Leesfragment: De vrouw die

27 november 2016 , door Simone van Saarloos
| |

29 november verschijnt De vrouw die, de debuutroman van Simone van Saarloos. Wij publiceren voor.

Janine Vitafiel is een vrouw die gelooft in radicale schepping. Haar terrein is de moleculaire biologie, haar toewijding aan haar vak is totaal. Maar als Janine een paar dagen vrij vraagt om de marathon van New York te lopen, krijgt ze van haar werkgever ineens drie maanden verplicht verlof. Daar zit ze dan, in een vreemde stad, met een lege agenda.
Omdat ze de leegte niet verdragen kan, probeert Janine zich New York planmatig eigen te maken. Ze volgt daarnaast een strak renschema, en ontwikkelt ondertussen ideeën voor een project dat Follow Your Organ moet heten, waarmee ze het functioneren van organen wil verbeteren. Bijvoorbeeld door alles wat kwetsbaar is te klonen, zodat zwakte nooit levensbedreigend is. Janine komt tot de ontdekking dat radicale schepping vraagt om een nieuwe benadering, om een daad van creatieterrorisme.

De vrouw die is een levensdriftige roman over invloed en maakbaarheid. Wat bepaalt een leven: biologie of mythes? Hoe verwerf je invloed als je alleen waarde probeert toe te voegen aan de wereld en niets vernietigt? En is er in dit krachtenveld plek voor liefde en familie?

                     

Maand I

De taxi reed voorbij de hoge brownstone huizen, voorbij de bomen die haast agressief over de weg bogen, alsof hun wortels beledigd waren door de afgemeten stukken aarde die ze in de stoep kregen toebedeeld. De lucht trilde boven de daken van de auto’s, dansend op de beat die uit een onbekend raam dreef. De stoet trok op en stond stil. De stoplichten wisselden van kleur zoals de reclameblokken op Amerikaanse televisie een programma onderbraken: vaak, maar kort.
Een vrouw in verpleegsteruniform negeerde het rode licht en zocht haar eigen weg tussen de optrekkende auto’s. Om haar nek hing een stethoscoop. Ze hield het borststuk van zich af als een rapper die zijn gouden ketting showt.
Een jongen rolde voorbij op een skateboard met grote wielen. Hij zette af en maakte vaart met blote voet. In zijn hand hield hij een slipper. Hij droeg een rugtas met een schild van stof waaronder zijn board kon worden vastgeklikt. De klep van zijn pet zat in zijn nek, OMG stond erop.
Tot nog toe was de reis voorspoedig verlopen. De douanier had haar ‘welkom thuis’ geheten. De paar keer dat ze voor een congres naar Missouri of Californië was gevlogen zeiden ze dat ook, maar nu was ze voor het eerst in de thuisstaat van haar vader.
De chauffeur verstond haar niet en moest het adres van haar telefoon aflezen voor ze bij het vliegveld wegreden. Ze spraken dezelfde taal maar met een andere achtergrond. Zijn auto rook naar kreteksigaretten.
Janine boog naar voren, ze stak haar hoofd door de opening in de plastic wand die passagier en chauffeur scheidde en vroeg naar de buurt. Hij kwam uit een ander deel van de stad. Ze vertelde dat ze moleculair bioloog was, uit Nederland kwam en drie maanden in New York zou verblijven.
‘Vakantie?’ vuurde hij.
‘Nee, nee, geen vakantie. Ik ben hier om de marathon te lopen.’
De chauffeur haalde zijn schouders op. Hij had de passieve kracht van iemand die nooit verloor of achterliep omdat hij de race negeerde.
Ze voegden in op een rotonde en passeerden de bibliotheek. De functie van het gebouw stond in dikke letters op de gevel geschreven, Library: de stad van Janines vader toonde direct haar binnenkant. Prospect Park lag ernaast, renners en fietsers zoefden in en uit. Op de stenen bankjes voor de ingang lagen daklozen, hun hoofden rustten op de gevulde plastic zakken waarin ze hun levens meetorsten.
Op het veldje achter hen werd een oosterse sport beoefend. Een groepje Chinezen – Chinees-ogend –, gekleed in wijdvallend grijs, stond stijf als soldaten. Tegelijk, zonder zichtbaar teken, kwamen ze in beweging. Heel langzaam spreidden ze hun armen, borstkassen helden voorover en de knieën bogen. Zo, klaar om te springen, bleven ze staan. Er werd aanhoudend getoeterd. De chauffeur schoof zijn wagen abrupt in een andere baan. Het getoeter nam toe en werd nu persoonlijk. Janine opende haar raam om het opzwepende geluid binnen te laten.
In het midden van de rotonde torende een triomfboog. Adelaars prijkten aan weerszijden, bezetten ieder een eigen zuil. Op de horizontale vlakte die de sokkels samenbond memoreerden strijdlustige woorden de Amerikaanse burgeroorlog. De steen was helderwit, de geschiedenis oogde fris.
De etalageruiten van koffietentjes prezen verse lokale producten aan. Gevlochten manden vol kruiden vulden de kozijnen. Houten planken rondom de platanen op de stoep dienden als bankjes. Mensen zaten buiten te werken, ze knepen hun ogen dicht tegen de zon om de schermen van hun laptops te kunnen lezen.
De chauffeur remde voor een rood licht en klaagde: augustus was een rustige maand. New Yorkers ontvluchtten de hitte en toeristen kwamen liever in de herfst. Een jongen met een hond aan zijn voeten en een telefoon tussen oor en schouder geklemd, zoog ijskoffie door een duimdik rietje. Zijn wangen pompten. Het gemalen ijs in de drank was te grof om gezamenlijk te bewegen. De kristallen buitelden over elkaar heen, gebruikten elkaar om omhoog te komen. De hond kefte naar een wesp, die vermoedelijk op de gesuikerde koffie afkwam. Het waren zijn agressieve laatste weken: in september loost de wesp zijn laatste gif, om daarna te sterven. De hond sprong op en trok aan de riem, die om de pols van zijn baasje hing. Die wist zijn laptop te redden, alleen de telefoon viel op de grond. De man rukte aan de halsband. Hij corrigeerde zijn hond.
Het artificiële heeft voor groei slechts successen nodig. Het natuurlijke verbetert alleen na een mutatie.

Midden in de zomer, een jaar geleden, was Janine begonnen met hardlopen. Het was niet de zon die haar naar buiten brandde. Haar collega’s maakten zich hardop zorgen om de kringen rond haar ogen. Hoewel de oculairs op haar microscoop waren voorzien van siliconen hoesjes, droeg ze een permanent brilletje van rode striemen. De kracht waarmee ze haar gezicht overdag tegen de microscoop duwde, zat ’s nachts in het samenklemmen van haar kaken. In haar kussen zat elke ochtend een krater. De haren van haar elektrische tandenborstel waren binnen een week plat omdat ze kauwde in plaats van poetste. Gebruiksvoorwerpen markeerden haar of bogen mee.
Regelmatig sliep ze een paar uur in een van de ziekenhuiskamers, officieel bedoeld voor artsen met nachtdienst. De onderzoekers die in het aangebouwde lab werkten, gebruikten de kamers ook. Jonge moeders kolfden er, oudere laboranten kwamen er weleens voor een middagdutje. Er waren douches en schone jassen. Janine verbleef soms dagen achtereen in het ziekenhuis. Wanneer de traumahelikopter uitvloog en het vierkante landingsvlak op het dak leeg liet, nam ze de dienstlift en ging op de rode stip staan, om te luchten. Koffie en de koelte op het dak hielpen tegen het doorgehaalde gevoel.
Bleef ze lang genoeg in het lab, dan belandde ze in een roes. Haar denken vormde zich naar de lange ziekenhuisgangen: niets ontging haar, alles galmde, ze kon details uitgestrekt en geconcentreerd bekijken.
Terwijl de horizon van kleur veranderde en de mensen beneden van richting en activiteit wisselden, stuurde ze vanaf haar werktafel op vijftienhoog haar experimenten aan. Wanneer het donker werd en haar collega’s naar huis fietsten, bleef zij achter het hoge raam in het verlichte lab zitten. Alsof ze in een televisie woonde.
’s Avonds maakte ze een fort van kooien op haar werktafel. Janine had beweging nodig. Als ze doeken over de kooien drapeerde, scharrelden de muizen gezellig in het zaagsel.
Haar gekloonde embryocellen kampten steeds met een defect. Ze zocht naar een mutatie. Embryocellen moesten blanco blijven, zodat ze nog tot elk mogelijke lichaamscel konden uitgroeien. Maar de kweken van Janine hadden de neiging zich te specialiseren. Ze vermoedde dat ze zich te gericht concentreerde op de beginfase en dat haar aandacht gedurende het groeiproces verslapte. Ze mocht zich niet als een biljarter gedragen die de juiste stoten gaf en vervolgens tevreden het eindresultaat bezag. Ze moest voortdurende zorg bieden, als een curler: voor het proces in de cel uit denken en de spurt versoepelen.
Om scherp te blijven richtte Janine een lamp op haar gezicht. Na een paar dagen en nachten sloeg de roes om in vertroebeling. De buitenwereld verdween, ook als vanzelfsprekende, prettige ruis op de achtergrond, en ze raakte verstrikt in de details van details. Haar ogen leken te worden bestuurd door de verstelknoppen van haar microscoop, ze vergrootten voorbij de maximale zoom van 2000x. Om niet van haar kruk te zakken, vlocht ze haar voeten om de poot.
Desondanks trof Bertus haar een keer slapend aan. Het was zijn eerste dag terug van vakantie met zijn vrouw en kleinkinderen, en de teamleider vermoedde dat ze er vaker zo bij lag. Hij vond dat het zo niet langer kon. Ze moesten iets verzinnen wat haar ’s avonds naar huis dwong. Bertus raadde haar aan om een hond te nemen: zo kon ze een leidende habitat voor zichzelf creëren.
Janine wilde geen hond, maar omdat ze vlak bij het park woonde besloot ze te gaan rennen. Dat was gezond.

De bomen waren uit de straat verdwenen, de brownstone huizen ook. Flatgebouwen blokkeerden het licht. De taxi hield halt. Janine zocht het precieze nummer. De straat klopte. Zwijgend en zonder om te kijken stak de chauffeur zijn hand naar achter en nam het geld aan. Ze had een stapel biljetten opgenomen. Nu ze in een nieuwe stad zat, zonder werk, wilde ze haar waarde zo concreet mogelijk maken. Janine stapte uit en reikte naar haar koffer, die naast haar op de achterbank lag. Ze sjorde eraan, de wieltjes krasten in het leer. Zodra de kont van de koffer op het asfalt klapte, gaf de chauffeur gas. Het portier sloeg dicht.
Op de hoek van de straat raasde een loeiende brandweerwagen voorbij. Het was alsof de grond bewoog, zo veerde het ding. Bijna liet ze haar rugzak vallen. Er sprong iets tegen haar been.
‘Hey ma’am, sorry ma’am.’
Ze draaide zich om. Een jongen kwam aangerend. Hij haakte zijn vingers in het gevlochten ijzer dat een basketbalveldje omheinde en excuseerde zich nogmaals. Zijn teamgenoten joelden. Zweet glom op hun gezichten. Het lag er vettig, zonder te druipen of te spatten. Lange, slungelige lichamen. Tussen hun laaghangende shorts en hoge sportschoenen was net een rand huid te zien.
Janine zette haar rugzak neer en pakte de bal, die tegen de stoeprand tot stilstand was gekomen. Ze wierp de bal vanuit haar nek, maar hij stuitte terug aan haar kant van het hek.
Rood kroop in haar gezicht en kleurde het wit tussen haar sproeten in.
‘Use the rubber, ma’am!’ De jongen maakte een slaande beweging. Hij droeg een hemd, de spier in zijn bovenarm rolde in het zicht. Zijn uitgestoken handen waren geel van de dode epitheelcellen. Door warmte en wrijving hopen dode cellen zich op tot een beschermlaag. Eelt is een van de weinige natuurlijke verschijnselen die juist levenloos een functie vervult.
Janine liet de bal met een doffe dreun over het hek stuiteren. De jongen stak zijn duimen op en voegde zich bij zijn teamgenoten.
Ze moest een paar gebouwen verderop zijn. De stoep bestond uit grove platen steen, hier en daar schoven de randen over elkaar heen. De koffer rolde soepeler wanneer ze zigzaggend liep en telkens één wieltje tegelijk de horde nam. Over drie maanden zou ze hier weer lopen, met deze koffer.
In het begin lijkt het einde dichtbij.

De lift was stuk of wilde niet komen. Janine hees haar koffer naar boven. Na één trap was ze al op de tweede etage, omdat de begane grond hier als first floor gold. De treden waren bekleed met een plastic zeil dat marmer wilde nabootsen. Haar voeten drukten er bulten lucht in tevoorschijn.
Ze had het appartement via internet gehuurd en de eigenaar had haar opgedragen om de sleutel bij de buurvrouw af te halen, ene Yolantheya.
‘Heeeeee daaaar liieeffie.’ De oudere vrouw die de deur opendeed, gaapte de zin, sloot haar mond even en herhaalde haar begroeting zonder de klinkers in te korten. Ze leek haar mond voor een derde maal te willen openen, maar Janine onderbrak het proces. ‘Hallo.’
De mond bleef gesloten. Nu haar huid niet nodig was om ruimte te maken voor haar enorme lach, hing het vel zacht rond haar gezicht, suggestief als te vroeg aangetrokken zwangerschapskleding.
De hand die Janine uitstak, belandde bijna tussen de borsten van de buurvrouw. Onhandig greep ze het stompje dat haar tegemoetkwam. De afgebroken arm was puntig, maar niet veel harder dan een hand. Alleen de wederzijds grijpende vingers ontbraken, waardoor Janine inhalig leek.
Yolantheya nodigde haar uit om binnen te komen. Janine stapte over de drempel en trok aan het uitgetrokken handvat van de koffer, maar het lijf van haar bagage paste niet door de deuropening. Yolantheya’s wangen trokken weer strak in een lach. Ze duwde Janine terug de hal in. ‘Ik pas er alleen doorheen wanneer ik zijwaarts loop.’
Ze draaide zich een kwartslag en schoof naar buiten.
‘Kijk, als een krab.’ De deurpost drukte in haar buik en borst, het stompje aan haar rechterkant verdween uit het zicht.
‘De lijst is gek smal getimmerd. Alleen mijn kleinkinderen passen nog normaal door de deuropening.’
Janine liet de koffer buiten staan en kwam in een zandgele gang terecht. Onder de verf waren schimmige afbeeldingen te zien. Janine legde haar hand op wat een gezicht leek. Haar wijs- en middelvinger bedekten een paar ogen.
‘Dat is Jezus.’
Janine trok vlug haar hand weg, maar Yolantheya lachte alweer.
‘Jezus met geelzucht.’
De verf had zijn gezicht in een mozaïek van schilfers opgedeeld.
‘Hier begint het.’ Yolantheya wees op de muur aan het einde van de gang. Bij de voordeur was Zijn kruisiging verbeeld, de buurvrouw stond bij het verraad van Judas. ‘Zie je de dragers?’
Janine veegde over een paar bruine vlekken die niet van elkaar te onderscheiden waren.
‘Mijn man en ik ontmoetten elkaar in de St. Johns. 187th Street, Harlem. Paarse jurken, witte zakdoeken tegen het zweet. Er was toen nog geen airco in de kerk. Ik zou Levy nooit hebben opgemerkt, maar hij bracht me rozen, begrafenis witte. Die heb ik gedroogd en opgehangen tot hij bij me kwam wonen. Het duurde nog jaren voor we genoeg geld hadden om naar Brooklyn te verhuizen. We wisselden van kerk en plots kreeg hij enorme hots voor Jezus en Zijn lijdensweg. Na zijn dood heb ik zijn obsessies overgeschilderd.’
Yolantheya wenkte haar bezoek door het huis, alle muren waren geel.
‘Van geel krijg je honger. Wist je dat?’ Haar stomp wreef een rondje over haar puilende buik.
De gang liep langs een open slaapkamer waar alleen een groot bed stond. Ook richting keuken ontbrak een deur. Er hingen slierten van riet die Yolantheya met één uitgestoken hand opzij zwaaide. Achter haar ving Janine de kralenpennen in twee staarten op. Het rook nat en stoffig. De vlechttechniek die wordt gebruikt om meubilair te maken van lianen uit Aziatische subtropische gebieden, creëert onbereikbare hoekjes voor vuil en vocht, zodat rotan altijd huiselijk ruikt.

De oma van Janine had rotan fauteuils gehad in de serre, de glazen pui lag op het zuiden en keek uit op een grote tuin. Het was de enige plek in huis waar het niet naar schoonmaakmiddel rook. Janine zat er graag, maar volgens oma vlogen er regelmatig vogels tegen het glas. Daarom liep Janine om het kwartier even weg. Ze hoopte zo’n doodsvlucht te vermijden.
De belangrijkste bezienswaardigheden gebeuren wanneer je er niet bij bent. Dat wist ze al vroeg, van haar vader kende ze ‘The Overnight Prophecy’. In Nederland werd die theorie ook wel ‘schoentje zetten’ genoemd, om uit te drukken dat wegkijken de kans op groei en geluk vergrootte.
Veel biologen geloven daarin, al was het alleen maar om af en toe een pauze te durven nemen.

Janine ging op het rotan in de gele keuken zitten. Stof dampte uit de stoel. Yolantheya ging tegenover haar aan tafel zitten. Ze greep een doos Goldfish Cheddar Crackers en graaide erin. Yolantheya bekeek elk zoutje voor ze het in haar mond stak. ‘Soms zit er ineens eentje tussen zonder lach.’ De goudvis op de verpakking droeg een zonnebril en grijnsde.
Ze hield Janine een visje voor. Haar vingertop was vettig van de oranje poederkaas. Een gaatje in de cracker vormde het oogje, een krullend lijntje was de lach. ‘Ik vraag me altijd af of die met een gladde bek een fabrieksfout zijn of dat ze juist expres zo zijn gemaakt. Voor de trieste mensen. Zo van: wij zijn er ook, we delen een geheim.’ Ze keerde de doos om, visjes stroomden op tafel. Yolantheya wreef door de crackers alsof het puzzelstukken waren. Er zaten gebroken exemplaren tussen. Janine hielp mee zoeken, keerde ze één voor één om. Maar ze lachten allemaal.
Yolantheya likte het oranje kaaspoeder van haar vingers en drukte zich uit de krakende stoel. Ze opende de koelkast en pakte er een schaal uit. Speciaal voor haar nieuwe buurvrouw had ze een cheesecake gebakken.
Janine bedankte, zei dat ze een dieet volgde omdat ze naar New York was gekomen om de marathon te lopen. ‘Jammer, schat. Eten is een lach voor je binnenkant.’
Yolantheya zette de taart op tafel en haalde iets uit de kontzak van haar spijkerbroek. Het was de sleutel van haar nieuwe huis.

 

Copyright © Simone van Saarloos 2016

MINDBOOKSATH : athenaeum