Leesfragment: De terugkeer

14 oktober 2016 , door Hisham Matar
| |

Onlangs verscheen De terugkeer (The Return, vertaald door Manik Sarkar) van Hisham Matar, de auteur van Niemandsland en Anatomie van een verdwijning. Lees bij ons een fragment uit het eerste hoofdstuk, 'Valluik'.

Hisham Matar kan na de dood van Khaddafi eindelijk naar het land van zijn jeugd terugkeren en op zoek gaan naar zijn vader

Matar was negentien toen zijn vader werd ontvoerd en in een Libische gevangenis verdween. Vader en zoon zouden elkaar nooit meer zien. Tweeëntwintig jaar later, na de val van Khaddafi, kon Hisham eindelijk weer terugkeren naar het land van zijn jeugd en op zoek gaan naar zijn vader. In dit hartverscheurende boek beschrijft hij zijn terugkeer naar een land dat en een familie die hij dacht nooit meer terug te zullen zien.

De terugkeer is een intens, persoonlijk en toch universeel verhaal over verlies en wat het betekent een mens te zijn.

 

1. Valluik

Maart 2012, vroeg in de ochtend. Mijn moeder, mijn vrouw Diana en ik zaten naast elkaar op aan de tegelvloer geschroefde stoelen in een wachtruimte van Caïro International Airport. Vlucht 835 naar Benghazi zou op tijd vertrekken, verkondigde een stem. Af en toe keek mijn moeder me nerveus aan. Ook Diana leek onrustig. Ze legde een hand op mijn arm en glimlachte. Ik zou moeten opstaan en rondlopen, hield ik mezelf voor. Maar mijn lichaam verroerde zich niet. Nooit had ik me beter in staat gevoeld tot onbeweeglijkheid.
De terminal was zo goed als leeg. Er zat alleen een man op de stoelenrij tegenover ons. Hij was te dik, zag er vermoeid uit, was waarschijnlijk halverwege de vijftig. Er was iets aan de manier waarop hij zat – de verstrengelde handen in zijn schoot, het lijf iets naar links gebogen – waaruit berusting sprak. Was hij Egyptenaar of Libiër? Bracht hij een bezoek aan het buurland of keerde hij na de revolutie terug naar huis? Was hij voor of tegen Khadaffi geweest? Of was hij een van die besluitelozen die hun bedenkingen voor zich hadden gehouden?
Weer klonk de stem van de omroeper. Het was tijd om aan boord te gaan. Ik merkte dat ik vooraan in de rij stond, met Diana naast me. Meer dan eens had ze me meegenomen naar haar geboorteplaats in Noord-Californië. Ik ken de planten, de kleur van het licht en de afstanden in de plaats waar zij is opgegroeid. Nu nam ik haar eindelijk mee naar mijn land. Ze had de Hasselblad en de Leica ingepakt, haar twee lievelings camera’s, en honderd filmrolletjes. Diana werkt heel trouw. Zodra ze een draad heeft gevonden, volgt ze die tot het einde. Voor mij zowel prikkelend als verontrustend. Ik sta niet te trappelen om Libië nog meer te geven dan het al genomen heeft.
Moeder ijsbeerde langs de ramen die uitkeken over de startbaan en praatte in haar telefoon. De terminal stroomde vol, vooral met mannen. Nu stonden Diana en ik aan de kop van een lange rij, die achter ons slingerde als een rivier. Ik deed alsof ik iets was vergeten en trok haar mee. Het was een idioot plan om na zoveel jaar terug te keren, bedacht ik opeens. Mijn familie was in 1979 vertrokken, drieëndertig jaar geleden. Zo groot was de afgrond die de man die ik nu ben scheidde van de achtjarige die ik toen was. Het vliegtuig zou die kloof overbruggen. Zo’n reis kon niet anders dan roekeloos zijn. Die zou me een talent kunnen afnemen waarop ik hard had geoefend: te leven zonder de plaatsen en mensen die je liefhebt. Joseph Brodsky had gelijk, net als Nabokov en Conrad. Allemaal kunstenaars die nooit waren teruggekeerd. Allemaal hadden ze op hun eigen manier geprobeerd zichzelf van hun land te genezen. Wat je hebt achtergelaten, bestaat niet meer. Als je teruggaat, kom je oog in oog te staan met de afwezigheid of verminking van alles wat je koesterde. Maar Dmitri Sjostakovitsj, Boris Pasternak en Nagieb Mahfoez hadden ook gelijk: verlaat nooit het vaderland. Als je vertrekt, worden je bindingen met de bron verbroken. Dan word je een dode stam, hard en hol.
Wat moet je doen als je niet weg kunt en ook niet kunt terugkeren?

*

Eerder, in oktober 2011, had ik overwogen nooit meer naar Libië te gaan. Ik was in New York, ik liep op Broadway, de lucht was koud en ijl toen het idee zich aandiende. Het leek een onbevlekte gedachte, door mijn hersenen op eigen gelegenheid tot stand gebracht. Ik voelde me dapper en onoverwinnelijk, als in jeugdige momenten van dronkenschap.
De maand daarvoor was ik op uitnodiging van Barnard College naar New York gegaan om college te geven over romans over ballingschap en vervreemding. Maar ik had al een oudere band met de stad. Mijn ouders verhuisden in het voorjaar van 1970 naar Manhattan toen mijn vader was benoemd tot eerste secretaris van de Libische delegatie bij de Verenigde Naties. Die herfst werd ik geboren. Drie jaar later, in 1973, keerden we terug naar Tripoli. In de jaren daarna had ik New York misschien vier of vijf keer bezocht, en nooit lang. Hoewel ik nu dus was teruggekeerd naar mijn geboortestad, was het een plaats die ik nauwelijks kende. In de zesendertig jaar na ons vertrek uit Libië hadden mijn familie en ik banden opgebouwd met verschillende surrogaatsteden: Nairobi, waar we in 1979 heen gingen toen we uit Libië waren ontsnapt en waar we nog steeds komen; Caïro, waar we vanaf het jaar daarop voor onbepaalde tijd in ballingschap verbleven; Rome, waar we vakantie hielden; Londen, waar ik op mijn vijftiende naartoe ging voor school en vervolgens negenentwintig jaar lang koppig heb geprobeerd een leven op te bouwen; en Parijs, waar ik kort na mijn dertigste naartoe ver- huisde uit irritatie en vermoeidheid over Londen en ik mezelf beloofde nooit meer naar Engeland terug te keren, wat ik twee jaar later toch deed. In al die steden stelde ik mezelf voor dat ik ooit een rustig bestaan zou opbouwen op het verre eiland Manhattan waar ik was geboren. Ik stelde me voor hoe een nieuwe kennis me tijdens een etentje, in een café of in de kleedkamer na een lange zwempartij, die oude vermoeiende vraag zou stellen: ‘Waar kom je vandaan?’ en ik niet uit het veld geslagen zou zijn, en nonchalant en zonder de gebruikelijke agitatie zou antwoorden: ‘New York.’ In die dagdromen putte ik genoegen uit het feit dat die opmerking zowel waar als onwaar zou zijn, als een goocheltruc.
Dat ik op mijn veertigste naar Manhattan verhuisde, terwijl Libië zichzelf aan stukken reet, en dat ik dit ook nog op 1 september deed, de dag waarop in 1969 een jonge kapitein genaamd Muammar Khadaffi koning Idris verdreef, wat ertoe leidde dat veel van de belangrijke kenmerken van mijn leven – mijn woonplaats, de taal waarin ik schrijf, de taal die ik nu gebruik om dit te schrijven – begonnen te verschuiven, maakte het allemaal moeilijk te ontsnappen aan de gedachte dat er een soort goddelijke voorzienigheid aan het werk was.

*

In iedere tekst over de politieke geschiedenis van Libië vormen de jaren tachtig een bijzonder luguber hoofdstuk. Tegenstanders van het regime werden opgehangen op pleinen en in stadions. Dissidenten die het land ontvluchtten werden achtervolgd – soms ontvoerd of geëxecuteerd. Ook kwam er in de jaren tachtig in Libië voor het eerst een gewapende en vastberaden tegenstand tegen de dictatuur op gang. Mijn vader was een van de meest prominente figuren in het verzet. De organisatie waarvan hij deel uitmaakte, had een trainingskamp in Tsjaad, ten zuiden van de grens met Libië, en een aantal ondergrondse cellen in het land zelf. Vaders carrière in het leger, zijn korte periode als diplomaat en het privévermogen dat hij halverwege de jaren zeventig als succesvol zakenman had weten te vergaren – hij importeerde zulke uiteenlopende producten naar het Midden-Oosten als voertuigen van Mitsubishi en sneakers van Converse – maakten hem tot een geduchte tegenstander. De dictatuur probeerde hem af te kopen; ze probeerden hem bang te maken. Ik weet nog dat ik op een middag toen ik een jaar of elf was in onze flat in Caïro naast hem zat, met het gewicht van zijn arm om mijn schouders. In de stoel tegenover ons zat een van de mannen die ik ‘oom’ noemde – mannen die zijn bondgenoten of volgers waren, op de een of andere manier wist ik dat. Het woord ‘compromis’ viel, en vader antwoordde: ‘Ik onderhandel niet. Niet met criminelen.’
Wanneer we in Europa waren droeg hij altijd een wapen op zak. Als hij in de auto stapte vroeg hij ons een eind verderop te gaan staan. Dan zakte hij op zijn knieën en keek onder het chassis, zetten zijn handen naast zijn ogen en keek door de ramen op zoek naar draadjes. Mannen zoals hij werden doodgeschoten op treinstations en in cafés, of hun auto werd opgeblazen. In de jaren tachtig, toen ik nog in Caïro woonde, las ik in de krant over de dood van een vooraanstaande Libische econoom. Toen hij op Stazione Termini in Rome uit de trein stapte, zette een onbekende een pistool tegen zijn borst en haalde de trekker over. De foto bij het artikel toonde de gedaante van het slachtoffer, tot aan zijn enkels bedekt met krantenpagina’s – waarschijnlijk van diezelfde dag – waaronder je zijn gepoetste leren schoenen omhoog zag wijzen. Een andere keer stond er een stuk in over een Libische student die in Griekenland was doodgeschoten. Hij zat op een caféterras op het Monastirakiplein in Athene. Er stopte een scooter en de man achterop richtte een pistool op de student en loste een paar schoten. Een Libische nieuwslezer van de bbc World Service werd in Londen vermoord. In april 1984 vond voor de Libische ambassade op St James’ Square een demonstratie plaats. Een van de personeelsleden schoof een raam op de eerste verdieping omhoog, stak een machinegeweer naar buiten en besproeide de menigte. Een politievrouw, Yvonne Fletcher, werd gedood en elf Libische demonstranten raakten gewond, sommige zeer ernstig.
Khadaffi’s campagne om gevluchte critici te pakken – aan het begin van de jaren tachtig op een openbare bijeenkomst aangekondigd door Moussa Koussa, het hoofd van de buitenlandse inlichtingendienst – strekte zich ook uit tot de familie van de dissidenten. Mijn broer Ziad was vijftien toen hij naar een kostschool in Zwitserland ging. Een paar weken later kwam hij halverwege het schooljaar terug naar Caïro. We gingen hem met z’n allen ophalen van het vliegveld. Toen hij opdoemde in de menigte die uit de aankomsthal stroomde, was zijn gezicht bleker dan ik het me herinnerde. Een paar dagen eerder had ik Moeder een paar telefoontjes zien plegen; haar vinger trilde toen ze de nummers draaide.
De Zwitserse school lag op een afgelegen plek hoog in de Alpen. Het openbaar vervoer naar het dichtstbijzijnde dorp bestond uit een kabelbaan die alleen midden op de dag een paar uur werkte. Twee dagen achter elkaar had Ziad op het pad buiten de poort van de school een auto geparkeerd zien staan. Er zaten vier mannen in. Ze hadden het lange haar dat zo kenmerkend was voor de leden van Khadaffi’s Revolutionaire Co- mités. Laat op een avond werd Ziad naar de telefoon op het schoolkantoor geroepen. Een man aan de andere kant van de lijn zei: ‘Ik ben een vriend van je vader. Doe precies wat ik zeg. Je moet onmiddellijk weggaan en de eerste trein naar Bazel nemen.’
‘Waarom? Wat is er gebeurd?’ vroeg Ziad.
‘Dat kan ik je nu niet vertellen. Schiet op. De eerste trein naar Bazel. Daar zie je mij en dan leg ik alles uit.’
‘Maar het is midden in de nacht,’ zei Ziad.
De man gaf geen verdere uitleg. Hij bleef alleen herhalen: ‘Neem de eerste trein naar Bazel.’
‘Dat doe ik niet. Ik weet niet wie u bent. Bel me hier niet meer,’ zei Ziad en hij hing op.
Daarop belde de man naar Moeder, die vervolgens de school belde. Ze zei tegen Ziad dat hij direct de school moest verlaten en gaf hem instructies.
Ziad wekte zijn lievelingsleraar, die pas was afgestudeerd aan Cambridge en die het waarschijnlijk leuk had geleken in de Alpen Engelse letterkunde te onderwijzen en tussen de lessen door te skiën.
‘Meneer, mijn vader wordt geopereerd en hij wil me zien voordat hij de operatiekamer in gaat. Ik moet de eerste trein naar Bazel nemen. Wilt u me naar het station brengen, alstublieft?’
De leraar belde mijn moeder en die bevestigde Ziads verhaal. Het schoolhoofd moest worden gewekt. Hij belde met Moeder en toen ook hij tevreden was, bekeek Ziads leraar de dienstregeling. Over veertig minuten vertrok er een trein naar Bazel. Als ze opschoten, zouden ze die misschien nog halen.
Ze moesten langs de auto rijden; er was geen andere route. Toen ze langs de mannen reden, deed Ziad of hij zijn veter strikte. De leraar reed voorzichtig over de kronkelende bergweg. Een paar minuten later verschenen er koplampen achter hen. Toen de leraar zei: ‘Volgens mij worden we gevolgd,’ deed Ziad of hij hem niet hoorde.
Op het station vloog Ziad de hal in en verstopte zich op de openbare wc. Hij hoorde de trein aankomen. Hij wachtte tot die volledig tot stilstand was gekomen, telde een paar seconden af zodat de passagiers konden uit- en instappen, begon toen te rennen en sprong op de trein. De deuren gingen dicht en de wagons kwamen in beweging. Ziad was ervan overtuigd dat hij ze kwijt was, maar daar kwamen de vier mannen al door het gangpad naar hem toe. Ze zagen hem. Een van hen glimlachte. Ze volgden hem van de ene wagon naar de andere en fluisterden: ‘Denk je dat je een man bent, jochie? Kom dan hier en laat het maar zien.’ Voor in de trein vond Ziad de conducteur die met de machinist kletste.
‘Die mannen zitten achter me aan,’ zei Ziad, ongetwijfeld met een stem waar angst doorheen golfde, want de conducteur geloofde hem meteen en zei dat Ziad naast hem moest komen zitten. Toen de vier mannen dat zagen, trokken ze zich terug in de volgende wagon. Bij aankomst van de trein zag Ziad dat er op het perron mannen in uniform stonden te wachten. De vriend van mijn vader die die nacht had gebeld, stond erbij.
Ik weet nog dat we aan tafel zaten en Ziad ons alles vertelde. Ik was geheel overmand door een gevoel van veiligheid en dankbaarheid, en ook door een nieuwe, felle, bonzende angst heel diep vanbinnen. Maar wie naar me keek, zou dat niet weten. Terwijl Ziad vertelde bleef ik doen alsof ik het een opwindend avontuur vond. Pas later die avond begon het allemaal op mijn bewustzijn te drukken. Ik kon maar niet uit mijn hoofd zetten wat die mannen hadden gezegd en wat Ziad een paar keer tegen ons had herhaald, inclusief de dreigende toon en een perfecte imitatie van het Tripolitaanse accent: ‘Denk je dat je een man bent, jochie? Kom dan hier en laat het maar zien.’
Niet lang daarna, toen ik twaalf was, moest ik naar de oogarts. Mijn moeder zette me op het vliegtuig en ik vloog alleen van Caïro naar Genève, waar Vader me van het vliegveld zou halen. Voordat ik naar het vliegveld ging, belde hij me.
‘Als je me om de een of andere reden niet ziet in de aankomsthal, ga je naar de inlichtingenbalie en vraag je of ze deze naam willen omroepen,’ zei hij, en hij noemde een van de namen waarop hij reisde. Die kende ik goed. ‘Wat je ook doet, gebruik niet mijn echte naam,’ zei hij opnieuw.
Toen ik in Genève aankwam, zag ik hem niet. Ik deed wat hij gezegd had en ging naar de inlichtingenbalie, maar toen de vrouw achter de balie me een naam vroeg, raakte ik in paniek. Ik kon er niet opkomen. Toen ze zag hoe moeilijk ik het had, glimlachte ze en gaf me de microfoon. ‘Wil je zelf iets omroepen?’ Ik pakte de microfoon en zei een paar keer” ‘Vader, Vader,’ totdat ik hem met een grote lach op zijn gezicht naar me toe zag rennen. Ik schaamde me en ik weet nog dat ik hem toen we naar de uitgang liepen vroeg; ‘Waarom mocht ik niet gewoon je naam zeggen? Waar ben je bang voor?’ We liepen door de menigte en passeerden twee mannen die Arabisch spraken met een zuiver Libisch accent. In die jaren raakte ik altijd in paniek als ik ons dialect hoorde. ‘Hoe ziet die Jaballa Matar er eigenlijk uit?’ vroeg de een aan de ander. Ik viel stil en daarna klaagde ik nooit meer over de ingewikkelde reisplannen van mijn vader.
Er kon geen sprake van zijn dat Vader op zijn echte paspoort zou reizen. Hij gebruikte valse papieren met andere namen. In Egypte voelden we ons veilig. Maar in maart 1990 werd Va- der door de Egyptische geheime politie uit onze flat in Caïro ontvoerd en aan Khadaffi uitgeleverd. Hij werd naar de Abu Salim-gevangenis in Tripoli gebracht, die bekendstond als ‘Het eindpunt’ – de plaats waar het regime degenen naartoe stuurde die men wilde vergeten.
Halverwege de jaren 1990 zetten verschillende mensen hun leven op het spel om drie brieven van mijn vader naar mijn familie te smokkelen. In één daarvan schrijft hij: ‘De wreedheid van deze plek overstijgt alles wat we weten over het gevangenisfort van de Bastille. De wreedheid zit in ieder detail, maar ik blijf sterker dan hun tactiek van oppressie... Mijn voorhoofd weet niet hoe het moet buigen.’
In een andere brief staat deze zin: ‘Soms gaat er een heel jaar voorbij zonder dat ik de zon zie of uit mijn cel word gelaten.’
In rustig, nauwkeurig en zo nu en dan ironisch proza geeft hij blijk van een verbijsterend talent voor geduld:

En dan nu een beschrijving van dit edele paleis... De cel is een betonnen doos. De muren zijn gemaakt van prefab platen. Er is een stalen deur die geen lucht doorlaat. Op drieënhalve meter boven de grond zit een raam. Het meubilair is Louis xvi: een oude matras, op diverse plaatsen gescheurd, versleten door vele vorige gevangenen. De wereld hier is leeg.

Uit deze brieven en uit de verklaringen van gevangenen die ik met hulp van Amnesty International, Human Rights Watch en de Zwitserse ngo trial heb kunnen achterhalen, weten we dat vader in elk geval van maart 1990 tot april 1996 in Abu Salim heeft gezeten, waarna hij uit zijn cel werd gehaald en overgeplaatst naar een geheime afdeling van dezelfde gevan- genis of naar een andere gevangenis, of dat hij werd terechtgesteld.

 

Copyright © 2016 Hisham Matar
Copyright Nederlandse vertaling © 2016 Manik Sarkar en Meulenhoff Boekerij bv

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum