Bestel uw boeken online bij Athenaeum Boekhandel!

Leesfragment: Revisor 13: het A.F.Th. van der Heijdennummer

06 november 2016 , door Thomas Heerma van Voss, Lisa Weeda
| | | | |

10 november verschijnt het nieuwe nummer van Revisor, gewijd aan het oeuvre van A.F.Th. van der Heijden, met werk van Marieke Rijneveld, Wytske Versteeg, Christiaan Weijts, Lisa Weeda, Ivo Victoria, Rosan Hollak, Daan Heerma van Voss, Michael Orthofer, Jamal Ouariachi, Daan Stoffelsen, Marja Pruis - en A.F.Th. van der Heijden zelf. Wij publiceren voor uit het Redactioneel en Lisa Weeda's 'Indexen voor verwijtbaarheid'.

1951: A.F.Th. van der Heijden geboren. 1978: Patrizio Canaponi in Revisor. 2016: Twaalf schrijvers. Variaties op een oeuvre. Essays. Nieuwe literatuur. De schrijvers die met hem opgroeiden - twintigers, dertigers, veertigers en vijftigers van nu - namen elementen uit het werk van Canaponi, de Tandeloze Tijd en Homo Duplex, en verwerkten het tot nieuwe literatuur.

Lees in deze speciale Revisor poëzie van Marieke Rijneveld en proza van Wytske Versteeg, Christiaan Weijts, Lisa Weeda, Ivo Victoria, Rosan Hollak en Daan Heerma van Voss. De Oostenrijkse New Yorker Michael Orthofer, de drijvende kracht achter de site The Complete Review, is fan sinds Der Anwalt der Hähne, en hij verklaart waarom. Verder essayistiek van Jamal Ouariachi, Daan Stoffelsen en Marja Pruis, over de mogelijkheden van het onmogelijke, woordjes en haakjes, en de blik van de ander. En tussen dit alles, als bindend element, staat een romanfragment van Van der Heijden zelf, uit zijn aankomende De tandeloze tijd 7.

N.B. Eerder bespraken we van Van der Heijden UitverkorenTonio en De ochtendgave, en publiceerden we voor uit De Helleveeg. En uit Revisor-halfjaarboeken 10 (2015)8 (2015)5 (2015)7 (2013-2)6 (2013-1)5 (2011-2)4 (2012-1)2 (2011-1) en Jaarboek 1 (2010).

 

Redactioneel

Bij mijn ouders woonden twee grote schrijvers om de hoek. Althans, twee succesvolle schrijvers – die adjectieven gebruikten ze nog weleens door elkaar, wanneer ze bij fietstochtjes door de buurt wezen op de huizen van die twee: statige, naast elkaar gelegen herenhuizen in de Johannes Verhulststraat. De ene auteur zag ik weleens op televisie – en in zijn geval ken ik tot vandaag de dag nog steeds meer de mediapersoonlijkheid dan zijn werk; de andere schrijver kende ik niet eens van gezicht. Hij scheen vrijwel permanent binnen te zitten, achter zijn typemachine, met een immer uitdijende stapel lopende projecten op zijn bureau. Hij schreef dan ook niet zomaar losse boeken, hij schreef een oeuvre, nee, meer nog, hij creëerde een volwaardig universum op papier, een wereld van romancyclussen waarin waargebeurde gebeurtenissen een net iets andere gedaante kregen, een andere context – een wereld waarin gefilosofeerd werd over en zelfs geëxperimenteerd met de tijd, met logica.
Die grootse inzet van Adri van der Heijdens oeuvre stond me aanvankelijk tegen. Op de middelbare school liet ik zijn boeken links liggen, tijdens mijn studie keek ik er amper naar om. Ik was zowel bang iets niet te begrijpen als te weinig tijd over te houden voor andermans boeken. Wat al te graag had ik toen het indringende essay gelezen dat Jamal Ouariachi schreef over Het Onmogelijke in Van der Heijdens werk; over zijn eindeloze ambitie en waarom dat hem nu juist zo charmant maakt; over hoe uitnodigend onbegrensdheid kan werken. Nu pas zie ik hoeveel krachtiger sommige van Van der Heijdens boeken worden wanneer men ze als geheel beschouwt, als verzameling verslagen van een zoektocht naar een antwoord op onbeantwoordbare vraagstukken. En wat te denken van onze redacteur als lezer van dit nummer: Daan Stoffelsen, die met een vergrootglas kijkt naar enkele passages uit Advocaat van de hanen, nagaat hoe ze vanaf hun oorspronkelijke versie veranderd zijn voor ze in de roman terechtkwamen, en zo, hoe kan het ook anders, bijzonder veel onthult over Van der Heijdens schrijverschap, zijn werkwijze, de thematiek die hij wil benadrukken of juist probeert te camoufleren.
Met eenzelfde belangstelling las ik het fictieverhaal van Wytske Versteeg: weloverwogen, scherp, en met soms letterlijk de taal van Van der Heijden erin verweven, die daardoor alleen maar aanspoort meer van hem te gaan lezen, al was het maar om na te gaan in welke context Versteegs citaten oorspronkelijk stonden. Ook bijzonder: het komische, compacte verhaal van Christiaan Weijts, die voor de gelegenheid geheel in de stijl van Van der Heijden is gaan schrijven en hem, zo blijkt gaandeweg, zelfs als personage opvoert.
Deze speciale Revisor staat vol met stukken zoals de hierboven genoemde: nu eens fictie, dan weer non-fictie; het ene moment expliciet over Van der Heijden, het volgende slechts verhuld. En allemaal geschreven door auteurs die begonnen zijn met schrijven toen Van der Heijden al bezig was – twintigers, dertigers, veertigers en vijftigers van nu, die stuk voor stuk zijn opgegroeid toen Van der Heijden al (tot op zekere hoogte) bij de gevestigde orde hoorde. En tussen dit alles, als bindend element, staat een romanfragment van Van der Heijden zelf, uit zijn aankomende De tandeloze tijd 7.
Een romanwereld als die van Van der Heijden is niet in definitieve vorm vast te leggen, in elk geval nog niet, maar met dit nummer hopen we zijn immer uitdijende universum enigszins te kunnen vatten – een samenvatting, een handleiding en een eerbetoon ineen.
De schrijver die ik vooral van televisie kende is overigens verhuisd, weg uit de buurt van mijn ouders. Van der Heijden zit er nog. Ik fiets weleens langs zijn voordeur, maar zie hem nooit. Hij zit natuurlijk achter zijn typemachine. Zijn wereld is nog lang niet af.


Thomas Heerma van Voss
Namens de redactie

 

Indexen voor verwijtbaarheid

2791 kilometer

P = VRM². Pleuris-sterkte, verwijtbaarheid, relevantie, mediageniekheid. Een team van mannen en vrouwen berekent een situatie via de Wet van Pleuris. Ze zoeken aan de hand van getallen en een blik op sociale media en algemene berichtgeving uit of het erop of eronder is. Een man, Dirk, schuift zijn computer opzij, stopt zijn duim en wijsvinger tussen de dubbele Windsor knoop van zijn stropdas, geeft een ruk aan de stof en zegt: ‘Een crisis is meestal niet fysiek. Fysiek duurt niet zo lang. Een ramp vindt plaats er als er iets fysiek fout gaat.’ Dirk ververst een pagina op zijn computer door op de F5-knop te drukken. Met de vingers die hij net gebruikte om de stropdas losser te trekken, begint hij nu haastig aan dezelfde stof te futselen, net zo lang tot de hele knoop is losgemaakt. Hij loopt naar het whiteboard op wielen dat een half uur eerder de ruimte in is gerold door Kim, de stagiaire, en schrijft met een zwarte marker boven aan het bord in blokletters ‘Indexen voor verwijtbaarheid’.

2679 kilometer

Een journalist, Johan, gewapend met alleen een camera en analoge rollen film, reist in een cargovliegtuig naar een plek waar eenvliegtuig is neergestort. Of deze journalist bestaat of niet, hij wil de scherpste blik hebben van iedereen. Zijn afstand tot de gebeurtenis is het cadeau dat hij krijgt, het cadeau waarmee hij overal doorheen kan kijken. Als hij aankomt op de plek waar het onheil zich op eerder onheil heeft gestapeld, hoeft hij alleen nog het beste licht door een lens te laten glippen. Op een plek waar leeftijdsgenoten met andersoortige namen andere leeftijdsgenoten neerschieten en vaak helemaal niet weten waarom, beweegt hij zich als een vis in het water. Als iemand met onschuldige ogen.

309 kilometer

Het driejarige meisje Vika daalt trede voor trede het trapje van haar woonhuis af. Met een telefoon in haar hand loopt ze de binnenplaats op. Ze houdt het toestel in de lucht en zwaait ermee naar haar vader Vova, die met zijn hoofd onder de motorkap van zijn terreinwagen hangt. De ringtone stopt een moment. Het is stil op de binnenplaats. Dan rinkelt de telefoon weer. Vova neemt op en drukt zijn hand zacht op de donkerblonde haren van Vika, kriebelt haar achter in haar nek.
‘Ja,’ zegt hij, ‘ik kan jullie wel langs de checkpoints loodsen. Als jullie een accreditatie hebben, kunnen jullie er één keer door. Daarna kom je op een lijst te staan en wordt het moeilijker. Als jullie veel geld meenemen gaat het praten makkelijker. Nee. Nee meteen laten zien hoeveel je hebt en een klein beetje achter de hand houden voor als ze gaan dreigen. Dollars, geen grivna’s. Dan kan je nog beter met roebels aankomen. De nieuwe valuta. Alles in cash. Ik ook. Ik hoor het wel.’
Vika trekt aan Vova’s broekspijp. Hij hangt op en stopt de telefoon in zijn zak. Het meisje laat zich optillen en zwiert een rondje door de lucht. Haar vader drukt zijn neus in haar haren.

111 kilometer

Binnenkort sterft de 78-jarige Nadja aan de gevolgen van een granaatscherf in haar buik. Ze past op de boerderij van haar jeugdvriendin Nina. De mortiergranaat die op de boerderij af suist, hoort ze te laat. Als ze het geluid eerder had gehoord, had ze gedacht dat deze langs de boerderij zou vliegen. Welke gek richt er nu op iemands woonhuis. De granaat schiet door het dak van de tweede verdieping, neemt de muur en een deel van de veranda mee en komt tot ontploffi ng in de moestuin. Tussen de tomaten en het huisje waar ooit de grootmoeder van Nadja’s vriendin woonde toen die te oud was om nog voor zichzelf te zorgen, ontstaat een krater van vijf diameter en twee meter diep. De mortiergranaat is in stukken uiteen gebarsten in de rulle grond. Door het gat in de muur is er een stuk van het projectiel door haar jurk haar heen geschoten. Nadja legt haar handen tegen de hete scherf en voelt hoe het textiel rondom het ijzer ook warmer en warmer wordt. De buurman, Aleksandr, rent de kamer binnen met een jachtgeweer in zijn handen.
‘Waar zijn de klootzakken, waar zijn ze,’ roept hij.
Hij richt eerst op Nadja, dan de kamer rond, naar het gat in de muur en tot slot op haar buik. Dan rent hij weer naar buiten. Over de landweg schreeuwt Aleksandr naar zijn zoon, die zich al een minuut verbijsterd aan het tuinhek vasthoudt: ‘Haal een auto, haal een auto!’

2497 meter

Yulia belt aan bij het huis van haar broer Oleg. Ze veegt met de palm van haar rechterhand het zweet onder haar oksels vandaan. Om haar linkerpols bungelt een camera aan een koordje. Oleg doet open. Hij draagt geen shirt. Yulia laat de camera voor zijn gezicht heen en weer zwaaien en geeft een knikje met haar hoofd.
‘Ze zeggen dat de lichamen ook in de velden liggen. Ze zijn zo, plof, tussen de zonnebloemen beland. Ik geloof er niets van.’
Oleg loopt vanuit de deuropening terug naar binnen. Terwijl hij een gebatikt shirt over zijn hoofd trekt, loopt hij naar de achtertuin en pakt zijn bruine fi ets. Kort voelt hij in de achter- en voorband of er nog genoeg spanning op het rubber staat. Hij duwt de fiets door de keuken en de gang en sluit de voordeur achter zich. ‘Gaan we niet met de auto,’ vraagt Yulia. ‘Als ik dit had geweten, was ik wel gaan lopen.’
‘Met een auto komen we daar nooit door.’
Hij trekt aan de ketting om te voelen of die niet te los zit.
‘Wanneer is de laatste keer dat je op dit ding reed?’
‘Paar maanden. Spring nu maar achterop.’
Yulia gaat zijlings op de bagagedrager zitten en Oleg zet af. De zus slaat een arm om haar broers heup, drukt de camera in haar schoot. De weg tussen de zonnebloemvelden is stoffig, het asfalt is jaren geleden gebarsten. Verderop doemt het reliëf van een op zijn kant liggende tank op.

MINDBOOKSATH : athenaeum