Leesfragment: Hun beloofde land. Mijn grootouders in tijden van liefde en oorlog

28 februari 2016 , door Ian Buruma
| | |

Op 29 februari verschijnt Hun beloofde land van Ian Buruma (Their Promised Land, vertaald door Arthur Wevers). Wij publiceren voor.

In Hun beloofde land vertelt Ian Buruma het verhaal van zijn grootouders Bernard Schlesinger en Winifred Regensburg, de in Londen geboren kinderen van Duits-Joodse immigranten. Hun liefde hield zestig jaar stand, hoewel de geliefden jaren van elkaar gescheiden waren. Want tijdens de Eerste Wereldoorlog diende Schlesinger in Frankrijk en het Midden-Oosten, in de Tweede in India. Ze schreven elkaar brieven, bijkans dagelijks, waarin ze vertelden over hun leven, maar ook over kunst, muziek en hoop. De brieven vormen de basis van Buruma's verhaal. Hun beloofde land is een eerbetoon van Ian Buruma aan zijn grootouders, die erin geslaagd zijn hun gezin met toewijding en liefde door twee wereldoorlogen te loodsen.

N.B. Buruma gaat 20 maart in gesprek met Nelleke Noordervliet in de OBA. U bent van harte welkom.

 

Die naam bevalt me niet

Denkt Roth zelf dat die mogelijkheid [een gelukkig huwelijk] bestaat? ‘Ja hoor,’ zegt hij in antwoord op mijn vraag. ‘En er zijn ook mensen die viool kunnen spelen als Isaac Stern. Het komt alleen zelden voor.’
Claudia Roth Pierpont, Roth. Een schrijver en zijn boeken

Wanneer ik aan mijn grootouders van moederskant denk, denk ik aan Kerstmis. Ik zou aan een heleboel andere dingen kunnen denken omdat ze pas in de jaren tachtig zijn gestorven, maar Kerstmis in St. Mary Woodlands House, de voormalige pastorie in Berkshire naast Woodlands St. Mary’s, een neogotische kerk uit het midden van de negentiende eeuw die nu niet meer in gebruik is, zal altijd mijn jeugdidylle blijven.
Ik kan niet precies zeggen hoe lang die idylle duurde. Ergens tussen mijn zesde en veertiende, vermoed ik. Grofweg tussen 1958 en 1966. Tussen grijze korte broeken van Marks and Spencer en mijn eerste lichtblauwe Beatles-pet.
Niets was opwindender dan onze aankomst midden in de nacht, als ik uitgeput was en een beetje misselijk van de lange rit in de auto, die blauw stond van mijn moeders sigarettenrook. We waren ’s ochtends uit Den Haag vertrokken, de ruwe Noordzee overgestoken op een Belgische veerboot die naar benzine en braaksel rook (het Britse Rijnleger ging weer naar huis), hadden uren in de loods van de douane in Dover gewacht en eindeloos in een slakkengang over eenbaanswegen gereden en de vertrouwde Engelse wintergeuren van roet en vreugdevuren opgesnoven voordat we uiteindelijk het grindpad van St. Mary Woodlands op reden en werden begroet door de joviale lach van mijn grootvader, ‘Grandpop’, die in zijn groene tweedjasje een pijp stond te roken.
Het huis van twee verdiepingen met zijn grote ramen en olifantgrijze gepleisterde muren was niet kolossaal, maar in mijn herinnering is het even indrukwekkend als zo’n beroemd Engels landhuis. Dat was het niet. Het was wel ruim. En het gaf een gevoel van gedegen victoriaans comfort. Achter het huis lag een grasveld dat zo groot was als twee voetbalvelden. Het werd geflankeerd door brede bloembedden die door mijn grootmoeder werden bijgehouden en kwam uit bij een rij hoge eikenbomen waarin honderden krassende roeken woonden en die uitkeken over de plek waar nu de m4 ligt.
In de zomer werden er op het grasveld spelletjes croquet gespeeld en dorpsfeesten georganiseerd. Dames met hoeden inspecteerden de houten tafels vol groenten en fruit van de kweekwedstrijd en alle zelfgebakken taarten. Er waren grabbeltonnen en coconut shies – net zoiets als blikgooien, alleen moest je met een houten bal kokosnoten van een paaltje gooien – en er was een tombola. De dominee van St. Mary’s liep tussen chirurgen, kolonels buiten dienst, een keur aan familieleden en een enkele plaatselijke aristocraat, zoals lady S., die voor de lunch al vrolijk aangeschoten was en gewoonlijk vergezeld werd door een indrukwekkende dame in een tweed pak die bij ons bekendstond als ‘Majoor C.’. Op het terras werd sherry geserveerd. High tea betekende taart, scones, chocoladekoekjes en sandwiches met komkommer. Natuurlijk baadden deze huiselijke taferelen altijd in het zonlicht, dat geleidelijk overging in lange schaduwen en het gouden licht van vroege zomeravonden.
En voor mijn geestesoog ligt er met Kerstmis ook altijd een dikke laag sneeuw op het gazon.

 

Buruma 1 1

Kerstmis in St. Mary Woodlands. Mijn zus en ik

 

Nadat we met ons hele hebben en houden uit mijn vaders auto waren gerold, gingen we naar binnen via de keuken, waar Laura, de geliefde kokkin van de familie, met een sigaret in haar mondhoek boven het gasfornuis hing en haar askegel bijna op de versgeroosterde lamsbout liet vallen.
In mijn herinnering doemt ook ander huispersoneel op, zoals de tandeloze Mrs. Tuttle, de bleke, spichtige Mrs. Dobson en een heel dikke vrouw met een hinniklach, Mrs. Mackerell, de echtgenote van ‘Old Butt’, met wie mijn grootvader ieder jaar in een plaatselijke pub een kerstborrel dronk.
Naast de keuken bevond zich de kamer van Laura, een donker, rommelig vertrek waar het indringend naar zweet, hond en ongewassen kousen rook. Dit was de plek waar het enige televisietoestel stond. Mijn grootouders vonden televisiekijken verwerpelijk en daarom was het apparaat misschien naar de meest bedompte uithoek van het huis verbannen. Ik heb er vele gelukkige uren doorgebracht, alleen en soms met Laura, en in zwart-wit naar Engelse komische tv-programma’s gekeken (Frankie Howerd en Sidney James) en naar Amerikaanse westerns (The Lone Ranger en Gunsmoke). Verder was er eigenlijk niemand die televisiekeek. Er werd een uitzondering gemaakt wanneer er een familielid op tv kwam. Mijn tante Susan speelde de vrouw van Samuel Pepys in een serie over zijn dagboeken. En voordat hij een beroemde filmregisseur werd, maakte mijn oom John documentaires voor de bbc over ambachtelijke Engelse kazen, generaals in de Tweede Wereldoorlog, studenten van de kunstacademie en over Georges Simenon, die door een wolk tabaksrook over zijn seksuele veroveringen zat op te scheppen. John maakte ook kortstondig carrière als acteur. In Laura’s kamer zag ik hem in een aflevering van Ivanhoe als een minstreel die deed alsof hij mandoline speelde terwijl hij een liedje zong voor Roger Moore.
Een smalle gang liep van de keuken naar de hal, waar een breed en elegant trappenhuis naar de slaapkamers op de eerste verdieping leidde. Vanaf begin december hingen de wanden bij de trap tot het plafond vol kerstkaarten, honderden en nog eens honderden kerstkaarten, als de bladeren van een klimop tegen een tuinmuur. Ieder jaar weer vroeg mijn grootmoeder, ‘Granny’, zich nerveus af of ze wel een kerstkaart had gestuurd aan alle mensen die ze kende, of die beledigd zouden kunnen zijn als ze er geen kregen. Ze ging door de grond als ze er een kreeg van iemand die ze over het hoofd had gezien.
Niet alleen de kerstkaarten getuigden van een zekere overdaad. Alles wat met kerst te maken had, leek een tikkeltje overdreven, in elk geval overdadiger dan wat wij thuis in Nederland gewend waren – de mistletoe, de alomtegenwoordige hulsttakken, de kaarsen en vooral, in de grote woonkamer die uitkeek over de tuin, de kerstboom, die in mijn herinnering, net als veel andere dingen, misschien iets groter en indrukwekkender is geworden, maar niet veel. Hij hing vol gouden en zilveren versieringen, glinsterende slingers en mooie, kleine kaarsenhoudertjes waaraan engeltjes bungelden en in de top van de kerstboom stond een schitterende engel die haar armen helemaal naar het plafond uitstrekte. Deze totempaal van heidense overvloed, die uitkeek over een kleine berg van fraai verpakte cadeaus aan de voet van de boom, was niet echt ordinair – Granny had een uitstekende smaak. Hij was alleen heel erg groot.

 

Buruma Afb 1

Mijn grootmoeder en ik in 1953

 

Eén ding was duidelijk: dit was een familie die Kerstmis serieus nam.
Voor mijn twee zussen en mij begon eerste kerstdag al om vier of vijf uur ’s ochtends. Rond die tijd konden we ons niet meer inhouden en stortten we ons op de Christmas stockings, die op kniekousen van reuzen leken en waren volgepropt met nootjes, chocola, vruchten en een enorme hoeveelheid cadeaus. Cadeaus die zo groot waren dat ze niet in deze enorme katoenen worsten pasten, waren er met een touwtje aan vastgebonden: een geïllustreerde uitgave van The Jungle Book van Kipling, een felbegeerd speelgoedpistool, waterverf en kwasten, een bouwmodel van een Lancaster-bommenwerper en nog veel meer dat ik vergeten ben. Vrienden die bij de familie logeerden en een even goedgevulde stocking hadden gekregen, gingen ervan uit dat het daarna wel was afgelopen met de kerstcadeaus en waren verbaasd dat dit winterse ritueel al zo vroeg werd afgehandeld. Ze hadden geen idee wat hun nog te wachten stond.
Nadat we op bed een kop thee en biscuits hadden gekregen, stond er op het mahoniehouten buffet beneden in de eetkamer op warme plateaus onder zilveren stolpen een typisch Engels ontbijt te wachten. Er waren worstjes en gebakken tomaten, gekruide lamsniertjes, vette, bruine kippers die glommen van de boter, geroerde, gepocheerde of gekookte eieren van kippen uit het hok naast het huisje van de tuinman en verschillende soorten toast met een keur aan zelfgemaakte jams en marmelades. Dit was nog maar het begin van een eetfestijn dat de hele dag zou duren en alleen werd onderbroken voor een fikse ochtendwandeling naar de besneeuwde top van de Inkpen Beacon, waar een oude houten galg stond waaraan vroeger moordenaars werden opgehangen. Na het middagmaal werden er nog meer cadeaus uitgepakt en daarna werd er theegedronken en een paar uur uitgerust en geluisterd naar de klassieke platen die de volwassenen elkaar hadden gegeven.
Er klonk altijd muziek in St. Mary Woodlands. Klassieke muziek was een soort familiecultus en een grondige kennis van opera, vooral de opera’s van Wagner, en van de muziek van Brahms, Mozart en Beethoven was bijna een vereiste. Dit gold ook voor een bepaalde vaardigheid in het bespelen van een instrument. Granny was een uitstekende amateurvioliste geweest en tante Hilary beroepsvioliste. Mijn moeder, Wendy, was een enthousiaste amateurcelliste. Oom John had piano gespeeld, maar deed als tiener, tot grote ontsteltenis van zijn ouders, liever goocheltrucs. En Hilary’s tweelingbroer Roger had ooit hoorn gespeeld. Hij wist waarschijnlijk het meest van muziek van iedereen – dat wil zeggen van klassieke muziek, want moderne muziek deed hij af als piepknarsmuziek en popmuziek als rotzooi.
Mijn vader hield erg van jazz, wat tot op zekere hoogte werd getolereerd, omdat hij tenslotte getrouwd was met mijn moeder, die sommige van zijn passies deelde, maar soms ook tot goedmoedige plagerijen leidde. Mijn grootvader was niet alleen een liefhebber van Brahms, wiens muziek hem altijd tot tranen wist te roeren. Hij was ook dol op de eigentijdse populaire Noël Coward, maar Duke Ellington was toch echt iets anders. Toen ik als tiener van Cliff Richard hield, hadden ze daar geen goed woord voor over. Mijn felbegeerde Cliff Richard-platen kon ik krijgen, maar als ik naar The Young Ones of Expresso Bongo wilde luisteren, moest ik wachten tot er niemand in de buurt was, het geluid heel zacht zetten en met mijn oor tegen de monoluidspreker onder de vleugel gaan liggen. Oom John, die mijn eerste Cliff Richard-lp’s voor me had gekocht, had me ook een plaat van Nat King Cole gegeven omdat diens liedjes toch verheffender zouden zijn. Op een gegeven moment was ik te oud voor Cliff Richard, maar ik ben nooit echt van Nat King Cole gaan houden.
De kerstlunch was een opeenvolging van traditionele gerechten, die Laura heerlijk klaar kon maken: gevulde kalkoen, worsten, bread sauce enzovoort gevolgd door een machtige plumpudding die Laura met veel ceremonieel de donkere eetkamer binnendroeg voordat ze haar jaarlijkse traan in de brandende cognac plengde.
Vroeger, voor de Tweede Wereldoorlog, toen het gezin nog in Londen woonde, kleedden mijn grootouders zich iedere avond speciaal voor het diner en moesten de kinderen in de kinderkamer blijven. De regels waren sinds die tijd wel wat versoepeld. Het gezin hoefde ook niet meer op te staan tijdens de kersttoespraak van de koningin.
Mijn grootvader zat aan het hoofd van de tafel, met een mal papieren hoedje uit een Christmas cracker op zijn kale hoofd en een pijp stevig tussen zijn bruine tanden geklemd. Hij zag eruit als een vriendelijke kikker, met lachrimpels in zijn ronde gezicht. Het voornaamste recept voor een gezond leven bestond volgens hem, als kinderarts, uit de combinatie van frisse lucht en alcohol. Toen we nog heel klein waren, liet hij ons aan de kurk van de fles cognac ruiken. Toen ik een jaar of veertien was, mocht ik kiezen of ik bier of cider bij het middageten wilde. Hij was licht teleurgesteld toen ik cider koos, want bier gold voor hem als een mannelijkere drank. Wanneer het met Kerstmis vroor, smakte hij met zijn lippen en kondigde hij aan dat hij de nacht buiten op het grasveld zou doorbrengen. Natuurlijk begon mijn grootmoeder meteen bezwaar te maken (daar ging het juist om) en na rituele onderhandelingen liet hij het plan uiteindelijk stilletjes weer varen.
Tante Susan was de jongste van het gezin, het meest vrijgevochten familielid. Ooit was ze blootsvoets door Spanje getrokken en zo had ze een pijnlijke huidziekte opgelopen. Susan genoot destijds enig succes als actrice, niet alleen op de televisie, maar ook als lid van de Royal Shakespeare Company (in een beroemde uitvoering in Stratford speelde ze Nerissa met Peter O’Toole als Shylock). We waren dol op haar. Andere familieleden die aanzaten aan het kerstdiner waren Gabriel, de eerste vrouw van oom Roger, en hun zoon Paul. De mannen in de familie waren allemaal klein, gedrongen en vroegtijdig kaal, en de vrouwen waren nog kleiner en hadden dik, golvend donkerbruin haar, behalve tante Susan, die blond was, en Granny, wier peper-en-zoutkleurige haar perfect was gewatergolfd.
Oom John was met Kerstmis vaak in het gezelschap van een ‘maatje’, dat bij hem op de kamer sliep. Toen ik nog heel erg jong was, begreep ik nooit waarom deze aardige jongemannen niet met mijn tante Susan wilden trouwen. Ze hadden per slot van rekening allemaal belangstelling voor ‘het toneel’.
De familiegesprekken kunnen het best worden omschreven als een soort creatieve chaos. In deze kakafonie van verhalen en grapjes voor ingewijden moest je er in de eerste plaats voor zorgen dat je werd gehoord. Als je aandacht wilde, moest je snel zijn. Je moest gevat zijn en in staat goed een verhaal te vertellen, liefst zo luid mogelijk. Je mocht vooral niet saai zijn. De gezichten onder de gekleurde papieren hoedjes liepen steeds roder aan en de kaarsen in de zilveren kandelaar flakkerden en verlichtten de prullen en de confetti van de Christmas crackers die overal op tafel tussen de walnoten, de gedroogde vruchten en de kristallen glazen lagen. Er werden herinneringen opgehaald aan operavoorstellingen die in heel Europa waren bezocht. De eeuwige familieanekdotes werden weer opgerakeld. John en Roger zaten als schooljongens te giechelen. En Granny en Grandpop leunden achterover en overzagen het tafereel met patriarchale en matriarchale trots.
Het is misschien geen wonder dat deze gelegenheden voor een buitenstaander een beetje overweldigend waren. Je kon er nauwelijks een woord tussen krijgen. We waren een hechte clan. En toch was de familie beslist niet gesloten voor buitenstaanders. Integendeel, mijn grootouders hadden bijna oosterse opvattingen over gastvrijheid. Ze waren er trots op dat ze zoveel gasten in St. Mary Woodlands ontvingen. Het was een teken van hun generositeit. Net als al die kerstkaarten in de hal wezen vrienden erop dat de familie iets voorstelde en misschien ook wel dat ze werd geaccepteerd.

[...]

 

© 2016 Ian Buruma
© 2016 Nederlandse vertaling Arthur Wevers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum