Leesfragment: Een goede vriend

25 juni 2016 , door Bart Koubaa
| |

Deze week verscheen de nieuwe roman van Bart Koubaa, Een goede vriend. Wij brengen een fragment.

Een man die de laatste hand legt aan een vertaling van Ali Baba en de veertig rovers brengt de zomer door in een Portugees appartement aan zee. Zijn gestorven vriend, van wie hij een ingelijst zelfportret heeft meegenomen, blijft hem plagen en uitdagen en vergezelt hem de gehele zomer.Wanneer zijn onze overleden geliefden er echt niet meer? En blijven ze bij ons als we niet ophouden tegen ze te praten en ze niet uit het oog verliezen? In Een goede vriend gaat Bart Koubaa op zoek naar een antwoord en ontdekt hij net als Ali Baba bij toeval een schatkamer.

N.B. Eerder publiceerden we voor uit Koubaa's roman De vogels van Europa, Koubaa's roman Maria van Barcelona en we bespraken De Brooklynclub. We publiceerden ook zijn essay 'Als je regent, word je nat' uit De Revisor voor en publiceerden zijn Spui25-lunchlezing 'Roddel en de evolutie'.

 

Lissabon

Ik zag een wit T-shirt met in het midden een Picasso-achtige sardien waaronder in stevige zwarte letters dream stond, daarna een zwart behaarde hand die uit het halfdonker tevoorschijn kwam. ‘Ivan,’ zei een man met een hartelijke glimlach op zijn bebaarde ronde gezicht en nadat hij me stevig de hand had geschud, stapte hij in het zuiderse zonlicht en omklemde het uittrekbare handvat van mijn koffer. Zo staken we de kalme straat over, hij voorop, mijn koffer achter zich meetrekkend, ik met mijn schoudertas om. Ik volgde hem over een lommerrijke strook op een breed voetpad vol drukke terrassen en statige winkels; links, op het zonovergoten plein dat als een oceaan van zwart-witte tegeltjes voor het theater golfde, herkende ik de Griekse zuil met de donkere koning erop. Nadat we dezelfde kalme straat rond het plein nog een keer hadden overgestoken, kwamen we in een brede winkelstraat met aan het einde de triomfboog waardoor ik een glimp van de Taag kon opvangen. Ivan wierp me af en toe een glimlach toe en stak ter hoogte van een krantenkiosk een hand naar links uit, als een fietser. Kort daarna stopte hij voor een souvenirwinkeltje. Hij deed de deur van het winkeltje dicht en toonde me hoe je die met een trucje kon openen. ‘Easy,’ zei hij en hij trok mijn koffer naar binnen, groette de winkeljuffrouw die een kruiswoordraadsel aan het invullen was en liep langs met prullaria volgestouwde rekken, vitrinekasten, bakken en draaibare kaartenrekken naar wat hij breed glimlachend de echte ingang van het appartement noemde. Voor hij die deur openmaakte, legde hij me nog uit dat ’s avonds in het winkeltje twee ijzeren rolluiken werden neergelaten, waardoor een gang van de straatdeur naar de tweede deur binnen ontstond. Het appartement dat ik voor een maand had gehuurd was helemaal boven op de vijfde verdieping, er was geen lift, en Ivan stond erop mijn koffer te dragen. ‘Sardienen,’ pufte hij toen hij op de tweede verdieping even stopte en zich met een draaiende handbeweging voor zijn snuivende neus de walm van geroosterde vis en knoflook toewaaide in de kille, rijk betegelde gang. Voor we het appartement in konden was er een poortje van traliewerk, dat je ook met een trucje kon openmaken. Na een paar trappen duwde hij een laatste deur voor me open en nodigde me met een breed handgebaar uit naar binnen te gaan. Daarna liep hij naar mijn koffer, die hij naast het poortje had laten staan en trok hem hortend en stotend over de trappen tot in de hal van het appartement. Hij leidde me rond, gaf wat uitleg over de wasmachine en de oven en nam uit een la van een zware kast in de woonkamer een kaartje waarop de code voor de wifi stond. Ik zei dat ik geen internet nodig had, dat ik alleen een telefoon zou gebruiken. ‘No internet?’ zei hij bijna verontwaardigd terwijl hij zijn armen licht spreidde, waarop ik glimlachend ook mijn armen spreidde. Ivan bleef even in de gang staan voor hij me de sleutels gaf, de hand schudde en wegging. Vanaf de trap riep hij nog dat ik hem maar moest bellen als er iets was. Toen hoorde ik hem zacht vloeken en keerde hij terug. ‘Coffee,’ zei hij waarna hij zich op het voorhoofd sloeg en hij liep naar de keuken, terwijl hij me wenkte als een kleine jongen die zijn kamer aan een vriendje wil tonen. Hij legde uit hoe de espressomachine naast de koelkast werkte en gaf me twee blauwmetalen capsules. De capsules kon ik in de supermarkt kopen; in de koelkast stond een halve liter verse melk.
Het appartement was veel te groot voor mij alleen: een volledig uitgeruste lange keuken met rechts een balkonnetje dat uitzicht bood op een duistere binnenplaats, en links twee kleine kamertjes, met in het ene schoonmaakartikelen en in het andere een secretaire, een paar kartonnen dozen en een staande lamp. Aangrenzend aan de keuken was een zeer ruime slaapkamer met ertegenover een badkamer met douche, ligbad, bidet en toilet en daarnaast de entree met links ervan een tweede slaapkamer en een royale woonkamer met bank en leeslamp en een tafel met glazen blad waaromheen zes stoelen stonden, alles met elkaar verbonden door een ruime witte gang. De grootste slaapkamer, waarin twee opgemaakte eenpersoonsbedden stonden, had vier hoge ramen die uitkeken op het Moorse kasteel in de bergen en door een klein zijvenstertje kon je de Taag zien. De witgekalkte L-vormige kamer was rondom afgezet met een rand groenachtige bloemmotieftegels die perfect op de warme plankenvloer aansloten en in de vierkante ruimte voor de vier hoge ramen stonden op een Perzisch tapijt twee ligstoelen naast elkaar als in een sanatorium; in de ene lag een zwart schapenvel, in de andere een geelwit. In de kleinste slaapkamer, waarvan de muren waren afgezet met een rand blauwachtige tegels, bevond zich een mahoniehouten bureautje waarop een bankierslamp van groen glas op een bronzen voet naast een leren onderlegger stond. De kamer was op de hoek van het neoklassieke gebouw en had een raampje links, waardoor je het klooster en de bekende lift van Lissabon kon zien. Het raam aan de voorkant, waarvoor ook een balkonnetje was waarop je amper kon staan, keek uit op een okerkleurig gebouw aan de overkant van de straat. Vanaf het kleine balkon, dat was voorzien van een sierlijke gietijzeren balustrade, kon je ook het kasteel zien. Behalve in de badkamer hing in elke kamer van het appartement een semiabstract schilderij, gesigneerd met een M. In de keuken hing een merkwaardige Mondriaan-imitatie, met dezelfde M gesigneerd.
Nadat ik de lijst met het zelfportret van mijn vriend op het bureautje had gezet, trok ik mijn sandalen uit en ging ik op bed liggen. Een aangenaam zondagsbriesje bracht een bekend jazzdeuntje mee. Toen ik mijn ogen opendeed, ontwaarde ik op de plankenvloer links naast het bed een grote streep zonlicht die zich tot aan het zelfportret van mijn vriend uitstrekte. Ik ging zitten en stapte in mijn sandalen.
En, amigo, zin in koffie?
Op aanraden van Ivan liep ik naar Casa Brasileira waar ik een dubbele espresso bestelde die ik staande dronk, geleund tegen een uitgestrekte glazen toonbank waarin met suiker en kaneel bepoederde zoetigheden als een kleine bergketen het eiland van de obers begrensde. Ondanks de aangename warmte buiten heerste er een gezellige drukte binnen; de koffiemachines draaiden op volle toeren, er werd koffiegruis uit de filterhouder in houten bakken geklopt, melk gestoomd en koffie gemaakt, maar de obers waren minder opvliegend dan hun collega’s in Spaanse of Italiaanse bars. Ik bestelde een pastel de nata een lokale specialiteit, die me aan crème brûlée met kaneel in bladerdeeg deed denken. Sinds ik was vertrokken had ik, behalve een rijpe perzik op het vliegtuig, niets gegeten. Nadat ik had afgerekend kocht ik nog twee pastéis bij de ingang, waar een jonge vrouw de twee gebakjes uit een volgestouwde etalage vol lekkers nam en in een witgeel doosje deed waarop twee zwarte Jezussen van Rio stonden afgebeeld. De linkse leek een zwarte semiabstractie op een gele rechthoek, de rechtse stond duidelijk met open armen boven de gele, met groen omlijnde naam van het koffiehuis. Op weg naar de Taag kocht ik een halve kilo kersen bij een houten fruitkar tegenover de kiosk en de bloemenventers op de hoek van mijn straat. Ik stopte de kersen voorzichtig in mijn tas en struinde verder, richting rivier. In het midden van de brede, met zwart-witte tegels geplaveide winkelstraat die in een melancholische triomfboog eindigde, stonden op regelmatige afstand levende standbeelden te wachten op een paar centen om daarna een kleine beweging te maken: Mozart, een piraat, Pessoa en een koppel vissers dat een enorm net vasthield dat een paar meter voor ze uit lag. Rond één standbeeld was een grote groep mensen samengetroept: Charlie Chaplin die enkel op een wandelstok steunde, terwijl zijn voeten een twintigtal centimeter boven de grond zweefden. Ik zette het doosje met de pastéis op de grond, nam de lijst met het zelfportret van mijn vriend uit mijn tas, hield die tussen de verwonderde omstanders voor het levend standbeeld en maakte een foto. Een ongelovige ging zonder problemen met zijn handen onder de voeten van Charlie Chaplin. Iedereen stond met open mond te filmen, te fotograferen en de filmpjes en foto’s door te sturen. Terwijl ik de foto op mijn schermpje controleerde, hoorde ik een regentje van munten op het schaaltje voor Chaplin vallen; een zwart meisje met een brilletje waggelde glimlachend en trots naar haar Amerikaanse ouders.
Je was visionair, amigo, je grap met het bronzen standbeeld heeft de stad veranderd. Het was indrukwekkend om van achter de kiosk waar kwieke oude mannen ons vijfentwintig jaar geleden gebakken varkensoren besprenkeld met azijn in een puntzak aanboden, te zien hoe toeristen dollars en escudo’s in je rieten hoed wierpen die je voor het bronzen beeld van de man met de pet die loterijbiljetten verkoopt had gezet; jij was het allereerste levende standbeeld, amigo, en we konden onze lach niet inhouden achter die kiosk. En nu staan de steden er vol van, en elk jaar moeten ze zichzelf overtreffen, zoals Charlie Chaplin met de wandelstok, elke dag moet het mysterie groter worden. Maar hoe blijft de man met de wandelstok met zijn voeten van de grond?
Nadat ik op de brede trappen langs de Taag een paar kersen en een pastel had gegeten, rekte ik mijn armen breed uit als het kleine broertje van de Jezus van Rio op de buitensporige langwerpige betonnen voet aan de overkant van de rivier en besloot terug te keren naar mijn appartement. Ik stak het vierkante plein over dat was omringd door witgele strakke gebouwen met verkoelende arcaden, wierp een snelle, onbeduidende zonnebrilblik op het dominante ruiterstandbeeld en liep onder de triomfboog terug naar de hoofdstraat met de levende standbeelden. Op weg naar mijn appartement kocht ik water en zes flesjes bier bij een kruidenier in een zijstraatje, vanwaar ik Charlie Chaplin nog steeds onder brede interesse boven de grond zag zweven. Na een lange douche nam ik mijn woordenboek uit mijn koffer en besloot wat te werken. Ik zat midden in een vertaling van Ali Baba en de veertig rovers. In academische kringen was altijd discussie geweest over de vraag of het verhaal over de arme houthakker die op een dag in de bergen een bende van veertig ruiters een grot ziet binnengaan nadat de leider ‘Sesam, open uw deur’ had gezegd, Arabisch van oorsprong was, of dat vertalers en bewerkers van De vertellingen het verhaal zelf hadden verzonnen. Het Arabische manuscript van het verhaal dat de vorige eeuw opdook deed vermoeden dat het om een authentiek Arabische vertelling ging, maar de elementen en de verhaallijn sloten niet uit dat de Franse vertaler Galland het verhaal samen met een Arabier had geschreven. Nu was er een nieuw manuscript in Irak ontdekt, nadat in een sjiitische wijk in het noorden van Bagdad een autobom was ontploft waarbij een deel van een kleine bibliotheek werd opgeblazen. Een jongetje dat kort na de aanslag op zoek was naar zijn twee zusjes had een vel beschreven papier gevonden op een honderdtal meter van de bibliotheek verwijderd; het bleek om een handgeschreven fragment van Ali Baba te gaan. ‘Ik volgde het blaadje dat als een citroenvlinder rondfladderde,’ had de jongen tegen zijn oom gezegd, die de tekst naar een bevriende muezzin had gebracht. Behalve de eerste drie en de vermoedelijk laatste bladzijden werd de rest van het manuscript volledig intact onder het puin vandaan gehaald. Op het gevonden handschrift werd geen datum en geen naam teruggevonden, maar afgaande op de verhaallijn en de kalligrafie had men in Bagdad en Caïro een sterk vermoeden dat de auteur een oud, mondeling overgeleverd verhaal gecombineerd had met het verhaal dat de Franse vertaler Galland in de Duizend-en-een-nachtsprookjes had opgenomen. Omdat het verhaal van Ali Baba en de veertig rovers de spil was waaromheen mijn proefschrift over vervalsingen en vervalsers in de Vertellingen van Duizend-en-een-nacht was opgebouwd, had de docent klassiek Arabisch, die ik assisteer aan de universiteit van Gent, me gevraagd een vertaling van het nieuw ontdekte handschrift te maken. Via de afdeling Oosterse Handschriften van de Bodleian Library in Oxford, die het handschrift voor onderzoek had geleend, was mij op zijn aanvraag – en met de goedkeuring van Bagdad – een kopie ter beschikking gesteld. Ik maakte wat aantekeningen, scherpte mijn potlood en zocht een paar dingen op in mijn woordenboek, tot het begon te schemeren en af te koelen en ik de bureaulamp een paar keer aan. en uitknipte. Aangetrokken door een jazzdeuntje van de saxofonist dat samen met de geur van geroosterde vis uit het zomers geroezemoes uit de restaurantstraatjes opsteeg, ging ik op het balkonnetje staan; de stad baadde in een gelig licht waarin het okerkleurige gebouw voor mij oploste; alle ramen vormden een mozaiek van filmbeelden: een koppel aan een balie vulde papieren in, iemand kreeg een sleutel aangereikt, een vrouw vouwde de was op die ze had binnengehaald, een andere vrouw gaf de planten water, een jonge kerel in bloot bovenlijf hing uit een raam te roken, een jongetje liep met een vliegtuigje rond en hier en daar kon ik tussen de vele donkere ramen het gedans en geflikker van televisielicht opvangen. Onder mij waren zwart-witte obers met grote menukaarten toeristen aan het verleiden terwijl in de verte, scherp afgetekend tegen een lichtgevende blauwe lucht, de vlaggen aan de masten op de torens van het verlichte kasteel richting Taag wapperden. In de winkelstraat links van mij was het druk; de kersenverkoper stond er nog, met achter hem de bekende lift die als een verticaal ruimteschip in de stad was geland. Ik was er ook zeker van dat achter de hoek Charlie Chaplin non-stop stond te zweven. Nadat ik een flesje bier had leeggedronken, trok ik mijn zwembroek aan, wikkelde het zelfportret van mijn vriend in een grote handdoek en stak het in mijn schoudertas. Ik trok mijn hemd, broek en sandalen aan, nam mijn hoed van het bureautje en liep naar beneden. Het souvenirwinkeltje was gesloten en de grijze metalen rolluikjes links en rechts waren neergelaten, zodat er inderdaad een gangetje was ontstaan; nu begreep ik wat Ivan bedoeld had.
Het was frisser dan ik had verwacht, de zon was volledig verdwenen achter de heuvels vanwaar een koele bries over de oude stad was neergedaald. Ik begaf me weer door de winkelstraat richting Taag – Chaplin zweefde inderdaad nog – en stapte in de eerste taxi die voor het plein stond geparkeerd. De chauffeur vulde een formulier in, stak het achter zijn zonneklep en keek me vragend aan in de achteruitkijkspiegel. ‘Praia de Carcavelos,’ zei ik. Hoewel het redelijk druk was op de weg langs de Taag, die geleidelijk overging in de Atlantische Oceaan, lag het maanbeschenen strand er verlaten bij. Alleen met het maanlicht en de fluorescerende golven zette ik het zelfportret van mijn vriend op de handdoek op het kille zand, waarna ik mijn kleren uittrok en in de ruisende oceaan dook. Het water was koud, er blies een lichte noordwestenwind waarop drie meeuwen zich schaterlachend lieten meevoeren. Ik zwom een paar honderd meter en dreef daarna een tiental minuten op mijn rug terwijl ik de sterren en de maan gadesloeg; daarna sloot ik even mijn ogen tot ik een hond hoorde blaffen. Ik zwaaide kort naar de man die zijn hond uitliet en waadde door de zee tot in de branding. De man stak een duim op en slingerde daarna een stok weg; de hond schoot als een pijl uit een boog weg. Nadat ik me had afgedroogd en aangekleed at ik in een kleine bar geroosterde sardienen, gekookte aardappelen en sla. De ober had me net een espresso gebracht toen ik door het open raam op het terras een kat met een propje papier zag spelen. Eerst ging ze liggen en pingpongde het propje heen en weer tussen haar pootjes, daarop sloeg ze het weg, sprong erachteraan en beet erin, waarna ze een soort judoworp maakte waarbij ze over de kop ging. Daarna begon ze er weer met een pootje tegen te tikken. Het was aandoenlijk hoe de kat een zielloos propje papier tot leven kon wekken.
Misschien moet ik je zelfportret verfrommelen en de kat ermee laten spelen, amigo, kunnen we volgende keer weer samen een duikje nemen; wat denk je?

[...]

 

Copyright © 2016 Bart Koubaa

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum