Leesfragment: De afwezigen

06 september 2016 , door Lieke Kézér
| |

Deze week verschijnt De afwezigen, de debuutroman van Lieke Kézér. Wij publiceren een fragment!

‘Kézér schrijft wel een beetje als een saxofonist, denk aan de lange lijnen van Cannonball Adderley, soepel en lyrisch, veel detail, en toch brengt ze alles steeds weer keurig thuis.’ – Peter Buwalda

Wonderkind Joshua James groeit op bij zijn psychotische moeder. Na haar dood ontfermt een bejaarde buurman zich over hem. Hij probeert de jongen uit zijn isolement te halen door hem saxofoon te leren spelen. In de jaren die volgen ontwikkelt Joshua James zich tot een muzikale legende, maar de demonen uit zijn verleden laten hem niet met rust. De afwezigen vertelt niet alleen het verhaal van Joshua’s leven, maar ook de bijzondere verhalen van de mensen die zijn pad kruisen, zoals dat van zijn vader die hem al vroeg in de steek laat en een rouwend meisje in wie hij zijn gelijke vindt. Allen zijn zij in gevecht met de afwezigen in hun leven en met de eenzaamheid waartoe verloren liefde kan leiden. Een tedere roman over verlies en overleven, ambities en opportunisme en de troostende kracht van muziek.

 

1978

Daar stonden ze dan op Los Angeles International Airport, enigszins verloren in de reizigershectiek: de eenenzeventigjarige weduwnaar Frank Johnson, en de dertienjarige Joshua James. Ze waren zojuist de douane gepasseerd en daar moest Frank nog van op adem komen. In zijn rugzak zat de urn met de as van zijn vrouw Gloria en terwijl ze in de rij hadden staan wachten tot ze aan de beurt waren om door een kwaaiige kerel te worden ondervraagd, had hij zich ineens afgevraagd of het wel was toegestaan: een volle urn in het vliegtuig. Je kon er niet omheen, het was zo’n potsierlijk ding dat hij zich door een listige begrafenisondernemer had laten aansmeren, een joekel van een stolp, het leed geen twijfel dat de douanebeambte zou willen weten wat hij in hemelsnaam met zich meedroeg. Wat als ze hem zouden dwingen de urn af te staan? Hij kon zijn Gloria hier toch niet achterlaten? Hij wilde de urn ook niet inchecken, je hoefde hem niet te vertellen hoe ze met bagage omsprongen. Wat als de dop los zou raken en de as zich over het gehele bagageruim zou verspreiden, een stoffig laagje over koffers die zich naar alle uithoeken van de wereld zouden begeven? Gloria was nooit een reiziger geweest, noch had ze een avontuurlijke geest gehad. Maar de douanebeambte had geen enkele interesse in Franks bolstaande rugzak getoond. Hij had hem ongeduldig door het poortje gewuifd, hij leek niet eens verbaasd over het opmerkelijke duo dat ze vormden: de oude man met zijn doffe, zwarte huid, en de bleke, blonde jongen die nooit zijn kleinzoon zou kunnen zijn. Ook dat had Frank in de rij voor de douane zorgen gebaard: wat als ze dachten dat hij Joshua probeerde te ontvoeren?
De reis was een impulsief besluit geweest dat hij gisterochtend had genomen nadat hij op school een afmattend gesprek had gevoerd met Joshua’s lerares, een vormelijke vrouw zonder enige zwier. Joshua had het afgelopen jaar geen enkele voldoende gehaald, hij zou het schooljaar over moeten doen. Het leek haar zinvol als Frank hulp zou zoeken voor de jongen: een psychiater, een gezinshulp, wat dan ook. Zijn ontwikkeling was als een ontspoorde locomotief tot stilstand gekomen: niet alleen zijn cijfers waren zorgwekkend, hij zocht ook geen aansluiting meer bij zijn klasgenoten. Hij meed ieder contact, hij bracht de pauzes alleen door, hij nam nooit deel aan buitenschoolse activiteiten. ‘En hij praat niet,’ had ze gezegd. ‘Hij knikt als ik hem iets vraag, soms mompelt hij iets, maar voor de rest zwijgt hij. Praat hij met u over wat er is gebeurd?’
‘Ik geloof niet dat hij daar al aan toe is,’ had Frank met zachte stem gezegd.
‘Hij zit in een isolement. Het is belangrijk hem daar uit te halen.’
‘Hij heeft een hoop meegemaakt. Ik wil hem de tijd geven.’
‘Het is alweer bijna een jaar geleden.’
‘Wat is nou een jaar?’ God, had Frank gedacht, die vrouw heeft waarschijnlijk nog nooit iets meegemaakt in haar keurig aangeharkte leventje, en ondertussen maar oordelen over anderen. Maar toen hij door de schaduwloze straten naar huis liep, kon hij niet anders dan toegeven dat het zo niet langer kon. Ik neem hem mee naar New York, had hij besloten. Een andere omgeving, en dan die stad, het zou wel eens precies kunnen zijn wat de jongen nodig had. Thuis had hij hijgend de telefoon gepakt en twee tickets geboekt. eWanneer wilt u vertrekken?f had de dame van het reisbureau gevraagd. eMorgen,f had Frank ademloos gezegd.
Hij liet zich zakken op een van de stoelen dicht bij de gate. Joshua stond bij het raam, met zijn handen plat tegen het glas. De vliegtuigen scheerden als zilveren schimmen in het heldere ochtendlicht over de start. en landingsbanen. Vanaf het moment dat Frank de tickets had geboekt was hij druk bezig geweest met het inpakken van spullen, het regelen van geldzaken (hij had de helft van zijn spaargeld opgenomen, hij hoopte dat het voldoende was voor een week) en het zoeken naar een tijdelijk onderkomen voor de kat. Hij had er geen moment bij stilgestaan wat het voor hem zou betekenen: New York, na al die jaren. Toen de taxichauffeur die ochtend de straat was uitgereden had hij zich ineens iets bedacht: Gloria! Hij had de chauffeur gesommeerd om te keren, hij had de trap van de veranda genomen als een jonge vent, met twee treden tegelijk, de urn van de kast gepakt en het ding in een oude rugzak gestopt. Een daad van knetterende impulsiviteit, hij had geen flauw idee wat hij met dat koperkleurige gevaarte moest in een stad als New York. Op de snelweg had hij naar de bosbranden gestaard die in de verte rood opgloeiden, de zwarte pluimen die aan de hemel vervaagden, en hij had de rugzak tegen zich aan gedrukt en naar zijn vrouw verlangd. Niet naar de vrouw die ze was toen ze een jaar geleden was gestorven, die had namelijk in de verste verte niet op zijn echtgenote geleken, maar naar de Gloria die hij nog iedere nacht tegenkwam in zijn dromen.

Om tien over elf in de ochtend, plaatselijke tijd, kwam het vliegtuig met een klap op John F. Kennedy Airport terecht en Frank Johnson ontwaakte met een schok. Om hem heen trokken passagiers bagage uit de ruimen boven hun hoofd, naast hem zat Joshua naar buiten te kijken. Zijn handen speelden met een plastic bekertje. ‘Wat zou je zeggen van een reisje naar New York?’ had hij gevraagd toen Joshua gistermiddag was thuisgekomen met het bedroevende rapport. De jongen had gereageerd zoals hij dat ook deed als Frank hem vroeg of hij een glas chocolademelk wilde, of als hij opperde een wandeling te maken na het avondeten: hij knikte. Nu lag er een schaduw van een glimlach over zijn bleke gezicht. Hij was nog nooit op vakantie geweest.
‘Hé,’ zei Frank. ‘Zijn we er al?’
Joshua knikte.
‘Weet je het zeker? Ik geloof dat ik in slaap ben gevallen, heb je wel goed opgelet? Hadden we er niet al eerder uit gemoeten?’
‘Nee.’
‘Dus je weet heel zeker dat we in New York zijn en niet in Calcutta?’
‘Heel zeker.’
‘We zijn niet in Timboektoe?’
‘Nee.’
‘Mooi.’
Het duurde een tijd voor hun koffers op de afhaalband voorbij kwamen rollen. Er schoten splinters bot van zijn ruggenwervels toen Frank ze op het karretje tilde dat hij Joshua vervolgens door de aankomsthal liet duwen. Om hen heen vielen mensen elkaar in de armen en ineens werd Frank overvallen door een herinnering en zag hij de deuren waar ze zojuist doorheen waren gekomen openschuiven en Gloria tevoorschijn komen. Ze was jong, ze was verbluffend mooi. En hij stond achter het hek met een rode roos die hij op straat had gekocht van een sjofele oude kerel, en (bij wijze van grap) een bord met haar naam erop. Hoelang was dat geleden? Een jaar of dertig? Het was de laatste keer dat ze samen in New York waren geweest, een gelukzalige week. Later was Frank nog enkele malen zonder haar naar New York gereisd voor optredens met het orkest van Duke Ellington, maar toen was op een avond het telefoontje gekomen dat alles had veranderd en had hij zich noodgedwongen aan huis gekluisterd.
Hij was stil blijven staan. Mensen stroomden langs hem heen, van een afstandje keek Joshua hem vragend aan. ‘Een taxi,’ zei Frank schor. ‘We moeten een taxi hebben.’
Ze sloten achter de lange rij wachtenden aan, maar sneller dan verwacht konden ze plaatsnemen op de achterbank bij een norse Jamaicaan en draaiden ze de Van Wyck Expressway op. Frank gaf Joshua een kneepje in zijn bovenbeen. De jongen had ledematen als spaghettislierten. Hij woonde nu tien maanden bij Frank en zijn broekspijpen reikten nog maar tot zijn enkels, zijn shirts leken te heet gewassen, ze moesten hier maar eens naar een van die grote warenhuizen voor een nieuwe garderobe. ‘Kijk,’ zei hij, toen de skyline van Manhattan zich dan eindelijk op glorieuze wijze aan hen openbaarde, en met stokkende adem wees hij het Chrysler Building aan, het Empire State, en daar, het World Trade Center, de Twin Towers, alle badend in de zon onder een smetteloos blauwe hemel. Er is niets veranderd, dacht Frank verbijsterd terwijl de Jamaicaan zich duwend en trekkend door het verkeer begaf. Dertig jaar lang had Franks leven zich op een paar vierkante kilometer afgespeeld. Het huis waar hij en Gloria woonden. Het pompstation waar hij zo lang had gewerkt dat de benzinedampen in zijn huid waren getrokken, zodat hij zelfs nu nog naar een sputterende stationwagen rook als hij zweette. De supermarkt. Hij had alles te voet af kunnen leggen. Een gekmakend klein bestaan voor een man die ooit op het punt had gestaan zijn wereldomvattende dromen te verwezenlijken. Hij had er nooit lang bij stilgestaan uit angst omvergeworpen te worden en de tijd had met vaste hand alle kansen op een betere toekomst weggehakt, tot hem duidelijk was geworden dat hij zich met zijn leven moest verzoenen, maar hoe?
Ze reden de stad binnen en hij draaide het raam open om tot de conclusie te komen dat hij nooit was vergeten hoe New York rook. Ze kropen claxonnerend door de brede straten, langs trottoirs vol zakenlui, straatventers, toeristen en zwervers die volgeladen boodschappenwagentjes voor zich uit duwden, langs glimmende etalages, deli’s en de matglazen deuren van kantoorpanden. Wat was er veranderd in drie decennia? Niets. Alles.
Frank had een kamer geboekt in een hotel zonder herinneringen. Het lag aan Seventh Avenue, het was hem aangeraden door de dame van de reisorganisatie. De taxichauffeur tilde hun bagage uit de kofferbak en Frank keek rond, op zoek naar Joshua. De jongen stond iets verderop, aan de rand van de stoep, met zijn hoofd in zijn nek omhoog te kijken.

 

© 2016 Lieke Kézér

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum