Leesfragment: Het is maar bloed

01 januari 2016 , door Jerry Hormone
|

21 januari verschijnt de debuutroman Het is maar bloed van Jerry Hormone. Wij publiceren voor. In samenwerking met Recensieweb.nl richten we iedere maand de schijnwerpers op literaire debuten. In januari vindt u op deze site, naast een voorpublicatie uit de roman van Jerry Hormone, fragmenten uit de romans van Jaap Bos, Judith Eykelenboom, Vincent van Meenen, Patrick Pouw, Erik Rozing en Lize Spit.

Met Het is maar bloed levert Jerry Hormone het geschreven equivalent van een reeks klappen in het gezicht. Rechttoe rechtaan, zonder in te houden, hier en nu, balt hij alle pijn als een vuist samen. Het is maar bloed verhaalt over het lichamelijke en geestelijke geweld dat we elkaar, maar vooral ook onszelf dag in dag uit aandoen. Gewoon, omdat we niet beter weten.Een eenzame alcoholist weet zich niet in te houden en valt bij zijn buren door de glazen salontafel. Een autistisch jongetje praat alleen via sokpoppen met zijn ouders. Een Peruaan koopt zijn vlees in de dierenwinkel. Na een openhartig gesprek met zijn moeder vergrijpt een kleuter zich aan zijn zusje.Eerst grijpt het je aan, zoveel onverschillige wreedheid. Maar plots zie je er de humor van in. Eigenlijk valt er niets te lachen en toch doe je het. Jerry Hormone maakt ons medeplichtig: hij is een meester van de schuldige lach.

sokpoppen

‘Ha die Daniël,’ zegt Jack. ‘Heb je een leuke dag gehad?’ Zijn stem gaat omhoog. Zijn ogen worden groot. Er verschijnen rimpels in zijn voorhoofd.
‘Weet ik niet,’ zeg ik. Ik trek de schuifdeur van het busje achter me dicht. Een rommelend geluid met aan het eind een harde knal. Onprettig.
‘Heb je je gordel om?’ vraagt Jack.
Ik doe mijn gordel om. Een schone, droge klik. Prettig.
Jack geeft gas. Nog drie scholen. Nog vier kinderen. Een voor een worden we thuis afgezet. Ik als laatste. Ik word altijd als eerste opgehaald en als laatste weer afgezet. Heen en terug.
‘Als je je verveelt, achterin liggen Donald Duckies, hè?’
‘Ja,’ zeg ik. Maar ik pak geen Donald Duckie.
‘Heb je vandaag geschiedenis gehad?’ vraagt Jack.
‘Ja,’ zeg ik.
‘Van meester Bas?’ vraagt hij.
‘Ja,’ zeg ik.
‘Vind je geschiedenis leuk?’
‘Nee.’
‘Kan meester Bas niet mooi vertellen dan?’
De stem van meester Bas is niet onprettig. Laag en gelijkmatig. En zijn g’s klinken niet als papier dat scheurt. Daar heb ik een hekel aan. Maar wat meester Bas vertelt, vind ik niet mooi en ook niet lelijk.
‘Weet ik niet,’ zeg ik.
‘Jij doet liever rekenen, hè?’ Jacks stem gaat omhoog bij ‘hè’, maar is het een vraag? Ik pak nu toch maar een Donald Duck van de stapel. Sla die open en kijk zwijgend naar een pagina.
Waarom kan Mickey praten? En waarom Pluto niet? En hoe komt een hond kleiner dan een muis? En hoeveel kleiner dan een muis zijn Knabbel en Babbel wel niet? En waarom kunnen zij weer wel praten? Allemaal vragen. Maar Jack vraagt niets meer.
Een school. Jack parkeert het busje bij het plein. Thijs staat al te wachten. Thijs heeft witte krullen en hij stinkt. Hij schuift de deur open.
‘Ha die Thijs,’ zegt Jack. ‘Heb je een leuke dag gehad?’
‘Ja!’ roept Thijs. Zijn stem hard en dof. Hij praat als een dove. Maar dat is hij niet. Hij knalt de schuifdeur dicht. Veel onprettiger nog dan ik het doe.
Jack vraagt Thijs of hij zijn gordel om heeft. ‘Ja,’ zegt-ie. Ik kijk op van mijn Donald Duck. Thijs heeft zijn gordel niet om. Doet zijn gordel ook niet om. Waarom ja zeggen als het nee is?
‘Even je gordel omdoen, Thijs,’ zegt Jack.
‘Ja!’
Thijs doet zijn gordel om. De schone, droge klik.
Jack geeft gas.
Jack heeft weleens verteld dat hij al meer dan twintig jaar kinderen rijdt. En zelf heeft hij ook kinderen. Maar zij gingen op de fiets naar de basisschool. En met de streekbus naar de middelbare. Nu wonen ze alle vier in de stad. Je hebt er niks aan. Toch onthoud je het.
Volgende school. Jasper en Gino stappen in. Jasper heeft tics en Gino is zwart.
‘Leuke dag gehad, jongens?’
‘Ja ja ja,’ doet Jasper en hij schudt z’n kop op en neer.
Zijn bril zit met een elastiek aan zijn hoofd vast.
‘Was oké, Jack, was oké,’ zegt Gino. Hij doet zijn gordel om. Prettig.
‘Ja ja,’ Jasper trekt met zijn schouders. Zijn armen zwaaien.
‘Au!’ schreeuwt Thijs. ‘Jack, Jasper slaat me!’
‘Dat ging vast per ongeluk,’ zegt Jack.
‘Maar het doet wel pijn!’
‘Sorry sorry sorry,’ doet Jasper. De klemtoon telkens op de tweede lettergreep. Het klinkt als het balken van een ezel. Hij pakt zijn eigen armen vast en drukt ze tegen zijn schokkende lichaam.
‘Help Jasper maar even met het vastmaken van zijn gordel.’
‘Is oké, Jack, is oké,’ zegt Gino. Hij klikt de gesp van Jaspers gordel vast. Fijn.
Jack geeft gas.
‘Mag ik een Donald Duck Duck Duck Duck Duck?’ vraagt Jasper als hij wat minder schudt.
Ik geef hem er een.
‘Mag ik er ook een?’ vraagt Thijs. Hij pakt er een van me aan en begint plaatjes te kijken. Lezen kan hij niet. ‘Wil jij geen Donald Duckie?’ vraagt Jack. Hij heeft het tegen Gino.
‘Nee, is oké, Jack, is oké.’
‘Heb je deze allemaal al uit?’
‘Nee, ik vind Donald Duck gewoon een beetje kinderachtig, Jack.’
‘O,’ zegt Jack. ‘Zal ik morgen iets anders te lezen voor je meebrengen?’
‘De Playboy zou tof zijn, Jack.’
Pleeboy. Zo noemt m’n moeder de toiletborstel. Ik geloof dat ze het een grappig woord vindt.
‘De Playboy?’ Jacks stem schiet omhoog.
‘Ja, de Playboy, Jack. Maar als je die niet hebt, is dat oké, hoor, Jack. Dan neem ik er wel een paar van m’n stiefvader mee.’
‘Dat lijkt me niet zo’n goed idee, Gino.’
‘O, oké, Jack, oké.’ Even is hij stil. ‘M’n stiefvader heeft ook Hustler,’ zegt hij dan. ‘Daarin zie je ze ook neuken en pijpen en zo.’
‘Eh, Gino…’
‘Neuken?’ zegt Thijs. ‘Pijpen?’ Hij klinkt als een stofzuiger met een prop in de slang. Plots en schril. Je wil hem zo snel mogelijk uitzetten.
‘Ja, en beffen,’ zegt Gino. ‘Dan likken ze aan de kut. Echt vies. Behalve als de ene vrouw het bij de andere doet, dan vind ik het wel tof.’
‘Gatver gatver gatver,’ blaft Jasper.
Thijs’ mond wordt nat. Een druppel kwijl loopt over zijn kin.
‘Ik heb liever niet dat je over zulke dingen in de bus praat, Gino,’ zegt Jack.
‘Is oké, Jack, sorry, is oké.’
Ik kijk naar buiten. Akkers. Sloten. Dijken. Hier en daar een huis. Beffen. Ik heb er nooit eerder van gehoord. Was er zelf nooit opgekomen.
Laatste school. Liesje stapt in.
‘Hoi Liesje,’ zegt Jack. ‘Was het leuk op school?’
‘Hoi Jack,’ zegt Liesje. ‘Heel leuk!’
Liesje praat altijd hoog. Haar mondhoeken zijn ook altijd hoog. En ze ruikt altijd naar plas.
‘Heb je je gordel om?’
‘Ja!’
Ze heeft de gesp al vastgeklikt. Ik ben vergeten te luisteren.
Jack geeft gas.
‘Wil je een Donald Duckie?’ vraagt Thijs aan Liesje. ‘Ja!’
Thijs gaat over me heen hangen. Pakt er een van de stapel. Geeft het blad door naar achter.
‘Dank je!’
Thijs draait zich om in zijn stoel. Perst zijn dikke gezicht tussen twee hoofdsteunen.
‘Hé, Liesje,’ hoor ik hem fluisteren. Ik hoor zijn lippen nat smakken. Ik kan het niet zien, maar er vliegen zeker weten spetters uit zijn mond.
‘Ja?’ zegt Liesje luid.
‘Ben jij weleens gebeft?’
‘Ge-wat?’
‘Thijs, ga eens recht zitten,’ zegt Jack. Stem en wenkbrauwen laag.
‘Gebeft,’ hijgt Thijs in Liesjes gezicht. ‘Je kut gelikt.’
‘Haha, daar kan ik toch niet bij!’ Liesje lacht alsof ze gekieteld wordt. De lucht piept in haar longen. Ik krijg het er benauwd van.
‘Thijs! Recht zitten! Nu!’
‘Ik wil het wel voor je doen,’ zegt Thijs nog snel voor hij zich omdraait.
Eerste huis. Dat van Gino.
‘Tot morgen, Gino,’ zegt Jack.
‘Is oké, Jack, tot morgen.’
‘Doei!’ roept Liesje.
‘Tot morgen morgen morgen,’ doet Jasper.
Thijs zegt niets. Zijn mond hangt open en hij kwijlt.
‘Tot morgen,’ zeg ik.
Schuifdeur dicht. Onprettig. Jack geeft gas.
Een dorp verder. Volgende huis. Dat van Jasper. Zijn moeder staat al op de oprit te wachten. Zij heeft geen tics. Ze trekt de schuifdeur open.
‘Hallo, Jack!’ zegt ze. ‘Hallo, jongens!’
Jasper prutst met trillende handen aan de gesp van zijn gordel. Zo staan we altijd lang stil bij Jasper. Maar we moeten geduld hebben. Jasper moet het zelf doen, vindt zijn moeder. De gordel klikt los. Eindelijk.
‘Tot morgen, Jasper.’
‘Tot morgen morgen.’
‘Doei!’
Thijs slikt. Ik hoor hem slikken. Ik voel het achter in m’n eigen keel.
Ik zeg: ‘Tot morgen.’
Deur dicht. Gas.
Weer een dorp verder. Liesje moet eruit.
‘Tot morgen, Liesje,’ zegt Jack.
‘Tot morgen, Jack,’ zegt Liesje.
‘Ik ga er hier ook uit,’ zegt Thijs.
‘O?’ zegt Jack.
‘Ja, ik ga bij Liesje spelen.’
‘Hé, wat leuk!’ zegt Liesje.
‘Maar daar hebben je ouders me niets over gezegd.’
‘We hebben het ook pas net verzonnen, hè Liesje?’
Liesje knikt heftig.
‘En ik woon toch vlakbij,’ zegt Thijs.
‘Als je ouders er niet van weten, zal ik je toch gewoon thuis af moeten zetten, Thijs. Zo zijn de regels.’
‘Ja, maar…’
‘Nee.’ Laag en kort. Dan weer hoger: ‘Tot morgen, Liesje.’
‘Tot morgen, Jack.’
Thijs slaat zijn armen over elkaar, trekt zijn mondhoeken naar beneden, kijkt recht voor zich uit, zegt niets.
‘Tot morgen,’ zeg ik.
Drie straten verder stapt Thijs uit.
Nu zit ik weer alleen met Jack in de bus. De truc met het Donald Duckie werkt. Zolang ik af en toe een bladzijde omsla, hoef ik niet te praten. Tot we bij me thuis voor de deur stoppen.
‘Tot morgen, Daniël.’
‘Tot morgen.’
Deur dicht. Van buiten klinkt het anders dan van binnen. Minder onprettig, maar toch niet prettig. Gas.
Ik loop over de grindtegels naar de voordeur, pak de sleutel uit mijn broekzak, ga naar binnen, sluit de deur achter me. Ik hang mijn jas aan de kapstok. Pak mijn sokpop uit het mandje dat op het ladekastje naast de kapstok staat. De sokpop heeft blauwe ogen, net als ik.
En sprieten gele wol op zijn kop. Net mijn blonde haren. Ik schuif de sok over mijn hand.
‘Daniël, ben jij dat?’ hoor ik van boven. Het is mijn moeder. Ze komt de trap af. Trekt een sokpop, met net als zijzelf groene ogen en rode krullen, uit de kontzak van haar spijkerbroek. Schuift hem over haar hand.
‘Hallo, Daniël.’ De mond van haar sokpop gaat op en neer.
‘Hallo, mama.’ Doet mijn sokpop.
‘We eten pas om halfzeven. Papa is wat later vandaag.’
Ik had al gezien dat mijn vader nog niet thuis is. Zijn sokpop ligt nog in het mandje.
Ik ga de trap op naar mijn kamer. Ga op mijn bureaustoel zitten. Kijk naar de kale, witte muur voor me. Probeer aan niks te denken. Denk aan beffen. Ik weet zeker dat mijn vader nog nooit de kut van mijn moeder heeft gelikt. Denk ik.
Tot mijn moeder me voor het eten roept, denk ik er bijna niet meer aan.
Mijn vader zit al aan tafel. Voor hem een bord met doperwtjes en worteltjes uit blik, aardappelpuree uit een zakje en vissticks. In zijn rechterhand een vork.
‘Hallo, Daniël,’ zegt de sokpop aan zijn linkerhand.
Kaal met enkel wat grijze draadjes aan de slapen.
‘Hallo, papa.’
Ik ga zitten. Mijn moeder komt uit de keuken. In een hand en de mond van haar sokpop nog twee borden. Ze zet ze op tafel. Gaat zitten. Prikt een worteltje aan haar vork. Stopt het in haar mond.
Ik kijk naar mijn vader. Die heeft ook een mond. Hij steekt er een grote hap aardappelpuree in. Witte klodders in zijn mondhoeken. Dan een halve visstick. Zijn roze lippen glimmen van het vet.
Ik denk weer aan beffen. Ik word misselijk. Ik moet aan iets anders denken.
‘Heb je geen honger?’ vraagt de sokpop van mijn moeder.
‘Nee,’ zeg ik zonder mijn hand te laten praten.
‘Maar worteltjes met doperwtjes is toch je lievelings?’
Ik kijk naar de mond van mijn vader. Nat, glimmend en roze. Met witte prut in de hoeken. Met gele tanden en kiezen die groene doperwtjes en oranje worteltjes tot bruine stront malen.
Ik moet zeker weten dat het niet zo is.
‘Papa?’
Mijn vader reageert niet.
‘Papa?’
‘Gebruik je pop, Daniël,’ zegt mijn moeder.
Ik laat mijn sok praten: ‘Papa?’
‘Ja, Daniël?’ zegt de sokpop van mijn vader terug.
Ik kijk naar hem. Hij kijkt niet naar mij, maar naar mijn pop.
‘Ja, Daniël?’
Een paarse tong komt naar buiten. Gaat langs de roze lippen. Belletjes in doorzichtig spuug.
Ik kan het niet langer tegenhouden. Het gaat over mijn kleren. Over mijn eten. Over de tafel. Over de sok aan mijn hand.
Mijn moeder staat zwijgend op om een doekje uit de keuken te halen. Mijn vader steekt een hap aardappelpuree in zijn mond.

 

© Jerry Hormone 2016

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum