Leesfragment: De meisjes

11 juni 2016 , door Emma Cline
| |

Op 15 juni verschijnt de Nederlandse vertaling van Emma Clines debuutroman De meisjes (The Girls, vertaald door Tjadine Stheeman), bij ons een uitgebreid fragment.

Californië, 1969. De veertienjarige Evie is sinds de scheiding van haar ouders neerslachtig en rusteloos. Aan het begin van de zomer maakt ze kennis met een groepje jonge vrouwen, die alles belichamen wat ze zelf zou willen zijn: zorgeloos, onafhankelijk en, vóór alles, vrij. Ze raakt bevriend met de negentienjarige Suzanne, die zich zusterlijk over haar ontfermt. Eindelijk ziet iemand haar staan. Evie sluit zich aan bij de commune waar Suzanne woont, en net als de andere meisjes raakt ze al snel in de ban van diens charismatische maar meedogenloze leider. Langzaam maar onherroepelijk stevent de zomer af op een gewelddadige climax.

De meisjes is een trefzeker debuut, een klassieke coming of age-roman over een meisje dat hunkert naar liefde en erkenning, en een overtuigend verhaal over de werking van macht.

 

[...]

Ze keken op van het felle keukenlicht als wasberen die betrapt worden in de vuilnisbak. Het meisje slaakte een gilletje. De lange slungelige jongen richtte zich op. Ze waren maar met z’n tweeën. Mijn hart bonkte in mijn keel, maar ze waren nog zo jong: kinderen uit de buurt, nam ik aan, die inbraken in vakantiehuizen. Mijn laatste uur had nog niet geslagen.
‘Wat de fuck?’ De jongen zette zijn bierflesje neer, het meisje bleef vlak bij hem. De jongen schatte ik een jaar of twintig. Hij had een bermuda aan, halflange witte sokken, roze acne onder een beginnend baardje. Het meisje was nog een ukkie. Vijftien, zestien, witte benen met een blauwige weerschijn.
Ik probeerde zo veel mogelijk gezag uit te stralen, terwijl ik de onderkant van mijn t-shirt tegen mijn bovenbenen drukte. Toen ik zei dat ik de politie zou bellen, snoof de jongen ongelovig.
‘Ga je gang.’ Hij trok het meisje naar zich toe. ‘Bel de politie maar. Weet je wat?’ Hij pakte zijn mobieltje. ‘Ik bel ze zelf wel.’
Van het ene moment op het andere zakte het scherm van angst in mijn borst.
‘Julian?’
Ik wilde in lachen uitbarsten – de laatste keer dat ik hem had gezien was hij dertien, mager en onvolgroeid. De enige zoon van Dan en Allison. Als een prinsje was hij van het ene celloconcours naar het andere gereden, geen afstand te groot. De leraar Mandarijn op donderdag, het zuurdesembrood en de kleverige vitaminepillen, ouderlijke dekking tegen mislukking. Het had allemaal niet mogen baten en hij was uiteindelijk terechtgekomen op een wat mindere universiteit, in Longbeach of Irvine. Daar was iets voorgevallen, herinnerde ik me. Hij was van de universiteit getrapt, of misschien was het iets minder ergs: het advies om eerst een jaar junior college te doen. Julian was destijds een verlegen, overgevoelige jongen, die als de dood was voor autoradio’s en onbekend eten. Nu had hij iets hards, de tatoeages die waarschijnlijk onder zijn shirt verder kropen. Hij wist niet meer wie ik was, en waarom zou hij ook? Ik was een vrouw die buiten zijn seksuele belangstelling viel.
‘Ik logeer hier een paar weken,’ zei ik, me bewust van mijn onbedekte benen. Ik voelde me wat opgelaten dat ik er zo’n drama van maakte en met de politie had gedreigd. ‘Ik ben een vriendin van je vader.’
Ik zag dat hij zich inspande om me te plaatsen, mijn betekenis te bepalen.
‘Evie,’ zei ik.
Nog steeds niets.
‘Vroeger woonde ik in Berkeley. Vlak bij het huis van je celloleraar. Weet je nog?’ Na de les kwamen Dan en Julian vaak even bij me langs. Julian die gulzig een glas melk dronk en staccato de poten van mijn tafel kaal trapte.
‘O, shit,’ zei Julian, ‘tuurlijk.’ Ik kon niet goed zeggen of hij me zich daadwerkelijk herinnerde of dat ik zojuist voldoende geruststellende details had geschetst.
Het meisje keek met een wezenloze uitdrukking naar Julian.
‘Het is in orde, schatje,’ zei hij en hij gaf haar een kus op haar voorhoofd – een onverwacht hoffelijk gebaar.
Julian glimlachte naar me en ik besefte dat hij dronken was, of misschien alleen stoned. Zijn gezicht was vlekkerig, zijn huid had een ongezonde glans, al barstte zijn chique opvoeding er dwars doorheen, als moedertaal.
‘Dit is Sasha,’ zei hij terwijl hij het meisje aanstootte.
‘Hi,’ piepte ze opgelaten. Ik was het onhandige van pubermeisjes vergeten: het verlangen naar liefde straalde zo openlijk van haar gezicht af dat het me in verlegenheid bracht.
‘En Sasha,’ zei Julian, ‘dit is...’
Julian had moeite om me scherp in beeld te krijgen.
‘Evie,’ zei ik maar vlug.
‘O ja,’ zei hij, ‘Evie. Jemig.’
Hij nam een slokje bier, het amberbruine flesje weerkaatste het schelle keukenlicht. Hij staarde langs me heen. Liet zijn blik over de meubels gaan, de inhoud van de boekenkast, alsof dit mijn huis was en hij een buitenstaander. ‘God, je zult ook wel gedacht hebben dat we inbrekers waren of zo.’
‘Ik dacht dat jullie uit het dorp waren.’
‘Er is hier een keer ingebroken,’ zei Julian. ‘Toen ik klein was. We waren niet thuis. Het enige wat ze hadden meegenomen, waren onze surfpakken en een hele lading zeeoren uit de vriezer.’ Hij nam nog een slokje.
Sasha keek onafgebroken naar Julian. Ze had een afgeknipte spijkerbroek aan, veel te koud voor deze contreien, en een slobberig sweatshirt dat waarschijnlijk van hem was. De boorden van de mouwen zagen er afgekloven en nattig uit. Ze had zich lelijk opgemaakt, maar ik nam aan dat het vooral symbolisch bedoeld was. Ik zag dat ze nerveus werd van mijn blikken. Ik begreep haar angst. Toen ik zo oud was, wist ik me ook geen houding te geven. Ik was bang dat ik te snel liep, dat anderen mijn gêne en stijfheid konden zien. Alsof iedereen me constant observeerde en mijn tekortkomingen bijhield. Ik vond Sasha wel erg jong. Te jong om hier met Julian te zijn. Ze leek te voelen wat ik dacht, want ze keek me met een verrassend minachtende blik aan.
‘Vervelend dat je vader niet heeft gezegd dat ik hier logeer,’ zei ik. ‘Ik kan in de andere kamer slapen als jullie het grote bed willen. Of als jullie alleen willen zijn, dan bedenk ik wel–’
‘Nee, joh,’ zei Julian. ‘Sasha en ik kunnen overal slapen, ja toch, schatje? En we zijn alleen maar op doorreis. We gaan naar het noorden. Een hasjtransportje,’ zei hij. ‘Dat doe ik ongeveer één keer per maand, van Los Angeles naar Humboldt.’
Het leek of Julian dacht dat ik hiervan onder de indruk zou zijn. ‘Ik handel er niet in of zo,’ ging hij verder, terugkrabbelend. ‘Ik vervoer het alleen. Het enige wat je daarvoor nodig hebt zijn een paar waterbestendige canvas tassen en een politiescanner.’
Sasha keek bezorgd. Zou ik ze niet aangeven?
‘Hoe ken je mijn vader ook alweer?’ vroeg Julian. Hij dronk zijn flesje leeg en opende een nieuw. Ze hadden een aantal sixpacks bij zich. Andere zichtbare etenswaren: het notengruis van studentenhaver, een ongeopend pakje zure matten, een oude verfrommelde zak waar fastfood in had gezeten.
‘We kennen elkaar uit L.A.,’ zei ik. ‘We hebben een tijdje samengewoond.’ Eind jaren zeventig hadden Dan en ik een flat gedeeld in Venice Beach. Venice met zijn armoedige straatjes en palmbomen die in de warme avondbries tegen de ramen schuurden. Ik leefde van de erfenis van mijn grootmoeders filminkomsten en probeerde ondertussen mijn verpleegdiploma te halen. Dan wilde acteur worden. Maar het zat er niet in, dat acteren. In plaats daarvan trouwde hij met een vrouw uit een rijke familie en begon een bedrijfj e in vegetarische diepvriesmaaltijden. Nu was hij de eigenaar van een huis in Pacific Heights dat de grote aardbeving had overleefd.
‘O, wacht, die vriendin uit Venice?’ Julian leek opeens wakkerder. ‘Hoe heet je ook alweer?’
‘Evie Boyd,’ zei ik, en zijn plotseling veranderende gezichtsuitdrukking verraste me: deels herkenning, maar ook oprechte interesse.
‘Wacht,’ zei hij. Hij haalde zijn arm van het meisje dat er zonder hem uitzag als een leeggelopen ballon. ‘Ben jij die ene vrouw?’
Misschien had Dan hem verteld hoe erg ik er op een gegeven moment aan toe was geweest. Die gedachte vond ik beschamend en in een reflex ging ik met mijn hand naar mijn gezicht. Een oude, gênante gewoonte die nog uit mijn puberteit stamde. Mijn manier om een puistje te camoufleren: een nonchalante hand tegen mijn kin, frunnikend aan mijn mond. Alsof dat niet de aandacht trok, het erger maakte.
Julian raakte opgewonden. ‘Zij heeft in een soort sekte gezeten,’ zei hij tegen het meisje. ‘Ja, toch?’ tegen mij.
In mijn maag opende zich een holte van angst. Julian hield zijn blik op me gericht, bijtend van verwachting. Hij haalde hortend, onregelmatig adem.
Ik was veertien die zomer. Suzanne was negentien. Er was een bepaald soort wierook die we brandden waarvan we slaperig en loom werden. Suzanne die voorlas uit een oude Playboy. De geile, lichtgevende polaroids die we veilig wegborgen en onderling ruilden als honkbalplaatjes.
Ik wist hoe makkelijk het kon gebeuren, het verleden opeens dichtbij, als de machteloze cognitieve verwarring die je ervaart bij een optische illusie. De sfeer van de dag die kon worden opgeroepen door een specifiek voorwerp: mijn moeders chiffon sjaal; een vochtige opengesneden pompoen. Bepaalde schaduwpatronen. Zelfs de weerkaatsing van de zon in een witte motorkap kon bij mij een rimpeling veroorzaken, een kortstondige terugkeer naar vroeger. Op internet had ik gezien dat oude Yardley Slicker Dolly-setjes – de lipsticks waren inmiddels natuurlijk een uitgedroogde kruimelboel – voor bijna honderd dollar te koop werden aangeboden. Zodat volwassen vrouwen die chemische, muffe bloemengeur weer konden ruiken. Zo sterk was het verlangen: mensen wilden gewoon bevestiging dat hun leven werkelijk had plaatsgevonden, dat degene die ze vroeger waren nog steeds vanbinnen bestond.
Er waren zoveel dingen die me terug konden halen naar die tijd. De scherpe smaak van sojasaus, de rooklucht in iemands haar, de groene heuvels die in juni blond kleurden. Een bepaalde configuratie van eikenbomen en rotsblokken, waargenomen uit mijn ooghoek, kon iets in me openbreken, en dan werden mijn handpalmen helemaal glad van de adrenaline.
Ik had weerzin bij Julian verwacht, misschien zelfs angst. Dat was de logische reactie. Maar zijn blik bracht me in verwarring. Hij bekeek me met iets van ontzag.
Hij had het ongetwijfeld van zijn vader gehoord. De zomer van de bouwvallige ranch, de zongebruinde peuters. De eerste keer dat ik er Dan over probeerde te vertellen was in Venice, op de avond dat de stroom was uitgevallen en we met kaarsen een apocalyptische intimiteit hadden gecreëerd. Hij was in lachen uitgebarsten. Mijn gedempte toon hoorde hij aan voor ingehouden hilariteit. Zelfs toen ik Dan had weten te overtuigen dat ik de waarheid sprak, was hij op hetzelfde ironische, kluchtige toontje doorgegaan over de ranch. Alsof het een horrorfilm was met knullige special effects, de hengelmicrofoon die in beeld hangt waardoor de slachtpartij een komedie wordt. Het was een opluchting om mijn betrokkenheid te kunnen bagatelliseren, mijn aanwezigheid netjes te verpakken in een systematisch geordende anekdote.
Het scheelde dat ik in de meeste boeken niet werd genoemd. Niet in de paperbacks met de bloederige omslagen of op de glanzende tijdschriftpagina’s met foto’s van de plaats delict. Evenmin in het minder populaire, maar accuratere verslag van de openbaar aanklager, dat vol stond met gore details, tot aan de onverteerde spaghetti die ze in de maag van het jongetje hadden aangetroffen. Het handjevol regels waarin ik wél werd genoemd, kwamen uit een stoffig, niet meer verkrijgbaar boek van een mislukte dichter, maar hij had mijn naam verkeerd gespeld en geen verband gelegd tussen mij en mijn grootmoeder. Deze dichter beweerde trouwens ook dat de CIA pornofilms produceerde met een gedrogeerde Marilyn Monroe in de hoofdrol, films die aan politici en buitenlandse staatshoofden werden verkocht.
‘Dat is al zo lang geleden,’ zei ik tegen Sasha, maar die keek me blanco aan.
‘Nou,’ zei Julian vrolijk, ‘ik heb het altijd een mooi verhaal gevonden. Pervers maar mooi,’ zei hij. ‘Een ziekelijke expressie, maar wel een expressie. Een artistieke schepping. Om te creëren moet je eerst vernietigen, van die Hindoe-shit en zo.’
Ik besefte dat hij mijn stomme verbazing aanzag voor instemming.
‘God, ik kan het me niet eens voorstellen,’ zei Julian. ‘Dat je zoiets in het echt meemaakt.’
Hij wachtte op mijn antwoord. Ik was versuft door de opdringerige keukenverlichting; vonden zij het licht dan niet te fel? Ik vroeg me af of het meisje eigenlijk wel knap was. Haar tanden hadden een gelige weerschijn.
Julian gaf haar een por met zijn elleboog. ‘Sasha heeft geen flauw idee waar we het over hebben.’
De meeste mensen kenden minstens één van de gruwelijke details. Je had studenten die zich met Halloween als Russell verkleedden, met ketchup op hun handen die ze uit de mensa jatten. Er was een blackmetalband die het hart voor de hoes van een album had gebruikt, hetzelfde woeste hart dat Suzanne op de muur van Mitch had getekend. Met het bloed van de vrouw. Maar Sasha was nog zo jong – hoe kon ze hier nu van hebben gehoord? En wat kon het haar schelen? Ze ging volkomen op in dat rotsvaste besef dat er buiten haar eigen belevingswereld niets was. Alsof alles maar één richting op kon, de jaren die je door een gang naar een kamer leidden waar je onvermijdelijke zelf wachtte: een embryo klaar voor de grote onthulling. Het trieste was dat je soms nooit in die kamer terechtkwam. Dat je hele vervloekte leven, jaar in jaar uit, in een onbevredigend waas aan je voorbijtrok.
Julian streek over Sasha’s haar. ‘Daar was toen enorm veel om te doen. Geflipte hippies die een stel mensen in Marin County hadden afgeslacht.’
Ik zag een bekende gloed op zijn gezicht. Dezelfde opwinding die je aantrof bij mensen op de onuitroeibare internetfora. Allemaal meenden ze de wijsheid in pacht te hebben, namen hetzelfde betweterige toontje aan, goten een wetenschappelijk sausje over iets wat in wezen een beestachtige slachtpartij was geweest. Wat dachten ze te vinden tussen de alledaagse feiten? Alsof het uitmaakte wat voor weer het die dag was. Alle stukjes leken bij nadere bestudering van belang te zijn: welke radiozender in de keuken had opgestaan, het aantal en de diepte van de steekwonden. Het wisselende schaduwpatroon op die ene auto die over die ene weg reed.
‘Ik ben maar een paar maanden met ze opgetrokken,’ verklaarde ik. ‘Het stelde niet zoveel voor.’
Julian leek teleurgesteld. Ik beeldde me de vrouw in die hij zag als hij naar me keek: het warrige haar, de zorgelijke komma’s om haar ogen.
‘Maar ik was daar wel vaak,’ zei ik, ‘dat klopt.’
Dat antwoord trok me direct weer terug in zijn interessesfeer.
Ik vertelde hem daarom maar niet dat ik wilde dat ik Suzanne nooit had ontmoet. Dat ik wilde dat ik veilig in mijn kamer in de droge heuvels bij Petaluma was gebleven, waar ik een boekenkast vol had met mijn favoriete kinderboeken in gouden band. En dat meende ik ook. Maar af en toe, als ik ’s nachts de slaap niet kon vatten, schilde ik in de keuken voorzichtig een appel en liet de krul onder het glinsterende mes steeds langer worden. Het donker van het huis om me heen. Soms voelde het niet als spijt. Soms voelde het als een gemis.
Julian loodste Sasha naar de andere slaapkamer, alsof ze een dociele kudde tieners was. Voordat hij naar bed ging, vroeg hij of ik nog iets nodig had. Zijn vraag overrompelde me: hij deed me denken aan de jongens op school die van drugs altijd zo beleefd werden en actief. Die in hun roes braaf de gezinsafwas deden en gebiologeerd naar het magische zeepsop staarden.
‘Welterusten,’ zei Julian en hij maakte een geisha-buiginkje voordat hij de deur dichtdeed.

[...]

 

© Emma Cline, 2016
© Vertaling uit het Amerikaans: Tjadine Stheeman, 2016
© Nederlandse uitgave: Lebowski Publishers, Amsterdam 2016

Delen op

Gerelateerde boeken

pro-mbooks1 : athenaeum