Leesfragment: Rivieren

26 maart 2016 , door Martin Michael Driessen
|

30 maart verschijnt het nieuwe boek van Martin Michael Driessen, Rivieren. Wij publiceren voor.

Zoals rivieren door een landschap slingeren, zo meanderen rivieren door de levens van de hoofdpersonen van de drie beeldschone novellen die in dit boek verzameld zijn. De Main en de Rijn vormen de levens van twee vlottervrienden in de late negentiende en begin twintigste eeuw, waarin klassenverschillen en broodroof leidend zijn.

Een Bretonse beek vormt de grens van het land van twee Franse families, hugenoot en katholiek, die al eeuwen in heftige rivaliteit leven. Het is een huiveringwekkende twistgeschiedenis van grote treurigheid en schoonheid.

De hedendaags acteur die op een kanotocht in de Ardennen een catharsis zoekt voor zijn gefnuikte kunstenaarsleven en zijn niet te stuiten alcoholisme, ervaart een hellevaart zonder weerga.

Men stapt nooit twee keer in dezelfde rivier: men leest nooit tweemaal een gelijke Driessen.

 

Fleuve sauvage
Alles führt zu nichts

1

‘Als je moet drinken doe het dan ergens waar niemand er last van heeft,’ had zijn vrouw gezegd.
‘Als je moet drinken doe het dan nu,’ had zijn agent gezegd, ‘je repetities voor Banquo beginnen pas in september.’
‘Natuurlijk mag je mijn kano en mijn tent lenen,’ zei zijn zoon, ‘maar ik ga niet met jou die rivier op. Maak je die tocht soms om je dood te zuipen?’

Het had de laatste dagen ononderbroken geregend en de waterstand in Sainte-Menehould was ongewoon hoog voor de maand juli. Bij het avondeten in Le Cheval Rouge dronk hij wijn, op zijn hotelbed whisky uit de fles die hij tijdens de autorit vanuit Brussel al had aangebroken. Hij zou dus alleen gaan. Hij wist dat alcohol hem agressief maakte en begreep dat andere mensen hem meden. Wat dat betrof was hij inmiddels zo tolerant als een lepralijder. Wat hem in de weg stond, dacht hij terwijl hij whisky bijschonk in het plastic bekertje uit de badkamer, was zijn enorme wilskracht. Als hij met zichzelf zou afspreken dat hij nooit meer een druppel zou drinken, zou hij zich daar ook aan houden. Anders zou hij elk zelfrespect verliezen en te gronde gaan. Hij zou nooit meer in de spiegel kunnen kijken als hij zo’n gelofte brak. Hij moest dus goed nadenken voor hij zich committeerde, want dan zat hij er voor de rest van zijn leven aan vast.
‘U bent een alcoholicus,’ had de arts gezegd. ‘Matig drinken is geen oplossing voor u. U moet totaal met de gewoonte breken.’

Daar denk ik over na op de rivier, dacht hij. Misschien is de fles in mijn rugzak de laatste die ik ooit drink. Stel dat ik dat besluit neem. Huwelijk gered. Zoon respecteert zijn vader weer. Carrière aan de Munt gestabiliseerd. Je ziet er tien jaar lang tien jaar jonger uit, je krijgt misschien nog de kans Hamlet te spelen. De fles op het nachtkastje was bijna leeg; maar die in zijn rugzak was voor de rivier. En met anderhalve slaappil zou het moeten gaan.
Wil je het drinken echt opgeven, dacht hij terwijl hij een sigaret opstak. Het is geen geluk, maar het lijkt er wel verdomd veel op. Meer dan al het andere dat je kent.

2

De kade stond onder water en er was maar nauwelijks genoeg ruimte om onder de eerste brug door te varen. Hij duwde af. Op deze zondagochtend was Sainte-Menehould even slaperig als hij. Er was niemand te bekennen. Hij stuurde de kano naar het midden van de stroom en bukte onder de middelste boog van de brug. Toen hij aan de andere kant het licht in voer en zich weer oprichtte, gingen er in een huis aan de linkeroever roestige vensterluiken open. Drie donkere, kroesharige kleine meisjes doken op en wuifden hem opgewonden toe. Hij zwaaide terug.
De kano stuurde goed, alleen stak de punt te veel omhoog, hoewel hij alle bagage voorin had gestouwd. Het was een lange aluminium Canadees, eigenlijk te groot voor een man alleen. Hij had hem aan zijn zoon cadeau gedaan op diens zestiende verjaardag. Ze waren er die zomer samen de Loire mee afgevaren, een groot stuk althans, langs Chambord en de andere beroemde kastelen. Dat was na de veelbelovende beginrepetities voor Don Carlos geweest. Later was hij zijn rol kwijtgeraakt omdat hij de regieassistente had geslagen. Waar hij tot op de dag van vandaag geen spijt van kon hebben. Wie geen respect heeft, begrijpt niets van theater. De rivier stroomde nu tussen overhangende bomen en struiken, zoals het nog tientallen kilometers zou doorgaan, althans volgens de vooroorlogse kanogids die hij de avond tevoren had geraadpleegd. ‘De Aisne,’ had hij gelezen, ‘is een gemoedelijke rivier, die zich in tallooze meanders door het lieflijke Noord-Fransche landschap slingert. Behalve incidenteele boomhindernissen zijn er tot aan de groote barrage van Autry generlei bijzondere problemen te verwachten.’ Des te beter, dacht hij, bijzondere problemen heb ik al genoeg aan boord.
Het was stil. De bomen met hun bollen van maretakken staken af tegen de parelgrijze morgenhemel. Bisamratten plonsden in het water en doken onder, als ze door het verschijnen van zijn kano verrast werden. Zwaluwen stortten zich uit hun nestgaten in de hoge, afgekalfde lemen oevers in de buitenbochten van de stroom en zochten een veilig heenkomen. La France Profonde, dacht hij terwijl hij met rustige peddelslagen koers hield, wat wil je meer. Hij kon zich na de koffie van die ochtend niet voorstellen ooit nog behoefte aan drank te zullen hebben. Hij kon zich zelfs niet meer herinneren waarom hij er ooit behoefte aan had gehad. Hij peddelde om drijvende eilanden van plompenbladeren heen, besloot af en toe om links dan wel rechts om een kiezelbank heen te varen, maar in feite deed de stroom al het werk. Hij zag in de verte een kerktorenspits oprijzen maar hoe dat dorp heette, interesseerde hem eigenlijk niet. Het werd warmer, hij trok zijn trui uit. Nog een paar kilometer doorvaren, en dan wat rusten. De whisky zou hij niet uit de rugzak halen. De plek waar hij tegen de middag aanlegde was ongelukkig gekozen: hij zakte tot aan zijn kuiten in de blubber en moest de kano aan een touw door slib en koeienpoep trekken. Maar hij was opeens moe en hij had dorst. De fles had een schroefdop. De wijn was lauwwarm. Hij strekte zich uit in het gras. Hij hoorde het gedruis van verkeer, en toen hij zich op zijn zij draaide zag hij auto’s over een weg aan de voet van de heuvelkam rijden. De plek was echt niet goed gekozen, vooral gezien het feit dat hij urenlang door een vrijwel ongerept landschap was gevaren. Maar hij had dorst, en zette de fles weer aan zijn mond. Zo’n Merlot uit de supermarkt, daar kon niet meer dan een paar procent alcohol in zitten.
‘Gij, zelf geen vorst, zult koningen verwekken,’ mompelde hij toen hij een half uur later terugging naar de kano, waarbij hij zo diep in de zuigende blubber wegzakte dat zijn sandalen bleven steken en hij moest bukken om ze er weer uit te trekken. Banquo was geen grote rol. Die zou hij zelfs indrukwekkend kunnen spelen als de jonge Poolse regisseur een idioot bleek te zijn. Dat men het niet had aangedurfd hem als Macbeth te casten, begreep hij. Al zou dat de rol van zijn leven zijn geworden. Hij spoelde de sandalen schoon, stapte in en duwde zijn kano van de oever af. Hij voelde opluchting nu de stroming hem weer meevoerde, de volgende bocht door, de schaduw van een ander bos in. Al snel was het verkeer niet meer te horen. De smalle Aisne stroomde gelijkmatig en zwierig, bocht in bocht uit, onder laaghangende takken die hij af en toe met zijn peddel pareerde, zoals bij het zwaardvechten op het toneel. Een ijsvogeltje flitste van struik naar struik. Naarmate de middag vorderde werd hij slaperiger, en hij dronk de rest van de Merlot om zijn energie op peil te houden. Hij vond dat het varen hem goed afging; sommige dingen verleer je nooit dacht hij, zoals zwemmen, paardrijden of de liefde bedrijven. Al had hij die drie dingen sinds jaren niet gedaan. Hij hield de kano niet op het midden van de stroom maar volgde de snelste loop van het water, die meestal door de buitenbochten ging. Als hij de zon zag stond die nu eens links en dan weer rechts van hem, zo sterk meanderde de rivier. Een omgevallen boom versperde de doorvaart. Hij probeerde nog achteruit te peddelen, maar hij was al te dichtbij. De rechteroever, waarop de ontwortelde boom had gestaan, was geen optie want de stam lag te laag boven het wateroppervlak om er onderdoor te kunnen varen. De geplette kruin rustte op de tegenoverliggende oever, maar toch zag hij daar zijn beste kans. ‘Gods grote hand is om mij!’ riep hij, maakte zoveel snelheid als hij kon en stuurde frontaal de massa van takken en bladeren in. Hij bleef hangen, de kano begon weg te draaien en kwam dwars op de stroom te liggen, een stroom die onverwacht sterk bleek nu hij met zijn bovenlichaam klem zat in de takken; hij helde over, de kano kantelde en het water stroomde over de bakboordzijde de boot in. Hij gooide de peddel neer, greep takken en twijgen, en trok zichzelf met alle macht dieper het gebladerte in. eGedoemd wie het eerste roept: houd op, genoeg!f brulde hij, hoewel dat geen vers van Banquo was maar van Macbeth. Takken schramden zijn gezicht, zijn anorak scheurde, het voorste deel van de kano was totaal aan zijn zicht onttrokken, maar hij had de situatie weer onder controle. De punt wees nu weer recht vooruit. Hij leunde voorover en greep een grote tak om zich verder stroomafwaarts te trekken, maar er was geen beweging in de kano te krijgen. Hij stond half op en begon voor. en achteruit te schommelen. Krakend en piepend schoof de boot stukje bij beetje vooruit. Toen hij voelde dat hij er haast was ging hij weer zitten. Hij maakte nog een, twee wiegende bewegingen, en de kano kwam los en gleed het zonlicht in. Hij zag dat hij bloed aan zijn hand had en veegde over zijn gezicht. Een litteken zou Banquo niet misstaan. Hij pakte de peddel op en ging weer op koers. Afgerukte bladeren en twijgen bedekten de vlonders en het zeil waaronder zijn bagage lag. Het woud was ten einde, de Aisne slingerde nu door open weidelandschap, een escorte van uitgelaten vaarzen galoppeerde op de hoge oever met hem mee. Een onzichtbare leeuwerik jubelde. De wereld aan deze zijde van de barricade leek hem veel mooier en rijker dan zij aan de andere kant was geweest.
Godverdomme, dacht hij. Godverdomme, dat doet mijn zoon me niet na.

3

Na een uur of wat had hij behoefte aan een slok wijn, maar de ene fles was leeg en de andere lag voor in de kano. Hij vond geen geschikte plek om aan te landen, legde de peddel neer en kroop naar de boeg. De kano schommelde en dreef ondertussen zijdelings voort op de lome stroom, maar moeilijk was het niet.
Toen de dag ten einde ging had hij geen idee hoeveel kilometers hij had afgelegd. Hemelsbreed was hij misschien niet meer dan tien kilometer van Sainte-Menehould verwijderd, maar dat deed er niet toe. Hij begon de oevers af te zoeken naar een geschikte plek om te kamperen. Een grasveld boven een lage oever, zonder enige bebouwing in zicht. Het schemerde al toen hij uiteindelijk vond wat hij zocht. Hij plaatste de fles Merlot schuin tegen de koelbox – de schroefdop was hij kwijt – en zette zijn tent op. Sterren verschenen. Die grote boven de wilgen aan de overkant van de rivier moest Venus zijn; hoe ver verwijderde die zich ook al weer maximaal van de zon? Achtenveertig graden, meende hij zich te herinneren. De schaduwen van de nacht snelden hem uit het oosten tegemoet. Frankrijk was stiller dan ooit. Het was nog steeds warm en hij hing zijn vochtige handdoeken, broek en sokken over de takken van de enorme wilg waaronder hij de kano had afgemeerd. Steeds meer sterren werden zichtbaar. Het volk van de nacht eist zijn rechten op, dacht hij. ‘De donkere nacht zal een uur of twee mij moeten borgen.’ Hij vroeg zich af welke vertaling het Poolse regiewonder zou kiezen. Als het Claus of Komrij werd, zou hij zijn rol teruggeven. Hij wilde Burgersdijk. Hij kende de rol van Banquo inmiddels van buiten, in de oorspronkelijke taal althans. Hij zat op de koelbox, waarin de paté en de salade die hij in Sainte-Menehould had gekocht inmiddels wel verdacht warm zouden zijn geworden. Hij had geen honger. De tentflap was uitnodigend teruggeslagen, zijn slaapzak lag klaar, de zaklantaarn en zijn sigaretten ernaast. Hij was moe, maar hoefde ook verder niets meer te doen vandaag. Hij dronk en dacht na. De nacht was nu al zo donker als hij zou worden in deze tijd van het jaar. Zwaluwen, nee het moesten vleermuizen zijn, scheerden door het duister. De Merlot was bij lange na niet op, maar de laffe smaak begon hem tegen te staan. Omdat de schroefdop toch weg was, besloot hij de fles in de rivier te werpen. Willekeur was per slot het allermooiste aspect van de vrije wil. Dat is wat ons van de dieren onderscheidt, dacht hij. Hij had gewoon zin die fles in de rivier te gooien. Hij stond op en slingerde hem weg, maar hoorde geen plons. Misschien niet ver genoeg gegooid verdomme, dacht hij en daalde de oever af om te zien waar de fles gebleven was, en ook omdat hij moest plassen. ‘Vrijheid is, waar ik mijn bierblikjes nog gewoon in het bos kan smijten,’ had Hermann Scheidleder, een volkomen krankzinnige Oostenrijkse collega, ooit gezegd. Nadat hij had geplast, zonder de fles te hebben gevonden, beklom hij de oever weer en haalde de Famous Grouse uit zijn reistas. De scherpe smaak van de whisky brandde in zijn mond, hij had het gevoel dat hij gereinigd werd, dat hij du moment weer degene werd die hij eigenlijk was. Hij slikte, en de onweerlegbare puurheid en kracht van de drank vervulde hem met diepe bevrediging. Wie dit niet kent, dacht hij, weet niet wat hij mist.
Dat met de regieassistente was in Graz gebeurd, toen hij samen met Scheidleder Don Carlos repeteerde. Hij was Posa, omdat de regisseur, wie was dat ook al weer, een of ander oud circuspaard, op het idee was gekomen dat de markies Duits met een Vlaams accent moest spreken. Dat was zijn enige gastrol in het buitenland geweest. Scheidleder was een flamboyant waanzinnige Carlos en werd tijdens de repetities door iedereen op handen gedragen maar hijzelf kreeg nauwelijks aandacht, laat staan bevestiging. In de kantine had hij steun gezocht bij de regieassistente, die nota bene dramaturgie had gestudeerd, en geopperd dat de manier waarop hij die ochtend tijdens de doorloop de woorden ‘Geef ons gedachtevrijheid, Sire!’ had uitgesproken, toch wel vrij uniek was geweest. Ze had haar knödel in vieren gedeeld en minzaam geantwoord: ‘O ja, daarmee vergeleken valt volkomenheid in het niet.’ Toen had hij haar een klap gegeven. Dat ze naar het ziekenhuis moest speet hem niet maar wel dat hij zich zo had laten provoceren.
Hij hield de fles Famous Grouse omhoog tegen de maan. Nog vol tot vlak boven het etiket.
Waarom blijf ik hier niet zitten totdat ik weet wat ik met mijn leven wil, dacht hij, slapen kan ik altijd nog. Zo kan het niet verder. Ik moet keuzes maken.
Sterrenbeelden die hij voorheen hoog aan de hemel had gezien volvoerden hun salto en vielen omlaag naar de donkere bomenrij aan de overkant, als atleten die hun sprong achter de rug hadden. Nog een uur of drie en het zou weer licht worden. Het werd kil. Hij haalde zijn slaapzak uit de tent, ritste hem open, drapeerde hem om zijn schouders en ging op de koelbox zitten.
Als ik blijf doen wat ik doe, weet ik hoe het verder gaat en hoe het eindigt. ‘Als u nu niet ophoudt met drinken,’ had zijn arts gezegd, ‘is het te laat. U staat kort voor een levercirrose. Het is nu of nooit.’ ‘Het enige goede aan een levercirrose,’ had hij tegen zijn bezorgde impresario gezegd, ‘is dat ik er met jou niet over hoef te praten.’
Als ik vanaf nu nooit meer drink, wordt alles anders. Wil ik dat? Wil ik dat het anders wordt? Ook zijn vrouw was wel eens in het ziekenhuis beland, maar Minou had nooit een aanklacht tegen hem ingediend.
Stel, ik besluit nu dat ik de drank voorgoed afzweer. Laten we zeggen, als deze fles Famous Grouse leeg is. Dat zou wel betekenen dat ik al op de allereerste dag van deze tocht een besluit heb genomen waarvoor ik nog vier dagen de tijd heb. Zo lang duurt het minstens voordat ik in Vouziers ben. En bovendien heb ik nu gedronken – dus hoe weet ik of ik dit besluit bij volle verstand neem. Het is alsof ik mijn eigen glazen ingooi. Wat een idiote beeldspraak. Maar ik heb nog tijd om erover na te denken.
Maar hij kon niet langer negeren wat hij in het diepst van zijn hart maar al te goed wist: het was nu of nooit. Dit was sinds jaren de eerste nacht die hij onder de open hemel doorbracht. Met zicht op de kano die hij voor zijn zoon had gekocht en waarmee ze in gelukkiger dagen samen de Loire waren afgevaren. Het is nu of nooit, dacht hij. Nu of nooit. Godverdomme, waarom laat heiligheid zich niet uitstellen. Als ik nu opsta en deze nog bijna volle fles in de Aisne gooi, raak ik een hele hoop kwijt. En wel voor altijd, want dan is er geen terug, dat ben ik aan mijzelf verschuldigd. Ik zal weer moeten beginnen waar ik was toen ik achttien was. Alsof ik niet heb geleefd. Alsof alles tot nog toe niets waard is geweest.
Hij stond op. Ik ga het doen, dacht hij en huiverde. Het gevecht met de engel, dat is het gevecht met jezelf. En een van ons verliest. Maar ik ga het doen, en dan is er geen terug meer. Ik neem niet eens een laatste slok. Hij liep naar het hoogste punt van de oever, zette zich schrap en slingerde de whiskyfles naar het midden van de rivier. Dit keer was er een massieve plons, een nachtvogel vloog op en krijste, en hij voelde zich als de ridder die het zwaard Excalibur in het water had geworpen.
Hij trok de kano voor de zekerheid hoger de oever op, want het leek alsof de rivier was aangezwollen, sleepte de slaapzak achter zich aan de tent in en ritste de flap dicht.

 

© Copyright 2016 Martin Michael Driessen

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum