Bestel uw boeken online bij Athenaeum Boekhandel!

Leesfragment: Het valse seizoen

19 november 2016 , door Christiaan Weijts
| |

Op 28 november verschijnt Het valse seizoen, de nieuwe roman van Christiaan Weijts. Lees bij ons alvast het eerste hoofdstuk.

Het valse seizoen vertelt het verhaal van drie musici, die allemaal te maken krijgen met de duistere macht van muziek en gedwongen worden hun levens radicaal om te gooien. Camiel komt door een raadselachtige aandoening in de problemen als tweede violist in het Corretto Kwartet. Pablo was ooit een gevierd cellist en componist, maar belandde aan lagerwal na een drama tijdens een zomerklas onder zijn charismatische leiding, en werkt nu als Uberchauffeur. Nadège speelt altviool in de metrohallen van Parijs en raakt op slag beroemd na een terreuraanslag.

In brieven dwingen ze elkaar tot het bekennen van geheimen die steeds meer aan de oppervlakte komen wanneer twee van hen gaan spelen in het orkest van een replica van de Titanic, die een tocht maakt langs de kusten van een verward Europa. Spelend op de vermeend 'originele' instrumenten van de beroemde band that played on, dringt de vraag zich op wat nog waarde heeft in een wereld waar echt en vals steeds minder van elkaar zijn te onderscheiden.

 

Hoofdstuk een

 

Weijts 1

Geloof me, de enige plek waar muziek nog wat betekent is het crematorium. Op alle andere plaatsen is ze allang een vliegveldparfum, geconsumeerd door klootzakken die er geen hol om geven, maar die het aan hun positie verplicht denken te zijn iets aan cultuur te doen. Zie ze zitten, in die concertzalen, met hun ingekakte grafkoppen. Blij toe na afloop hun auto’s weer in te mogen kruipen waar de radio deuntjes speelt die ze mee kunnen roffelen op het stuur. Nee, mij hoef je niets te vertellen.

 

Weijts 2 En 4 En 6

Ik was lang niet meer in Parijs geweest en die avond arriveerde ik er afgemat. Driekwart van de reis had ik moeten staan, door mijn eigen toedoen nog wel. De Thalys vóór de mijne was uitgevallen om een reden die ik niet verstond door de luidsprekers maar waardoor de gangpaden wel tjokvol stonden met geërgerde reizigers, die allemaal meenden hun gereserveerde plaatsen op te kunnen eisen.
Toen ik eindelijk mijn stoel bereikte – wonderlijk genoeg nog onbezet – en me had geïnstalleerd, verscheen er een roodharige vrouw die me vertwijfeld een A4’tje voorhield. Boven de qrcode stond míjn stoelnummer, maar dan wel van de vorige trein. Ze hield haar vrije hand vlak op haar buik. Ik wist niet zéker dat ze zwanger was, ze kon ook gewoon van zichzelf dik zijn, dat komt voor, en in tegenstelling tot de anderen drong ze niet aan. Toch was ik al opgestaan. Toch tilde ik mijn vioolkoffer en reistas uit het rek. Toch verdween ik, zonder om te kijken, naar de restauratiewagon.
Ik leunde tegen de bar. Achter het glas van de tussendeuren bemiddelde treinpersoneel tussen opgefokte passagiers. Ik had mijn concertsmoking al aan en moet er idioot uit hebben gezien. Af en toe werd ik aangesproken door reizigers die mij voor personeel hielden – hoofdconducteur, buffetlakei, zoiets. Af en toe ruzieden kinderen om een dvd-scherm. Af en toe krijste een peuter om snoep of zette het geblèr in van een baby; het was het begin van de herfstvakantie. Pas na Brussel had ik weer een zitplaats.
Nee, dit was niet de meest geschikte toestand om voor een concert te verschijnen, en ik had niet zo eigenwijs moeten zijn. Ik had gewoon de dag van tevoren mee moeten komen, maar iets stond me tegen aan de vaste riedel van museumbezoekjes, restaurantjes en hotelkamers waar reizen met het kwartet voor een groot deel op neerkomt. Ik had een leugentje verzonnen: ik moest een leerlinge naar een belangrijk examen toe helpen. Het Corretto Kwartet, zo heten we; je zult ervan gehoord hebben. We speelden in de kleine zaal, het amfitheater, van de Opéra Bastille. Haydn, Beethoven, Ravel: een hink-stap-sprong door de kwartetgeschiedenis.
Halverwege het lange perron van het Gare du Nord, net voorbij het onoverdekte stuk door de motregen, haalde die dikke rooie mij in. Ze bedankte me nogmaals en nog steeds wist ik niet of ze zwanger was. De trein was meer dan veertig minuten vertraagd, maar ik was nog op tijd, zeker als ik rechtstreeks naar de Opéra ging zonder eerst in te checken. Ik daalde af naar de metro, de roltrappen schoven me de diepte in, en ik volgde de bordjes naar lijn 5, de tunnels door waar elektriciteitsdraden boven mijn hoofd schommelden en de schimmel woekerde uit muurscheuren.
Op zulke momenten vraag je je af hoe toch die mythe in omloop is geraakt dat Parijs de stad zou zijn van de romantiek en de liefde. Overal waren bedrukte en terneergeslagen gezichten – op de perrons, en ook in de metrostellen die de tunnels door rammelden: Gare de l’Est, Jacques Bonsergent, République... Ik was bekaf, misselijk en snakte naar zuurstof.

 

Weijts 3 En 5

In het begin was er geen buiten of binnen. Mijn moeder heeft een fotowinkel in de passage Choiseul en wij woonden erboven – tweeënhalve kamer onder de nok van het dak.
Klak – tak. Klak – ták.
Schampende levens waren lang mijn uitzicht. Rakelings schoven ze langs elkaar, tassen, echtgenoten, paraplu’s en minnaressen aan hun armen. Vaak staarde ik door het glas naar de lucht. Ik beluisterde de slagen van hakken en het knarsen van zolen op het vloermarmer.
Klak – tak. Krak – trak. Klak – tak. Klak – ták.
’s Nachts heerste een stilte als na de eerste sneeuwval.
Totdat de rolluiken de dag tevoorschijn kletterden, samen met het iel scharnieren van de poorten. Dan kwamen karren. Dan kwamen de stemmen. Dan kwamen de voetstappen weer.
Klik. Tik. Klak – tak.
Klak – tak. Klak – ták.
Eb en vloed van passanten.

 

Weijts 2 En 4 En 6

Bij Bastille glipte ik eruit. Een Aziatisch stel hield plechtig halt bij de resten van de slotgracht van het oude fort, die hier blootliggen langs het perron. De man hurkte om zijn vingerkootjes langs de stenen te schrapen – lijfelijk contact met de Franse Revolutie! – terwijl hij grijnsde voor de onvermijdelijke foto.
Ik snap nooit hoe zo’n gangenstelsel in elkaar zit. Ieder gevoel van oriëntatie verlies ik er, met dat licht vernederende, licht panische besef volledig te zijn overgeleverd aan de bewegwijzering waar ik, meegevoerd in de menigte, verifiërende blikken op afvuurde. Nooit weet je of er nog een bocht komt, een roltrap, een lift of toch al die teug verlossend daglicht. Benul van afstanden heb je niet en de omroepberichten klinken er even bot als onheilspellend. De enige blije gezichten staan op de reclameborden, maar in dit decor krijgen ook die iets macabers.
Ik concentreerde me en drukte een angstaanval naar de achtergrond. Ik had nu echt buitenlucht nodig, toen ik boven het gestommel van al die voetstappen uit zachte vioolmuziek hoorde, waarvan steeds duidelijker werd dat die niet uit mijn eigen hoofd voortkwam. Het was een alt, om precies te zijn. Even meende ik dat die uit de luidsprekers klonk, maar dichter bij de bron begreep ik dat het een straatmuzikant moest zijn, waarschijnlijk van het semiprofessionele (dat wil zeggen: niet tandeloze en verslaafde) slag dat je ook na afloop bij de uitgang van het Concertgebouw treft en dat gelooft in mensen die bereid zijn kleingeld uit te delen.
Hier stond een vrouw, jong, vijfentwintig of zo, en beroerd speelde ze allerminst. Er was iets vreemds aan haar spel, iets – dat was het eerste woord dat in me opkwam – alarmerends. Vanzelf vertraagde ik mijn pas. Van dichterbij was haar klank uitgesproken warm en secuur gefraseerd, maar af en toe gaf haar instrument een rare, beklemmende snik, die de huid van mijn nek liet samentrekken, ook al zong meteen daarop alles weer glaszuiver. Je móést wel stilstaan om te luisteren, en dat deed een halve kring van een stuk of twaalf toehoorders dan ook. Dat dit plukje passanten echt gegrepen was, bleek alleen al uit het feit dat het in geen van die twaalf hoofden was opgekomen om de act met een telefoontje te gaan filmen. Evenmin vroeg de violiste om geld; in elk geval was het deksel van haar koffer gesloten. Op het glimmende kunststof was een Jeroen Bosch afgedrukt, met menselijke figuurtjes rond reusachtige vogels, waarvan eentje in blauw-oranje, een ijsvogel, het meest in het oog sprong. Ik herinnerde me het origineel gezien te hebben in een snikheet Madrid.
Ze stond in de bocht opgesteld en droeg zo’n pluchen imitatiebontjas, halflang, die zowel voor armzalig als voor betrekkelijk chic kon doorgaan; daaronder droeg ze een spijkerbroek en rode gympen; haar vingertoppen staken uit afgeknipte handschoenen. Ik wilde – in mijn concertsmoking en met de viool op mijn rug – niet opzichtig stil blijven staan. Ik wilde niet de schijn wekken van een vriendelijke welwillendheid, want dat was niet wat ik ervoer.
En toch gebeurt het. Toch kijk ik, als ik haar voorbij ben, eventjes achterom en daarmee gebeurt precies wat ik wil voorkomen. Het knikje. Het knikje dat ze geeft terwijl ze me aankijkt. Het knikje – kort en nadrukkelijk, als een teken voor een inzet – van de amateur naar de professional. Het knikje dat erkent dat zij hier een afgezwakte schaduw is van mij, op de manier waarop in klassieke drama’s een koddige liefdesgeschiedenis tussen het keukenpersoneel de edele romance echoot van de prins en de prinses.
Voorbij de bocht, buiten haar blik, bleef ik staan luisteren, in de basishouding van iedereen zonder gezelschap, gebogen over mijn telefoon. Schuin boven mij gromden bussen over de place de la Bastille; verder weg raakte een scooterclaxon vervormd door het dopplereffect; een stel blokhakken hamerde langs.
Het alarmerende van haar alt kwam doordat ze sommige noten sul ponticello speelde – als snerpend, kervend metaal met een huivering van flageolet eromheen. Let wel, dit was allerminst onbeholpenheid of technisch gebrek. Het was zonneklaar dat ze bijzonder veel scholing moet hebben gehad. Het kon dus niet anders dan dat het een weloverwogen keuze was om die noten zo te accentueren, ze zo op de kam te snijden. Ik wist zeker dat er een systematiek in moest zitten, maar kon niet lang genoeg blijven staan om die te doorgronden, want er verscheen een bericht van onze cellist.

WEIJTS 7

 

Weijts 3 En 5

In het begin was er geen buiten of binnen. In een passage ben je niet uit en niet thuis. Je bent iets daartussenin. Wie opgroeit in een winkel leert bovendien te wisselen tussen rollen. Ik was dochter, ik was verkoopster, ik was oppas voor het jongetje van de overkant. Ik was passant, ik was kijker. Ik was aan het werk. Ik was vrij.
Ik ben altijd de alt geweest. Warm als de stem van een mens. Soms solist, soms begeleider, bemiddelaar of tegenstem. Ik heb geleerd me aan te passen. Ik heb geleerd te zijn wie de situatie mij vraagt te zijn. Koopwaar of wisselgeld. Je roept maar. Wat niet wegneemt dat ook ik ernaar hunkerde te worden uitverkoren.
Mijn eerste liefde was een Egyptische gambaspeler. Elke vrijdagmiddag, vanaf een uur of vijf, speelde hij bij de ingang aan de rue des Petits-Champs. Onder zijn klanken slonk Parijs tot poppenhuisgrootte. Sonates van Corelli. De koffer aan zijn voeten geopend, met het strooisel van muntjes en een stapel van zijn eigen cassettebandjes. Corelli. Vivaldi. Tartini. Trage weelde, wulps in schetterend zonlicht. Het geluk bestond, ik was er zelfs heel dichtbij.
Beenviool. Viola da gamba. Een dwergencello of een reuzenviool. Een afgezant uit een verloren wereld was neergestreken onder mijn raam, als een exotische vogel. Muziek is altijd mooier door een raam, het jouwe of het mijne, dat maakt niet uit.

 

Weijts 2 En 4 En 6

Na alles wat er gebeurd is, zul je het vreemd vinden dat ik je schrijf. Dit wordt een rare brief, Pablo. De behoefte je te schrijven kwam een paar dagen geleden, op de nacht vóór mijn vertrek naar Parijs.
Ik moest die avond zogenaamd een leerlinge naar een belangrijk examen helpen, zoals gezegd. Helemaal waar of onwaar is dit niet. Er was inderdaad een leerlinge, maar zij was tegelijkertijd ook een vriendinnetje. Een. En wás. Want die avond maakte ze het uit, met een overdreven pathos, dat in het geheel niet in verhouding stond tot het lichtvoetige van de affaire, waar ik je niet mee zal vermoeien.
Toch was ik een beetje ontdaan. Ik lag ’s nachts zelfs wakker – of was dat van de zenuwen voor ‘Parijs’? – en ging daarom maar wat radio luisteren. Ik viel midden in jouw rubriek, waarvan ik niet eens wist dat je die hebt. Ik hoorde jouw naam bij de afkondiging: ‘U luisterde naar Vier uur vijfendertig, de wekelijkse bijdrage van componist Pablo Sleedoorn.’ Gefascineerd heb ik liggen luisteren, al begreep ik niet meteen wat er aan de hand was. Die opgenomen stemmen, op straat, op een vliegveld, en in een auto meen ik, werden samen iets dat het midden hield tussen een muziekstuk, een collage en een performance. In de verte deed het me denken aan jouw latere werk, uit de tijd van Accident Waiting To Happen, Vocettini, en Three AM, de tijd dat jij aan ons conservatorium ineens die zomerklas kwam geven, wat mij verbijsterde. Het was 1999. Vocettini en Cedo nulli waren net in Carnegie Hall in première gegaan. The New York Times gaf jou in die dagen dat twijfelachtige predicaat ‘de Rem Koolhaas van de Nederlandse muziek’. Ik was verbijsterd, allereerst dat jij ineens zo’n zomer terug in Nederland besloot door te brengen, bij ‘ons’ nog wel, en in de tweede plaats dat ik door de moordend strenge selectie heen kwam.
Donderdagnacht ontstond dus het idee om je te schrijven, een plan dat de dagen erna alleen maar sterker is geworden, en niet zonder reden. Ik zal je uitleggen waarom ik je schrijf, maar heb daar wat tijd voor nodig. Vereist is dat je deze woorden daarom leest met aandacht, rust en verbeeldingskracht. Ontbreken die jou op dit moment, schuif deze vellen dan terzijde en lees ze wanneer je er wél klaar voor bent. Het is zoals jij ons in die zomerklas met de Zelosi zelf leerde: het publiek is wat voor een schilder het doek is; dat moet schoon zijn als je begint.
Het voorafgaande was alleen het stemmen en het inspelen. Nu pas dimt het zaallicht.

 

Copyright © 2016 Christiaan Weijts

MINDBOOKSATH : athenaeum