Leesfragment: Een makkelijk kind

08 maart 2016 , door Mireille Geus
| |

Deze maand verscheen Mireille Geus' romandebuut Een makkelijk kind. Wij brengen een uitgebreid fragment.

De studentes Willemijn en Parel mogen een week op een luxe villa met sauna passen, in België. Willemijn ziet het als een kans om de band met haar vriendin weer stevig aan te trekken. Parel kan als geen ander verhalen verzinnen en vertellen, en precies die afleiding heeft Willemijn nodig. Wanneer ze 's avonds aankomen bij de villa, blijkt het vertrekkend echtpaar nog een vreemd verzoek te hebben: of ze niet alleen op het huis, maar ook op hun kind willen passen. Dat ligt boven al te slapen.

Met tegenzin gaan Parel en Willemijn akkoord, niet wetend dat hun vriendschap hierdoor danig op de proef zal worden gesteld. De volgende ochtend blijkt het kind verdwenen te zijn.

 

Vrijdag

In de tram hing een vreemde sfeer. Meteen nadat ik met mijn zware koffer was ingestapt, voelde ik het: er was iets. Misschien was een verslaafde gevaarlijk bezig geweest met een naald of was een zwartrijder agressief geworden of had een man slaande ruzie gekregen met zijn vrouw.
Parel zou ongetwijfeld met wat meer spannende ideeën zijn gekomen over wat er was gebeurd dan ik, minstens brand of moord, maar daar was zij Parel voor en ik dus ik.
In ieder geval keken de mensen niet voor zich uit, zoals anders, verstrikt in hun eigen gedachten. Ze luisterden geen muziek, nergens een koptelefoon of oortjes. Geen diepe basdreun was er te horen en niemand, helemaal niemand, tenminste niet op de plek waar ik instapte, keek op z’n mobiel. In plaats daarvan keken de mensen naar elkaar, ze haalden hun schouders op, glimlachten een beetje, een staande dikke man die zijn riem onder zijn buik droeg zei zelfs: ‘Tjonge jonge jonge.’
Die vreemde sfeer duurde niet lang. Mensen begonnen weer op hun telefoon te kijken en de dikke man stapte uit. Ik trok mijn koffer tegen me aan en keek rond in de hoop ergens een zitplaats te kunnen bemachtigen. Het rook naar natte jassen in de tram, naar muffe krant, zweet en een verkeerd uitgepakte mengeling van parfum en deodorant.
Het was bijna half vier. Ruim op tijd. De koffer leunde op mijn benen, maar al snel moest ik die weer rechtop zetten, te zwaar. Daarom was ik niet gaan lopen, wat ik eigenlijk veel liever had gedaan. Het was maar een half uur lopen van mijn kamer naar het huis van Parel. Maar toen ik ging inpakken werd de stapel steeds hoger en moest ik er een grotere koffer bij zoeken. Gelukkig had een huisgenoot er een voor me te leen. Uiteindelijk zat die ook vol en moest ik erbovenop gaan zitten om hem dicht te krijgen.
Het schrijnde ook te veel tussen m’n benen, want vannacht had ik weer eens een mij onbekende jongen meegenomen naar m’n kamer. Snel schudde ik de beelden van de nacht van me af en keek naar buiten. De regen kwam halfslachtig uit de lucht vallen, alsof het helemaal geen zin had om te regenen. Half oktober was gewoon een moeilijke tijd als het ging om het weer. Het kon koud zijn, maar ook best lekker. Dus had ik broeken en truien ingepakt en een enkele zomerse jurk met panty en maillot. En regenkleding en laarzen, maar ook hakken. Natuurlijk ook een extra grote handdoek voor in de sauna. De zalige sauna.
Even sloot ik mijn ogen en zag ik het plaatje van het huis voor me. Een enorm huis in de Belgische Ardennen, vrijstaand, helemaal omheind met een hek, veiligheidspoort, grote woonkeuken, en dus die sauna. Parel en ik mochten daar een hele week samen zitten. Op het huis passen, gezellig bijpraten. Als vanzelf zuchtte ik diep. De vrouw naast wie ik stond, met een gele pet op die te krap was, knikte en zei: ‘Het valt allemaal niet mee, hè meid?’
Ik knikte maar, want wat had het voor zin om te zeggen dat ik juist zuchtte omdat ik tevreden was.
Het was lastig geweest om uitgekozen te worden. Parel had er veel moeite voor gedaan. De mensen zochten een betrouwbare oppas voor hun huis tijdens een korte vakantie. Ze waren welgesteld, er stonden mooie spullen en de man was een bekende Belgische zakenman. Dus moesten de mensen die op hun huis wilden passen – ze wilden het liefst twee oppassen en geen stelletje – schrijven naar een postbus met als aanhef alleen hun voornamen, sommigen werden uitgekozen en mochten een uitgebreide mail schrijven met motivatie en die versturen, weer naar dezelfde twee voornamen, nog minder mensen werden gevraagd te bellen met de man om alle vragen te beantwoorden die nog bij het echtpaar waren opgekomen. Ik had er niet veel van verwacht, maar op een dag belde Parel en zei: ‘We gaan.’
Ik wist meteen wat ze bedoelde, maar speelde toch mee. ‘We gaan naar de markt?’ vroeg ik. ‘Nee wacht… koffiedrinken.’
‘Naar de Ardennen!’ schreeuwde Parel. ‘We zijn uitgekozen!’
‘Wij?’ riep ik semiverbaasd. ‘Wij, twee best wel vuile studentes, die hun hele keuken overhoop gaan halen, wij, een seksmaniak als ik en een kookgek als jij, precies wij twee, wij zijn uitgekozen?’
Ik was bij Parel altijd net wat brutaler dan wanneer ik alleen was.
‘Ik meen het,’ zei Parel en ik hoorde haar lach door de telefoon. ‘Wij gaan lekker samen weg.’

Gewone pleinen kregen iets mysterieus en hoeken werden spelonken nu de schemering de stad begon over te nemen. Straks kwam ik aan bij Parel. Ze was vast nog bezig met inpakken; ik was benieuwd naar hoe het nu met haar ging. Afgelopen keer aan de telefoon klonk ze wel vrolijk, maar er klonk ook iets anders doorheen. En de keer daarvoor was het helemaal mis met haar. Ze had duidelijk gedronken.
Gelukkig hadden we de hele week om samen te zijn. Te eten, te drinken en alles wat we wilden vertellen eens rustig te zeggen en niet alleen de samenvatting van iets, de krantenkoppen. Eindelijk tijd voor al die kleine tussenstappen. Dan kon ik zeggen dat ik me op wilde geven bij een sportschool, maar wel een met het juiste publiek, niet te ver, niet te duur en dat toen ik goed rond ging kijken er maar twee overbleven, daar was ik een proefles gaan doen. Bij de ene sportschool stond de muziek erg hard en lag het tempo erg hoog; na afloop voelde ik me heerlijk en trots, maar de rest van de week was ik uitgeput. Bij de andere sportschool had de instructeur een heel irritante stem en als stopwoord ‘zie je’. Aan het einde van de les was ik voldaan en de rest van de week ging ook prima. Maar naar welke plek zou ik elke week gaan? Met een beetje plezier? De laatste sportschool belde me en ik zei ‘ja’ tegen een abonnement en beloofde langs te komen. Maar ik wachtte met erheen gaan en had geen zin om de formulieren in te vullen, om te betalen en te beginnen. Wat vond zij?
En alle andere gedachtenstappen konden aan de beurt komen. Dat ik soms dacht dat ik de enige in de hele wereld was die ooit zo veel verdriet had gehad, omdat oma dood was. Ik haatte het dat ze er niet meer was, nooit meer. Eindelijk kon ik Parel zeggen dat ik me zo vaak in een groot zwart gat voelde verdwijnen. Om dat alleen al aan Parel te vertellen zou helpen, dat wist ik. Vanaf het moment dat we een paar jaar geleden vriendinnen werden tot nu hielp de blik van Parel me. Haar ogen, die heldere grijsgroene ogen die op mij gericht waren, haar blik, het was meestal genoeg. Ruim voldoende om gedachtenstormen tot briesjes om te buigen. Om een lichter gevoel op de borst te krijgen.
Als ik dan haar verhalen, fantasie en kookkunst erbij optelde, werd ik vanzelf vrolijk. Nou ja, veel vrolijker.

Het miezerde nog. Ik zuchtte opnieuw en probeerde de blik van de vrouw met de te krappe gele pet te mijden, want ik had geen behoefte aan nieuw commentaar.
Er kwam een zitplaats vrij. Ik keek naar buiten – waar was ik? Het was nauwelijks de moeite om nog te gaan zitten. Toch duwde ik de koffer naar de stoel toe, tot er een meisje van een jaar of tien snel op ging zitten. Het kind stak haar tong naar me uit. Wat moest ik nu doen? Lachen? Parel zou lachen, heel hard. En ik? Erover nadenken, aarzelen. Weer veranderde de sfeer in de tram. Mensen wachtten mijn reactie af. Ik haalde m’n schouders op.

Natuurlijk zou ik Parel ook vertellen over vannacht. Over de jongen die ik in de vroege morgen wakker maakte en dat ik tegen hem zei dat hij naar huis moest. Gelukkig deed hij dat zonder meer. Hij greep zijn kleren bij elkaar, trok ze in een razend tempo aan, stak zijn hand op en verliet mijn kamer. Dus kon ik later zonder hem inpakken.
Vaak had Parel zo ontzettend veel verhalen dat ik soms zat te wachten tot ik, desnoods midden in een verhaal van haar, iets kon zeggen. Maar nu was er tijd voor alles, voor ons alle twee, voor ziel en zaligheid. Eindelijk weer. Ik onderdrukte een nieuwe zucht en duwde de koffer in de richting van een uitgang en stapte bij de eerstvolgende halte uit. Een halte te vroeg.
Terwijl ik de koffer achter me aantrok door de regen, bedacht ik dat het prettig was om uit die rare sfeer in de tram te zijn, uit die vieze geur en dat deze regen niet erg was, maar juist fris. En vooral dat ik geen besluiteloze sukkel was, maar een verstandig volwassen persoon.

 

Dat altijd twijfelen, dat nooit kunnen kiezen, het nooit zeker weten, begon bij mijn geboorte.
Mijn moeder was met mijn vader en zijn vriend, die ik oom Frits noem, onderweg naar een concert van UB40. Ze wist niet dat ze zwanger was. Het plan was om er lekker op tijd te zijn, zodat ze vooraan konden staan. Mijn moeder zat achterin en dacht aan het liedje ‘Red Red Wine’ en likte al langs haar lippen, proefde de wijn in haar glas van plastic al. Dus toen haar buikpijn en rugpijn niet wegtrokken maar erger werden, kreeg ze de pest in.
Mijn hoofd was al zichtbaar, maar ze probeerde toch haar benen nog stijf tegen elkaar te houden. Toen dat echt niet meer lukte, riep ze naar mijn achterhoofd: ‘Ga terug!’ Volgens haar deed ik dat ook, mijn hoofd ging weer terug bij haar naar binnen, maar met elke volgende wee kwam het, mijn hoofd, ik, er meer uit. Ik kon niet anders.
Het was te laat om me nog langer te ontkennen.
Het moment dat mijn vader en oom Frits mijn hoofd tussen haar benen zagen, begrepen ze dat ze niet naar UB40 gingen, maar naar het ziekenhuis. Mijn pa vloekte. Hij is bang voor alles wat medisch is. Oom Frits belde de ambulance en nam plaats tussen mijn moeders benen. Hij had liever naar UB40 gekeken maar het uitzicht kon slechter, vond hij. Op dit punt moest mijn moeder altijd lachen als ze het verhaal vertelde. Mijn vader rookte sigaretten in de berm en hoopte ieder moment de sirene van de ambulance te horen.
Zo kwam ik ter wereld. Ik was er en mocht er niet zijn. En altijd zei mijn moeder aan het einde van dit verhaal: ‘Nu ben ik natuurlijk helemaal aan je gewend’, en zoals altijd voelde ik dat dit een troostprijs was.

De deur werd van ergens boven opengedrukt en ik duwde er flink tegenaan. Ik keek naar de trap, naar mijn koffer en riep: ‘Parel!?’
‘Twee hoog!’ riep Parel.
Dat wist ik natuurlijk wel. Ze woonde er nu drie maanden en al was ik nog niet zo heel vaak bij haar geweest, een keer of vier, vijf, daar was het nog te pijnlijk voor, ik wist best hoe hoog ze woonde.
‘Parel!’ riep ik weer.
‘Ja?’
‘Is het hier veilig?’
‘Veilig?’
Zo schoten we niet erg op.
‘Ja, of ik hier beneden mijn koffer even kan laten staan.’ Ik wachtte, maar Parel antwoordde niet. ‘Hij, of is een koffer een zij als hij van mij is, in ieder geval hij of zij is nogal zwaar.’
Als antwoord hoorde ik Parel boven lachen. Na weer een korte stilte zei ze: ‘Ik zou hem even meenemen. Zal ik je helpen?’
Meteen pakte ik mijn koffer op en begon aan de klim. Parel is twee koppen kleiner dan ik en veel smaller, ook wel slanker genoemd; als er iemand zware koffers moest dragen, dan was ik het.
Ik rook mezelf en ik hijgde. Ondanks dat ik de laatste tijd veel wandelde, zat ik ook veel, door mijn studie. Geschiedenis is een vak vol verhalen, getallen, verbanden en archieven, ik had er zitvlees voor nodig.
‘Hallo, Mijn,’ zei Parel en ze omhelsde me stevig. Ze noemde me soms Mijn in plaats van Willemijn en ik vond het gezellig klinken, behalve als ik kwaad op haar was, maar dan kon ze niets goed doen.
Ik stapte haar eenkamerwoning binnen en moest toch een nieuwe steek van jaloezie en irritatie onderdrukken. Niet nu, zei ik tegen mezelf. Ik stak mijn neus omhoog. ‘Heb je de afgelopen drie weken haring gegeten en de vuilniszak nog niet weggedaan?’
‘Ik heb gisteren zeebaars gemaakt, met citroen en knoflook,’ zei Parel en ze glimlachte strak.
‘Of ben ik het zelf?’ zei ik om het goed te maken en ik vertelde haar meteen over vannacht. Hoe de jongen meteen in bed tussen m’n benen was gedoken en maar door likte en likte. Ook nadat ik al twee keer was klaargekomen en het echt pijn begon te doen, bleef hij doorgaan. Hij mompelde iets over de Kamasutra, die hij had uitgespeld, en hij wist dat er nog meer mooie dingen op me lagen te wachten als ik hem zijn gang maar liet gaan.
Ik ging zitten op de enige en prachtige stoel die de kamer rijk was. Parel had de stoel, een originele Egg Chair, bij het grofvuil gevonden. De stoel was oud en lelijk, maar het frame was uniek en bleek later duur en gewild te zijn. Parel had de stoel mee naar huis gesleept en heel voorzichtig de stof ervanaf gehaald, met engelengeduld, centimeter voor centimeter, tot de stof helemaal van de stoel af was en ze met precies hetzelfde engelengeduld een nieuwe stof exact op maat had nagemaakt, met de oude stof als voorbeeld, tot het zover was dat ze die erop kon gaan spelden en vast kon gaan maken. Helemaal niet volgens de regels van het stofferen waarschijnlijk, maar het eindresultaat was verbluffend. Zeker als je niet heel precies keek.
Ik bleef maar doorratelen om mijn eerdere opmerking over de vuilniszak te verzachten en vertelde dat ik vannacht nadat ik voor de derde keer klaarkwam de jongen gebood op te zouten, maar hij bleef maar doorlikken, alsof ik er honing op had zitten en hij een bij was.
Gelukkig lachte Parel.
Ik vertelde haar dat ik daarop besloot hém eens te grijpen. Ik was zodanig verschoven dat ik er goed bij kon. Al snel kroop hij op me, greep naar een condoom en daarna vielen we beiden als een blok in slaap.

[...]

© Mireille Geus 2016

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum