Leesfragment: Gaan, ging, gegaan

10 maart 2016 , door Jenny Erpenbeck
| |

Op 11 maart verschijnt Gaan, ging, gegaan van Jenny Erpenbeck (Gehen, ging, gegangen, vertaald door Elly Schippers). Bij ons nu al een uitgebreid fragment.

Een ontdekkingsreis naar een wereld die tot zwijgen is veroordeeld, maar midden onder ons is...

Richard is net met pensioen en probeert enigszins in paniek grip te krijgen op zijn nieuwe bestaan. Geconfronteerd met de verhalen over de stroom vluchtelingen in de kranten en op de televisie, zoekt hij op een goed moment contact met een aantal Afrikaanse jongemannen die in het centrum van de stad hun tenten hebben opgeslagen. Hoe gaan zij om met de enorme veranderingen in hun leven? Hij slaagt erin het vertrouwen van de mannen te winnen en raakt met hen in gesprek. Hoe hebben zij weten te overleven? Hoe is hun reis verlopen? Hoe ervaren zij het bestaan in hun nieuwe omgeving? Hoe gaan zij om met hun herinneringen? Er ontstaat een fascinerende dialoog, waarin niet alleen de verhalen van de vluchtelingen tot leven komen, maar ook een antwoord wordt gezocht op universele vragen over tijd en verlies, over grenzen, verschillen en macht, over vriendschap en over de rol van verhalen en muziek.

 

1

Misschien heeft hij nog vele jaren voor zich, misschien ook maar een paar. In elk geval is het zo dat Richard ’s morgens niet meer vroeg hoeft op te staan om naar het instituut te gaan. Hij heeft nu gewoon alle tijd. Tijd om te reizen, zeggen ze. Tijd om boeken te lezen. Proust. Dostojevski. Tijd om naar muziek te luisteren. Hij weet niet hoelang het zal duren voor hij eraan gewend is om tijd te hebben. Zijn hoofd werkt in elk geval nog zoals altijd. Wat moet hij nu met zijn hoofd beginnen? Met de gedachten die in zijn hoofd door blijven gaan? Hij heeft succes gehad. En nu? Wat ze succes noemen. Zijn boeken werden gedrukt, hij werd voor conferenties uitgenodigd, zijn colleges werden tot het laatst toe goed bezocht, studenten hebben zijn boeken gelezen en er passages in aangestreept die ze op het examen uit hun hoofd kenden. Waar zitten die studenten nu? Sommigen hebben een assistentschap aan de universiteit, twee of drie zijn intussen zelf professor. Van anderen heeft hij al lang niets vernomen. Een van hen onderhoudt een vriendschappelijk contact met hem, een paar laten van tijd tot tijd iets van zich horen.
Ziezo.
Vanaf zijn bureau ziet hij het meer.
Richard zet koffie.
Met het kopje in zijn hand loopt hij de tuin in om te kijken of de mollen nieuwe hoopjes aarde hebben opgeworpen.
Het meer ligt er stil bij, de hele zomer al.
Richard wacht, maar hij weet niet waarop. De tijd is nu een heel ander soort tijd. Opeens. Denkt hij. En dan denkt hij dat hij natuurlijk niet kan stoppen met denken. Hij valt samen met zijn denken en tegelijk is het de machine waaraan hij is onderworpen. Ook al is hij helemaal alleen met zijn hoofd, hij kan natuurlijk niet stoppen met denken. Al is er echt geen haan die ernaar kraait, denkt hij.
Heel even stelt hij zich voor hoe een haan met zijn snavel in zijn essay Het begrip van de wereld in het werk van Lucretius bladert.
Hij gaat weer naar binnen.
Hij vraagt zich af of het voor een colbertje te warm is. Heeft hij eigenlijk wel een colbertje nodig als hij alleen in huis rondloopt?

Jaren geleden, toen hij er toevallig achter kwam dat zijn minnares hem bedroog, was er niets anders wat hem over zijn teleurstelling heen hielp dan de teleurstelling omzetten in werk. Maandenlang was het gedrag van die minnares onderwerp van zijn naspeuringen geweest. Bijna honderd bladzijden had hij geschreven om alles wat tot dat bedrog had geleid, en ook de manier waarop de jonge vrouw het bedrog in praktijk had gebracht te doorgronden. Zijn werk had weinig effect gehad op de relatie, want niet lang daarna verliet zijn minnares hem definitief. Maar in elk geval was hij de eerste maanden na de ontdekking, toen hij zich echt ellendig voelde, op die manier doorgekomen. De beste remedie tegen de liefde, dat wist Ovidius al, is werk.
Maar nu wordt hij niet gekweld door de tijd die met een nutteloze liefde is gevuld, maar door de tijd als zodanig. De tijd moet voorbijgaan, maar ook niet voorbijgaan. Heel even heeft hij een visioen van een woedende, bonte haan, die met zijn snavel en zijn klauwen een boek verscheurt waarvan de titel luidt: Essay over het wachten.

Misschien past een vest toch beter bij zijn situatie dan een colbertje. In elk geval zit het lekkerder. En nu hij niet meer elke dag onder de mensen komt, zou hij zich eigenlijk ook niet meer elke ochtend hoeven scheren. Laten groeien wat groeien wil. Er gewoon niet meer tegen ingaan, of is dat al het begin van het sterven? Het groeien het begin van het sterven? Nee, dat kan niet kloppen, denkt hij.
De man die op de bodem van het meer ligt, is nog steeds niet gevonden. Geen zelfmoord, maar bij het zwemmen verdronken. Sinds die dag in juni ligt het meer er stil bij. Dag in dag uit stil. Stil in juni. Stil in juli. En nu, het is al bijna herfst, nog steeds stil. Geen roeiboot, geen gillende kinderen, geen vissers. Als er deze zomer iemand van de steiger van het openluchtbad het water induikt, kan het alleen een vreemdeling zijn, die niets van het ongeluk weet. Onder het afdrogen wordt hij dan misschien aangesproken door iemand die hier bekend is en net zijn hond uitlaat, of door een fietser die even van zijn fiets stapt om te vragen: Weet u dan niet wat er is gebeurd? Richard heeft zo’n nietsvermoedende vreemdeling nooit iets over het ongeluk verteld, waarom ook, waarom het plezier bederven van iemand die gewoon een leuke dag wil hebben? Langs zijn hek wandelen de dagjesmensen even opgewekt als ze zijn gekomen weer terug naar huis.
Maar als hij aan zijn bureau zit, moet hij wel naar het meer kijken.

Op de dag dat het gebeurde, was hij in de stad. Nog op het instituut, hoewel het zondag was. Hij had de loper nog, die hij intussen heeft afgegeven. Het was een van die weekends dat hij probeerde zijn kantoor stukje bij beetje leeg te ruimen. De laden, de kasten. Tegen 13.45 uur. Hij was bezig boeken uit het rek, van de vloer, van de bank, van de stoel, van het kleine tafeltje te pakken en in kartonnen dozen te doen. Twintig, vijfentwintig boeken onder in elke doos en daarop dan de lichtere spullen: manuscripten, brieven, paperclips, mappen, oude krantenknipsels. Potloden, balpennen, gummetjes, de brievenweger. Er waren twee roeiboten in de buurt geweest, maar geen van de inzittenden had in de gaten gehad dat er op dat moment een ongeluk gebeurde. Ze hadden de man zien zwaaien en gedacht dat het een grap was. Ze waren zelfs weggeroeid, heeft hij gehoord. Maar wie die roeiers waren, dat weet niemand. Jongemannen, wordt er gezegd. Sterke zelfs, die hadden kunnen helpen. Maar wie precies, dat weet niemand. Of misschien waren ze toch bang dat de man hen mee naar beneden zou trekken, wie weet.

Zijn secretaresse had aangeboden hem bij het inpakken te helpen. Nee, dank u. Ergens had hij de indruk dat alle medewerkers – ook of misschien juist degenen die hem graag mochten – er veel aan gelegen was hem zo gauw mogelijk uit hun blikveld te verbannen. Daarom had hij liever alleen ingepakt, ’s zaterdags en ’s zondags als het heel stil was op het instituut. Hij merkte dat hij veel tijd nodig had om alles wat voor een deel al jaren onbekeken op de planken of in een van de laden lag, tevoorschijn te halen en te beslissen of het in de blauwe vuilniszak moest of in een van de kartonnen dozen die hij mee naar huis zou nemen. Soms begon hij onwillekeurig in een manuscript te bladeren en stond dan een kwartier of een halfuur midden in de kamer te lezen. Het werkstuk van een student over het elfde gezang van de Odyssee, het werkstuk van een studente op wie hij ooit een beetje verliefd was geweest over de betekenislagen in de Metamorphosen van Ovidius.

Op een dag begin augustus was er toen een borrel geweest, waar ter gelegenheid van zijn emeritaat een paar toespraken werden gehouden, de secretaresse, sommige collega’s en ook hijzelf hadden tranen in hun ogen gehad, maar niemand, ook hijzelf niet, had echt gehuild. Iedereen werd op een gegeven moment tenslotte oud. Wás op een gegeven moment oud. In de jaren daarvoor was het dikwijls zijn taak geweest om de afscheidsrede te houden, vaak was hij degene geweest die met de secretaresse besprak hoeveel canapés ze moesten klaarmaken en of er wijn, sekt, jus d’orange of water zou worden gedronken. Nu had iemand anders daarvoor gezorgd. Het zou allemaal ook zonder hem gaan. Ook dat was zijn verdienste. De afgelopen maanden had hij dikwijls moeten horen wat een waardige opvolger hij had, hoe gelukkig de keuze was, waaraan hijzelf nog had meegewerkt. Als het gesprek erop kwam, prees ook hij de jongeman, alsof de voorpret nog betrekking had op hemzelf, zonder enige aarzeling sprak hij de naam uit die weldra in plaats van de zijne in het briefhoofd van het instituut te lezen zou zijn, in de herfst zou de opvolger zijn college overnemen en zich houden aan de lesprogramma’s die hij, nu emeritus, kort voor zijn afscheid nog had gemaakt, voor de tijd dat ze het zonder hem zouden redden.
Wie vertrekt moet zijn vertrek zelf regelen, dat is gebruikelijk, maar nu pas valt hem op dat hij nooit echt heeft begrepen wat dat eigenlijk betekent. En dat hij het ook nu niet begrijpt. Zoals hij ook niet begrijpt dat zijn afscheid voor de anderen een onderdeel is van de dagelijkse gang van zaken en alleen voor hem inderdaad een eindpunt. Als iemand de afgelopen maanden tegen hem zei wat triest, wat jammer, wat onvoorstelbaar het was dat hij weldra vertrok, had het hem moeite gekost om de verwachte ontroering te tonen, want het gejammer van degene die deed alsof hij geschokt was, betekende toch alleen maar dat het trieste, het onvoorstelbare feit dat hij vertrok – doodjammer! – door die persoon allang als iets onvermijdelijks was geaccepteerd.

[...]

 

© 2015 Albrecht Knaus Verlag, onderdeel van Verlagsgruppe Random House GmbH, München
© Nederlandse vertaling, 2016 Elly Schippers | Uitgeverij Van Gennep

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum