Leesfragment: Daisy Miller

21 februari 2016 , door Henry James
|

Deze week verscheen Henry James, Daisy Miller. Een studie (vertaling Frank Lekens). Wij brengen een fragment.

Aan het einde van de negentiende eeuw toert de jonge Amerikaanse Daisy Miller met haar moeder door Europa. Het is bon ton voor dochters van nouveaux riches uit de Nieuwe Wereld zich te laven aan de cultuur en de charmante omgangsvormen van het Oude Continent.

Daisy is een typisch Amerikaanse: zelfbewust en spontaan, en ze laat zich niets gelegen liggen aan wat anderen denken. Het is precies door deze onverdorvenheid en naïviteit dat de Amerikaanse expat Frederick Winterbourne als een blok voor haar valt. Hij woont al jaren in Europa en heeft de vormelijke en wereldwijze omgangsvormen van zijn nieuwe thuisland overgenomen. Hij doet voorzichtige toenaderingspogingen maar weet zich met haar reactie geen raad. Speelt ze een spelletje met hem? Houdt ze toch van hem? Is haar onbevangenheid echt? Daisy lijkt zich ondertussen van geen kwaad bewust en volhardt in haar stralende geflirt. Totdat ze daarmee het noodlot over zichzelf afroept.

Met Daisy Miller (1879) brak Henry James (1843-1916) door bij het grote publiek. De novelle was een ware rage – in Amerika werden zelfs Daisy Miller-hoeden verkocht – en het succes inspireerde hem tot het schrijven van zijn eerste grote meesterwerk The Portrait of a Lady.

 

1

In het Zwitserse stadje Vevey bevindt zich een heel gerieflijk hotel. Er zijn daar veel hotels, want het onthaal van toeristen is de grootste inkomstenbron van dat stadje dat, zoals veel reizigers zich zullen heugen, gelegen is aan een bijzonder blauw meer – een meer dat iedere toerist eens moet aandoen. Aan de oever van dat meer staat een lange rij van dergelijke etablissementen, in alle soorten en maten: van het modernste grand hôtel, met krijtwitte gevel, honderd balkons en een tiental vlaggen wapperend op het dak, tot het aloude Zwitserse pensionnetje met de naam in gotische letters op een van de roze of gele muren geschilderd en een lomp prieeltje in een hoekje van de tuin. Maar een van die hotels in Vevey is befaamd, ja zelfs klassiek, en onderscheidt zich van zijn vele omhooggevallen buren door een uitstraling van aanzien en luxe. In juni wemelt het in deze streek van de Amerikaanse toeristen. Men kan wel zeggen dat Vevey dan veel weg heeft van een Amerikaanse badplaats, veel taferelen en geluiden roepen er herinneringen op aan Newport en Saratoga: heen en weer fladderende ‘vlotte’ jonge meisjes, ruisende mousselinen jurken, rumoer van dansmuziek tot in de vroege uren en de hele dag door kwebbelende hoge stemmetjes. Dat zijn de indrukken die zich opdringen in het voortreffelijke hotel Trois Couronnes, waardoor men zich daar in het Ocean House of Congress Hall kan wanen. Al moet gezegd dat sommige zaken in het Trois Couronnes ook weer in strijd met die illusie zijn: de keurige Duitse kelners, onberispelijk als diplomaten, de in de tuin verpozende Russische prinsessen, de kleine Poolse jongetjes die rondstappen aan de hand van hun huisleraar, het uitzicht op de besneeuwde toppen van de Dents du Midi en de pittoreske torens van het Château de Chillon.
Ik weet niet goed of het nu vooral de overeenkomsten of juist de verschillen waren die de aandacht trokken van de jonge Amerikaan die twee of drie jaar geleden in de tuin van het Trois Couronnes zijn blik over enkele van die bezienswaardigheden liet glijden. Het was een prachtige zomerochtend, en wat er ook in de jonge Amerikaan omging, de bekoring van de omgeving kan hem niet zijn ontgaan. Hij was de vorige dag met het stoombootje uit Genève gekomen voor een bezoek aan zijn tante, die in het hotel verbleef; Genève was de stad waar hij al lange tijd woonde. Maar zijn tante had hoofdpijn – zijn tante had bijna altijd hoofdpijn – en zat op haar kamer met een flesje kamferolie, zodat hij vrij kon rondslenteren. Hij was een jaar of zevenentwintig. Als zijn vrienden over hem spraken, zeiden ze meestal dat hij in Genève ‘studeerde’; als zijn vijanden over hem spraken, zeiden ze… maar vijanden had hij eigenlijk niet. Hij was een alleraardigste kerel die bij iedereen in de smaak viel. Ik moet het zo zeggen: sommige mensen beweerden dat hij al zo lang in Genève verbleef uit verknochtheid aan een dame die daar woonde. Een buitenlandse dame. Iemand die ouder was dan hij. Slechts weinig Amerikanen – eigenlijk niet één, denk ik – hadden ooit een glimp opgevangen van deze dame, over wie enkele eigenaardige verhalen de ronde deden. Maar Winterbourne’s banden met de bakermat van het calvinisme waren van ouder datum. Hij had in die stad als kind op school gezeten en was er later ook naar de universiteit gegaan, zodat hij er heel wat vrienden had gemaakt. En veel van die vrienden had hij tot zijn grote genoegen nog steeds.
Nadat hij bij zijn tante had aangeklopt en te horen had gekregen dat ze onwel was, had hij een wandeling door de stad gemaakt en was teruggekeerd om te ontbijten. Dat ontbijt had hij nu genuttigd, maar hij zat nog een kopje koffie te drinken, dat hem aan zijn tafel in de tuin was geserveerd door zo’n kelner die eruitzag als een attaché. Na zijn koffie stak hij een sigaret op. Over het pad kwam een jongetje aangelopen, een kereltje van negen of tien. Hij was klein voor zijn jaren maar had een ouwelijke uitdrukking op zijn gezicht, dat bleek van teint en scherp van trekken was. Hij droeg een knickerbocker met rode kousen waar twee spillebeentjes uit staken en een fonkelrode cravate. In zijn hand had hij een lange alpenstok met een scherpe punt, waarmee hij in alles prikte wat hij tegenkwam – de bloemperken, de bankjes in de tuin, de sleep van een damesjurk. Hij bleef bij Winterbourne staan en keek hem met zijn heldere, pientere oogjes aan.
‘Mag ik een suikerklontje van u?’ vroeg hij met een scherp, hard stemmetje – een stem die niet volwassen, maar op een of andere manier ook niet jeugdig klonk.
Winterbourne keek naar het koffiestel op de tafel en zag dat er nog een paar klontjes lagen. ‘Ja, pak er maar een,’ antwoordde hij. ‘Maar volgens mij is suiker niet goed voor kleine jongetjes.’
Dit kleine jongetje stapte naar voren en koos met zorg drie van de begeerde suikerklontjes. Twee daarvan verdwenen in de zak van zijn knickerbocker, het derde deponeerde hij prompt op een andere plaats. Hij stond met zijn alpenstok als een lans in Winterbourne’s bank te prikken terwijl hij het suikerklontje met zijn tanden probeerde te breken.
‘Jeetje, wat is het har-r-d!’ riep hij uit, waarbij zijn karakteristieke r opviel.
Winterbourne had al meteen beseft dat hij waarschijnlijk met een landgenoot van doen had. ‘Pas maar op dat je geen tandpijn krijgt,’ zei hij vaderlijk.
‘Ik heb geen tanden meer die pijn kunnen doen. Ze vallen allemaal uit. Ik heb er nog maar zeven. Mijn moeder heeft ze gisteravond geteld, en toen viel er meteen weer één uit. Ze zei dat ik een mep zou krijgen als er nog meer uitvielen. Maar ik kan het ook niet helpen. Het ligt aan dit ouwe Europa. Het komt door dit klimaat dat ze eruit vallen. In Amerika vielen ze er niet uit. Het komt door al die hotels.’
Winterbourne hoorde het geamuseerd aan. ‘Als je drie suikerklontjes eet, weet je zeker dat je van je moeder een mep krijgt,’ zei hij.
‘Dan moet ze me maar snoep geven,’ wierp zijn jonge gesprekspartner tegen. ‘Ik kan hier nergens snoep krijgen – geen Amerikaans snoep tenminste. In Amerika hebben ze het beste snoep.’
‘En hebben ze daar ook de beste jongetjes?’ vroeg Winterbourne.
‘Dat weet ik niet. Ik ben een Amerikaanse jongen,’ zei het kind.
‘En ik merk wel dat jij een bovenstebeste bent!’ zei Winterbourne lachend.
‘Bent u Amerikaan?’ vervolgde het kwieke kereltje. En toen Winterbourne dat bevestigde, verklaarde hij: ‘Amerikaanse mannen zijn de beste.’
Hij bedankte hem voor het compliment. De jongen, die zijn alpenstok nu had bestegen als een paard, stond om zich heen te kijken en stopte nog een suikerklontje in zijn mond. Winterbourne vroeg zich af of hij als kind zelf ook zo was geweest, want hij was ongeveer op dezelfde leeftijd meegenomen naar Europa.
‘Daar heb je mijn zus!’ riep het kind ineens. ‘Dat is een Amerikaans meisje.’
Winterbourne keek op en zag een prachtige jongedame naderen.
‘Amerikaanse meisjes zijn de beste,’ zei hij monter tegen zijn jonge vriend.
‘Mijn zus is geen beste!’ verklaarde het kind. ‘Ze zit me altijd achter de vodden.’
‘Daar zul je het dan zelf wel naar maken,’ zei Winterbourne. Ondertussen was de jongedame dichterbij gekomen. Ze was gekleed in een jurk van wit mousseline versierd met allerhande jabots en ruches en strikken van pastelkleurig lint. Ze droeg niets op haar hoofd, maar had een grote parasol met een brede geborduurde bies in haar hand. En ze was opvallend mooi. Wat zijn ze toch mooi! dacht Winterbourne, en hij rechtte zijn rug, alsof hij aanstalten maakte om voor haar overeind te komen.
De jongedame bleef voor zijn bankje staan, bij de balustrade van de tuin, waar je uitzicht op het meer had. Het jongetje had van zijn alpenstok nu een polsstok gemaakt waarmee hij rondsprong in het grind, dat alle kanten op stoof.
‘Randolph,’ zei de jongedame, ‘wat doe je nou?’
‘De Alpen beklimmen,’ antwoordde Randolph. ‘Zo doe je dat!’ En hij maakte weer een sprongetje waardoor Winterbourne de kiezels om de oren vlogen.
‘Zo dalen ze de berg juist af,’ zei Winterbourne.
‘Hij is een Amerikaan!’ riep Randolph met zijn harde stemmetje.
De jongedame reageerde niet op die mededeling en hield haar blik strak op haar broer gericht. ‘Doe nou maar een beetje rustig,’ was het enige wat ze zei.
Winterbourne vond dat dit wel kon doorgaan voor een introductie. Hij stond op, liep langzaam op het meisje af en gooide zijn sigaret weg. ‘Ik heb zojuist met deze jongen kennisgemaakt,’ zei hij uiterst beleefd. Zoals hij maar al te goed wist, mocht een jongeman in Genève alleen in heel specifieke, zeldzame situaties het woord richten tot een jonge, ongehuwde dame. Maar hoe had de situatie hier in Vevey idealer kunnen zijn? Een mooi Amerikaans meisje dat in de tuin ineens voor je neus staat.
Dit mooie Amerikaanse meisje keek hem bij het horen van zijn opmerking alleen even aan en wendde vervolgens het hoofd af om over de balustrade naar het meer en de bergen aan de overkant te turen. Hij vroeg zich af of hij te ver was gegaan, maar meende dat hij nu beter verder kon oprukken dan de aftocht blazen. Terwijl hij nog iets probeerde te bedenken om tegen haar te zeggen, richtte zij zich weer tot het jongetje.
‘Ik zou weleens willen weten hoe jij aan die stok komt,’ zei ze.
‘Die heb ik gekocht,’ antwoordde Randolph.
‘Je was toch niet van plan om die mee te nemen naar Italië?’
‘Jawel, ik neem hem wel mee naar Italië!’ verklaarde het kind.
Het meisje keek naar haar jurk en streek wat lintjes glad. Vervolgens richtte ze haar blik weer op het uitzicht. ‘Nou, ik zou hem maar gewoon ergens achterlaten,’ zei ze na een korte stilte.
‘Gaat u naar Italië?’ vroeg Winterbourne op respectvolle toon.
De jongedame keek hem weer aan. ‘Jawel, meneer,’ was haar antwoord. Meer zei ze niet.
‘Gaat u, eh… over de Simplon?’ vervolgde Winterbourne, een tikje verlegen.
‘Ik zou het niet weten,’ zei ze. ‘We zullen wel een berg over moeten, ja. Welke berg gaan we over, Randolph?’
‘Waar naartoe?’ vroeg het kind.
‘Naar Italië,’ legde Winterbourne uit.
‘Weet ik veel,’ zei Randolph. ‘Ik wil niet naar Italië. Ik wil naar Amerika.’
‘O, maar Italië is prachtig!’ zei de jongeman.
‘Hebben ze daar snoep?’ riep Randolph.
‘Ik hoop het niet,’ zei zijn zus. ‘Je hebt al meer dan genoeg snoep op, vraag maar aan moeder.’
‘Ik heb al ontzettend lang geen snoep gehad – wel honderd weken!’ riep het jongetje uit, terwijl hij rond bleef hoppen.
De jongedame wierp een blik op haar jabots en streek haar linten weer glad. Winterbourne waagde maar eens een opmerking over het prachtige uitzicht. Hij raakte over zijn verlegenheid heen omdat hij begon te beseffen dat zij niet in het minst met de situatie verlegen was. Haar charmante gezicht was volstrekt niet van kleur verschoten, ze was duidelijk beledigd noch van de wijs gebracht. En dat ze de andere kant opkeek als hij tegen haar sprak, zodat het leek of ze niet naar hem luisterde, dat was maar een gewoonte, haar manier van doen. Terwijl hij doorpraatte en haar wees op enkele bijzonderheden in het uitzicht, dat nieuw voor haar leek te zijn, liet ze haar blik stilaan wat vaker op hem rusten, en toen merkte hij dat ze hem recht en ongegeneerd aankeek. Je kon het ook geen onbeschaamde blik noemen, ze keek gewoon bijzonder eerlijk en onbevangen uit haar ogen. Schitterend mooie ogen waren het. Ja, Winterbourne had in lange tijd niet zoiets moois gezien als deze fraaie landgenote – haar teint, haar neus, haar oren, haar tanden. Hij was een groot liefhebber van vrouwelijk schoon, hij kende geen groter genoegen dan het observeren en analyseren daarvan, en in het gelaat van deze jongedame viel hem het een en ander op. Zo was het verre van nietszeggend, maar ook niet bijzonder uitgesproken. En hoe verfijnd haar trekken ook waren, Winterbourne verdacht haar toch – zonder het haar euvel te duiden – van een zeker gebrek aan raffinement. Het leek hem heel goed mogelijk dat de zus van jongeheer Randolph koket was, en hij wist wel zeker dat ze kittig was – maar hij kon in haar opgewekte, oppervlakkige lieve gezicht geen greintje spotlust of ironie bespeuren.

[...]

 

© 2016 Nederlandse vertaling Frank Lekens / Uitgeverij Wereldbibliotheek

MINDBOOKSATH : athenaeum