Leesfragment: Onheilig

08 februari 2016 , door Roos van Rijswijk
|

9 februari 2016 verschijnt het debuut Onheilig van Roos van Rijswijk. Wij publiceren voor. 

Miguel heeft zijn moeder al twee jaar niet gezien – en hij geniet van de rust. Zijn nieuwe leven in een slaperig Duits stadje bevalt hem uitstekend. Maar wanneer hij hoort dat zijn moeder ernstig ziek is, kan hij niet anders dan contact zoeken. Al heeft hij zijn handen al vol aan Jorge, een simpele jongen die tot Miguels vreugde en frustratie nooit van zijn zijde wijkt.
De therapeut van Miguels moeder heeft haar intussen opgedragen een dagboek bij te houden. Dit blijkt precies de uitlaatklep die ze nodig heeft: scherp fileert ze niet alleen zichzelf en de therapeut, maar ook iedereen die een rol heeft gespeeld in haar leven.

 

Leendert heeft net zijn pakje gebracht met zijn gezicht op begrafenisstand. Hij zei: je ziet er nog zo goed uit. Maar ik heb hetzelfde gezicht als altijd, elke dag wordt het een beetje ouder en dat merk ik niet tot ik foto’s zie van jaren geleden, toen mensen nog foto’s van mij wilden schieten. Vanaf mijn achtentwintigste nam het fluiten uit bouwputten langzaam af. Als ik nu aanspraak heb van mannen zijn ze nogal tevreden met zichzelf, omdat ze mij hun aandacht gunnen terwijl ze die ook aan twintigjarige grietjes kunnen geven. Alsof ze spelen, praten ze met me, en ze zeggen dingen over mij als: ‘een echte vrouw’, alsof al die anderen dat niet zijn. Rijp, zeggen ze ook wel. Nu ik weet dat ik zal sterven, hoop ik dat het me nog een keer overkomt, zodat ik kan vragen: krijg je hem nog omhoog?

*

Weer badend in het zweet wakker geworden. Ik werd levend begraven, groef mezelf weer uit, riep: maar ik ben nog lang niet dood! Ik was een jaar of twaalf, sterk als ik toen was, de wereld had zo veel kleur, zo veel kleur.
De consequenties zijn weg. Wat ik nu doe, roken, drinken, te vet of te weinig eten, het heeft allemaal geen gevolgen meer – dat rookt en drinkt een stuk aangenamer. De angst voor de dood, de lijdensweg erheen: als je erin zit is het een stuk minder ernstig. Behalve die dromen. De momenten van het plotselinge besef, dat geen besef is omdat het ongrijpbaar is. Ik moet op dat soort momenten aan de gevolgen gaan denken, of dus eigenlijk het ontbreken ervan. Wie zou ik willen vermoorden? Kan ik nog sterven als een martelaar? Oude vijanden, dictators, of gewoon de hersens inslaan van de eerstvolgende die in de rij voor de kassa staat te dralen, terwijl ik roep dat het leven hier godverdomme toch te kort voor is. Voordringen. Mooie mannen en vrouwen op straat staande houden, ze vol op de mond kussen. Vaker door rood lopen. Iets stelen. Een laatste nacht dansen. Ik kom niet ver met mijn wensen, Jacoba, jij vroeg me om een bucketlist en ik wist niet wat dat was, maar het is een lijst van dingen die je nog wilt doen voor je sterft. Wil je nog iets speciaals eten, vroeg je, en je vertelde over je eigen wens om eens zo’n gemasseerde buffel te eten. Een wat? Een buffel die bier krijgt en gemasseerd wordt. Dat is verschrikkelijk, zei ik, het toont je kortzichtigheid aan en jij zei: met de dood om de hoek mag dat toch wel. Een stilte. Aan eten denken. Een echt goede pizza, zoals op het platteland in Italië. Ik heb wel eens gelezen dat gevangenen op Death Row het vaakst biefstuk en patat of iets dergelijks bestellen. Troostvoer.
Je vroeg: wil je misschien nog iemand op zien treden? Een kunstwerk zien? Je vertelde dat sommige mensen alles op alles zetten om in hun laatste maanden een marathon te lopen, ik neem toch aan dat je daarmee niet op mijn sportieve aspiraties doelde.
De bucketlist. Is daar geen Nederlands woord voor? Je zei: het komt van een film. Niks over kicking the bucket. Hier schop je geen emmer, maar ga je het hoekje om. De hoekjeslijst.

Ik groef mezelf uit en riep ‘maar ik ben nog lang niet dood’, maar iedereen was weg. De mensen die mij begraven hadden waren vertrokken zodra ze klaar waren. Ik zag mijn ouders niet en Alfons niet en Miguel niet, ik was een twaalfjarige die wist dat ze er ooit zouden zijn, de hele wereld was leeg. Wat is dan het verschil, dacht ik, en met een vreselijk gevoel ging ik weer in het graf liggen.

*

Wat als de stippen in mijn hersenpan gaan zitten? Jacoba, jij hebt me beloofd het me eerlijk te zeggen als ik wartaal uit ga slaan of een significante verandering in karakter doormaak. Ik heb je gevraagd of je denkt mij daar goed genoeg voor te kennen, of dat ik misschien wat vaker langs moet komen en dat wil je niet, je bent je praktijk aan het afbouwen. Je wilt meer tijd voor je kinderen, Sem, Julia en Flint. Het zijn moeilijke kinderen, vertel je met een glimlach, want kinderen vergeef je alles.
De kleine Miguel legde heel bewust zijn blokjes zo neer dat ik er ’s ochtends op zou staan. Het joch sliep niet, nooit, we waren bij mensen thuis en alle kinderen lagen op een berg jassen te doezelen behalve hij, hij wilde naar huis. Het was een mooi kereltje, dat wel: pikzwart haar, een huid die altijd iets warms leek te hebben en in de zomer drie keer zo bruin werd als die van mij, lichtgroene ogen. Die ogen zijn het enige waaraan je kunt zien dat hij van mij is, de rest is de Mexicaan.
Ik ben gedoemd familiebanden te hebben die niet goed voor me zijn; zelfs als kind zoog die jongen het leven uit alles wat in zijn buurt kwam.
Jacoba, jij leest dit en denkt nu: hier begon het. De wanen. Een moeder hoort niet zo over haar kinderen te praten, maar ik geloof werkelijk dat sommige mensen verrot geboren worden. Ik zou alles voor hem doen – misschien doe ik dat nu wel, ik leef toch nog – en hij verhuist naar een achterlijk dorp in Duitsland. Stuurt het adres van een Stadthalle in plaats van het zijne, zodat zelfs mijn post zijn voordeur niet bereikt.

‘Je moet het hem ook vertellen,’ zei ze.
Zus huilde, ik denk alleen om het idee, haar adem klonk zwaar in de telefoon.
‘Ik kom naar je toe.’

Toen ze in mijn huiskamer stond zag ik niet aan haar dat ze verdrietig was, misschien had ze alleen gedaan alsof. Ze liet zichzelf binnen, met de sleutel die ze nog heeft van jaren geleden, ik was toen zo ziek dat ik bijna niet meer kon lopen, oorzaak onbekend, zou het kunnen zijn dat het toen allemaal al begon?
‘Ik hoef hem niks te vertellen,’ zei ik.
‘Dat is ook voor het eerst,’ snoof ze en ze keek achter mij langs, mijn huis in.
‘Is het schoon,’ vroeg ze, ‘heb je hulp nodig? Je moet stoppen met roken. Ik ruik de drank in je adem.’
‘Nieheim,’ zei ik tegen mijn zus, ‘wie verhuist er nou naar Nieheim?’
‘Hoelang geven ze je nog?’ vroeg ze, alsof ze wist waar dat gat ligt.
‘Een week, een maand, wie zal het zeggen.’
Zus huilde, nu toch echt. Ze maakte mijn keuken schoon terwijl ik op mijn bank onder een dikke deken lag, de dag was koud en van haar moesten de ramen open om de rook naar buiten te laten. Iedere tas met lege flessen zette ze in de woonkamer zodat ik ze kon zien, ze gunt me weinig, zelfs nu ik doodga wil ze dat ik leer hoe ik meer op haar kan lijken.
Ik had nooit gedacht dat ik jou zou overleven, zei ze.
Het is nog niet te laat, zei ik.

Mijn zuster ziet eruit als een vrouw die ieder moment kan sterven. Ze wekt medelijden op en accepteert dat niet, maakt haar bleke wangen rood, rouge tussen de rimpels. Polsen als rietjes, haar dat al grijs is sinds haar twintigste. Is dat je moeder, vroegen ze vroeger altijd. Nee, zei ik dan, die is dood.

 

© 2016 Roos van Rijswijk  

MINDBOOKSATH : athenaeum