik wil u hier niet hebben. U luistert niet naar wat ik zeg en gaat mij dan raad geven. Hoe moet ik nu naar de kapitein gaan.' En vermoeid ging de stoker weer zitten en liet zijn gezicht in zijn handen zakken. 'Een betere raad kan ik hem niet geven,' zei Karl bij zichzelf. En hij vond trouwens toch dat hij beter zijn koffer had kunnen gaan halen dan hier raad geven die alleen maar dom werd gevonden. Toen zijn vader hem de koffer voorgoed had afgestaan, had hij schertsend gevraagd: Hoe lang zul je hem hebben? En nu was die kostbare koffer misschien al echt verloren. De enige troost was nog dat zijn vader van zijn huidige toestand niet het allerminste aan de weet kon komen, zelfs als hij navraag zou doen. Alleen dat hij in New York was aangekomen kon de scheepvaartmaatschappij nog net zeggen. Maar Karl vond het zonde dat hij de spullen in de koffer nog haast niet had gebruikt, hoewel hij bijvoorbeeld allang een schoon hemd had moeten aantrekken. Daarin was hij dus ten onrechte zuinig geweest; nu hij zich juist aan het begin van zijn loopbaan netjes gekleed moest presenteren, zou hij met zijn vuile hemd aan moeten verschijnen. Dat waren mooie vooruitzichten. Anders was het verlies van de koffer niet zo heel erg geweest, want het pak dat hij aanhad was zelfs beter dan dat in de koffer, dat eigenlijk een pak voor noodgevallen was dat zijn moeder nog kort voor zijn vertrek had moeten verstellen. Nu herinnerde hij zich ook dat er in de koffer nog een stuk Veronese salami zat dat zijn moeder als extraatje voor hem had ingepakt, maar waarvan hij slechts een heel klein stukje had kunnen eten omdat hij tijdens de overtocht helemaal geen honger had gehad en de soep, die op het tussendek werd uitgedeeld, meer dan genoeg voor hem was geweest. Maar nu had hij de worst graag bij de hand gehad om hem de stoker aan te bieden. Want je kunt zulke lieden gemakkelijk voor je winnen als je ze een of andere kleinigheid toestopt, dat wist Karl nog van zijn vader, die door het uitdelen van sigaren al het lagere personeel waarmee hij zakelijk te maken had voor zich won. Nu had Karl alleen nog zijn geld bij zich om uit te delen en daar wilde hij, omdat hij misschien de koffer al kwijt was, voorlopig niet aankomen. Weer gingen zijn gedachten terug naar de koffer en het was hem werkelijk een raadsel waarom hij de koffer tijdens de overtocht zo angstvallig had bewaakt dat het oppassen hem bijna zijn slaap had gekost, terwijl hij zich nu diezelfde koffer zo gemakkelijk had laten afpakken. Hij herinnerde zich de vijf nachten waarin hij een kleine Slowaak, die twee slaapplaatsen links van hem lag, er onafgebroken van had verdacht dat hij het op zijn koffer had voorzien. Deze Slowaak had er alleen maar op geloerd dat Karl door vermoeidheid overmand een ogenblik indommelde, zodat hij de koffer met een lange stang, waarmee hij de hele dag steeds speelde of oefende, naar zich toe kon trekken. Overdag zag deze Slowaak er onschuldig genoeg uit, maar zodra het nacht was stond hij af en toe op van zijn slaapplaats om treurig naar Karls koffer te kijken. Karl kon dat heel duidelijk waarnemen, want voortdurend had hier of daar iemand met de onrust van de landverhuizer een lichtje aangestoken, hoewel het scheepsreglement dat verbood, om te proberen onbegrijpelijke folders van de emigratiebureaus te ontcijferen. Als zo'n lichtje dichtbij was, kon Karl een beetje indutten, maar als het verder weg was of als het donker was moest hij zijn ogen openhouden. Die inspanning had hem werkelijk uitgeput. En nu was ze misschien helemaal voor niets geweest. Die Butterbaum, als hij die nog eens ergens tegenkwam.

[...]

 

Copyright vertaling © 2016 Willem van Toorn / Athenaeum—Polak & Van Gennep

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum