Leesfragment: Viviane Élisabeth Fauville

17 december 2016 , door Julia Deck
| | |

Dit jaar verscheen in Nederland de gelijknamige vertaling van Julia Decks Viviane Élisabeth Fauville. Lees bij ons, aansluitend op het eerste hoofdstuk dat op de site van Uitgeverij Vleugels te lezen is, het tweede hoofdstuk.

U bent Viviane Élisabeth Fauville. Tweeënveertig jaar, een kind, een man, maar hij heeft u net verlaten. En gisteren hebt u uw psychoanalyticus vermoord. Dat had u wellicht beter niet kunnen doen. Gelukkig ben ik hier om de situatie niet verder uit de hand te laten lopen.

Toen dit debuut in 2012 in Frankrijk verscheen bij de literair prestigieuze uitgeverij Éditions de Minuit was het op slag een sensatie. Meerdere vertalers in Nederland pikten deze titel op, waarna Lidewij van den Berg en Katrien Vandenberghe uiteindelijk voor Uitgeverij Vleugels aan de slag konden. 

 

II

De volgende morgen, dinsdag 16 november, is uw geheugen weer helemaal terug. Het horloge naast het bed geeft 05:03 aan. Het duurt nog ongeveer een uur voordat het kind wakker wordt, een uur om een oplossing te vinden, de brokstukken om u heen zo goed en zo kwaad als het gaat bij elkaar te vegen.
U bent Viviane Élisabeth Fauville, gehuwd met de heer Hermant. U bent tweeënveertig jaar en op 23 augustus hebt u het leven geschonken aan uw eerste kind, dat waarschijnlijk het enige zal blijven. U bent communicatiemanager bij Bétons Biron. Het bedrijf Biron verdient veel geld en is gevestigd in een gebouw van acht verdiepingen aan de rue de Ponthieu, vlak bij de Champs-Elysées. Soepel en klef als de plastic slierten van oude vliegengordijnen laten receptionistes de bezoekers in de ontvangsthal wachten met bedenkelijke platitudes.
Uw man, Julien Antoine Hermant, weg- en waterbouwkundig ingenieur, is drieënveertig jaar geleden geboren in Nevers. Op 30 september heeft hij een punt gezet achter twee jaar huwelijksellende. Viviane zei hij, toen hij in het holst van de nacht thuiskwam, zogenaamd van het technisch bureau, Viviane, ik ga bij je weg, er zit niets anders op, trouwens je weet dat ik je bedrieg, en niet eens omdat ik verliefd ben maar uit wanhoop.
Uw ribbenkast heeft deze verpletterende klap volmaakt onbewogen geïncasseerd. Uw schouders kromden zich amper, het ritme van de schommelstoel veranderde amper, uw vingers verkrampten amper op de armleuningen. Hij ging verder Viviane, je moet me begrijpen, jij hebt het kind, en ik, ik heb ruimte nodig. En bovendien kan ik je niet geven wat je verlangt, misschien verwacht je te veel van me – Viviane, alsjeblieft, zeg iets.
U hebt geantwoord nee, ík ga weg. Hou alles maar, ik neem het kind mee, we hoeven geen alimentatie. U bent op 15 oktober verhuisd, hebt een oppas gevonden, uw zwangerschaps- en bevallingsverlof om gezondheidsredenen verlengd, en op maandag 15 november, gisteren dus, hebt u uw psychoanalyticus vermoord. U hebt hem niet symbolisch vermoord, zoals men soms komt tot vadermoord. U hebt hem vermoord met een mes van het merk Henckels Zwilling uit de serie Twin Profection, model Santoku. ‘De unieke, taps toelopende lemmetgeometrie zorgt voor optimale stabiliteit en een lichte snede’, aldus de folder die u in de Galeries Lafayette bestudeerde terwijl uw moeder haar chequeboekje tevoorschijn haalde.
Dit mes, dat deel uitmaakt van een set van acht, hebt u die ochtend meegenomen uit Juliens huis. U hebt geen moment geaarzeld toen u weer de hand legde op het etui. Het belandde onder in de tas, waarvan u de rits met een resoluut gebaar dichttrok. Daarna gebeurde er iets heel vreemds. U wilde juist het appartement verlaten, uw hand lag al op de deurknop, toen er een zwart waas over de kamer viel. Ineens ging ú niet meer de ruimte uit, maar de ruimte tolde om u heen, kwam aan alle kanten omhoog, de vloer, de muren, het plafond botsten tegen elkaar in een plotselinge omkering van de dimensies. Het zweet parelde in uw handpalmen, duizenden insecten gonsden in uw hoofd, een krioelend leger dat aasde op elk vrij stukje huid, de uitwegen blokkeerde, ogen, mond en neus afsloot.
U zakte neer op het linoleum, met uw hoofd op uw knieën om de doorbloeding van de hersenen te bevorderen. Haalde de fles mineraalwater uit uw tas. Dronk een paar slokken, richtte gebeden tot god weet wie in de hoop dat de angst zou wegebben. Onder de ladekast namen de gele irissen van de kat, het enige wat in de duisternis te zien was, u bedachtzaam op.
Uiteindelijk herinnerde u zich dat u betaalt voor een specialist. Toen uw vingers niet meer zo trilden pakte u uw mobiele telefoon, scrolde door de contacten en koos Psy.
Hij antwoordt met zijn schrale, benepen stemmetje omdat hij in een consult zit en omdat dat zijn gewone stem is. De dokter doet niet aan plichtplegingen, die druisen in tegen zijn ethiek en schaden de behandeling, dat heeft hij u keer op keer herhaald. U mag van geluk spreken dat hij u een spoedconsult toestaat, vanavond om halfzeven, er is een afspraak afgezegd. Hoe dan ook zeurt hij al maanden dat u naar drie sessies per week moet.
U bent naar huis gegaan om de boodschappentas met de broodrooster weg te zetten, daarna bent u bij de oppas langsgegaan. U hebt haar gevraagd of ze bij wijze van uitzondering tot vanavond op de baby kon passen. Maar nee, dat schikt haar absoluut niet. U vertrekt weer met uw dochtertje, geeft haar de fles en brengt de middag in de schommelstoel door, zoekend naar een oplossing.
In feite hebt u die al gevonden, u probeert het idee alleen naar uw hand te zetten. Als de kleine in slaap valt, is ze drie uur zoet. Dat geeft ruimschoots de tijd om een bezoekje te brengen aan het vijfde arrondissement – met lijn 7 gaat het rechtstreeks. U zult het gas afsluiten, erop letten dat er niets op de convectoren ligt, en de deur niet op slot doen zodat de brandweer er makkelijk in kan als er ondanks al deze voorzorgen toch brand mocht uitbreken. Dergelijke maatregelen strekken uw moederinstinct uiteraard niet tot eer. U bent er allerminst trots op, en u zult dit voorval niet vrolijk aan uw dochter melden als ze acht of negen is en het waagt u op tekortkomingen te betrappen, nadat ze door vergelijking met de meisjesboeken heeft vastgesteld dat u niet de ideale moeder bent die in deugdzame romans wordt opgehemeld. Nee hoor, u zult het niemand vertellen, nooit, u houdt uw geheimpjes wel voor uzelf.
Tegen het eind van de dag geeft u het kind te eten, u legt het in bed, daarna loopt u over de rue de l’Aqueduc naar de metro. Tot Censier-Daubenton zijn er achttien haltes, de reis duurt een goed halfuur. Als u bovengronds komt, is het bijna donker. In twee minuten bent u het plein overgestoken en de rue de la Clef in gelopen, die verlaten is. Ook op weg naar de derde verdieping van num- mer 22bis komt u niemand tegen. U belt aan en na het zoemen van de automatische deuropener gaat u de wachtkamer in. Vijf minuten later klinkt een gemompeld tot ziens, daarna het dichtklappen van de deur op de overloop. U moet nog een geruime poos wachten, waarin blijkbaar een paar belletjes worden gepleegd en bij het raam een sigaretje wordt gerookt. U bladert verstrooid door de enige publicatie die binnen handbereik ligt, een Polyeucte uit de reeks Classiques Garnier waarvan de uitwaaierende bladzijden loslaten van de band. Men heeft echt geen moeite gedaan om de plankenkoorts te verzachten voor het doek opgaat, en achteraf bedenkt u dat het misschien niet zo ver was gekomen als er een Paris Match of een Point de vue had gelegen, als ook maar enigszins was geprobeerd uw pijn te verlichten in plaats van u er dieper in onder te dompelen.
De dokter ontvangt u na een lang kwartier, met een voldaan glimlachje om zijn mond. Het lijkt zelfs of hij, toen hij een stapje achteruit deed om u binnen te laten, iets van een lichte buiging maakte.
Zo, steekt hij quasi goedmoedig van wal, alsof hij u een kostelijke anekdote gaat vertellen. Maar het is een valstrik, een beproefde truc om de cliënt uit zijn tent te lokken. Die valstrik kent u allang, en toch bent u niet bij machte de duistere kracht van de dokter te weerstaan.
Vanmorgen is het weer gebeurd, begint u. Tijdens mijn zwangerschap was het weg, en nu is het terug. Ineens lag ik op de grond, thuis, of liever bij mijn man, in mijn vroegere appartement. Er moet iets worden gedaan, ik kan niet meer, ik moet voor mijn dochtertje zorgen.
De dokter zegt ja.
Wat ja? herhaalt u. Ik zeg u dat er iets moet worden gedaan, dat is geen ja of nee. Ik ben hier niet naartoe gekomen om terug te gaan naar de tijd van de zondvloed, ik ben moe, u moet me nú helpen.
Maar u weet toch, mevrouw Fauville, pardon, Hermant, u weet toch dat symptomen maar symptomen zijn. Dat we terug moeten naar de bron, nietwaar mevrouw Hermant?
Beste meneer, beste dokter, ik moet zeggen dat de bron me gestolen kan worden. Al drie jaar houdt u me met dat verhaal aan het lijntje, al drie jaar is het van hetzelfde laken een pak. Als u niets voor mij kunt doen, dan moet u dat zeggen, dan ga ik mijn heil elders zoeken.
Ja?
Meneer, u begrijpt me niet. Ik speel niet meer mee, ik pas. U moet een andere methode gebruiken, anders heeft het geen zin dat ik nog kom.
Welja, chantage.
Dat heeft niets met chantage te maken, zegt u op hoge toon. Integendeel juist. Ik zou liever blijven, ik zou liever zien dat het werkt, maar ik kan niet eindeloos doorgaan zonder resultaat. Ik heb de middelen niet.
De middelen?
Ja, de middelen, inderdaad, de middelen, blaft u nu. De tijd, het geld, de mogelijkheden. Ik heb de huur, de rekeningen, de oppas, en mijn man gaat me niet helpen, moet ik u daaraan herinneren, mijn man die me heeft verlaten voor een of ander jong dom wicht, kortom ik sta er alleen voor zoals dat heet, alleen met mijn dochter, we zijn alle twee alleen en moeten het zien te rooien.
Waarom hebt u die keuze gemaakt?
Uw vingers verkrampen, uw wervels drukken zich helemaal plat tegen de rugleuning van de stoel. U sluit uw ogen. Uit uw ooghoek regent het een paar tranen van woede. U ziet uzelf weer zitten, anderhalve maand geleden, diep weggezakt in de schommelstoel in het appartement aan de rue Louis-Braille, tegenover uw man, van wie u de bons kreeg, terwijl u in een poging koelbloedig te blijven onmiddellijk besloot te verhuizen, want dat was uw laatste kans om hem vóór te zijn, hem de pas af te snijden.
U pakt uw handtas. Op zoek naar de papieren zakdoekjes stuit u op de messenset, die best zwaar is. Maar u had zo’n haast, daarstraks bij het weggaan, u was zo in beslag genomen door de gedachte uw dochter achter te laten, dat u er niet op hebt gelet wat erin zat. U vindt de zakdoekjes, de tas blijft open op uw schoot liggen.
Ik heb helemaal geen keuze gemaakt, mijn man is bij mij weggegaan.
Maar we maken toch allemaal onbewust keuzes.
U insinueert dat ik hem naar buiten heb gewerkt.
Ik insinueer niets, ú zegt het.
Uw armen schokken op de leuningen, uw handen beginnen ineens te beven.
Hoor eens, mevrouw Hermant, we gaan het volgende doen. We nemen gewoon weer een paar maanden die pillen, u weet wel, de antidepressiva, en ook de zenuwpillen, om de aanvallen te stabiliseren. De vorige keer hebben die vrij goed geholpen, hè, mevrouw Hermant? Hier, ik schrijf een recept voor u uit. Wees nou aardig, begin weer met de behandeling, kom woensdag terug, en dan gaan we over op drie sessies per week. Maandag om acht uur, schikt dat?
Opeens wordt u weer heel kalm. De therapeut heeft het juiste woord gevonden. Aardig. Dat zult u nooit meer zijn. Uw vingers woelen in de handtas, doen het etui een stukje open, betasten de lemmeten en trekken het breedste uit de ring waarmee het aan het synthetische fluweel vastzit. U haalt het mes uit de tas, u staat op, zet een stap naar voren. De dokter glimlacht nog altijd, wacht op het vervolg, alsof hij in de schouwburg zit. Natuurlijk acht hij u ook hiertoe niet in staat. Hij heeft in u nooit iets anders gezien dan een burgervrouwtje, een kleurloze carrièrejaagster, een doorsneeneurote die je kleinkrijgt met witte of blauwe pillen. Eindelijk zal hij ten volle beseffen wat voor iemand u bent. En inderdaad, naarmate u dichterbij komt, zakt zijn schaapachtige grijns in elkaar, verstarren zijn trekken, verstijft zijn pafferige gezicht. Maar als het tot hem doordringt wat er gaat gebeuren, is het veel te laat.
U bent op een paar centimeter afstand van hem, en torent boven hem uit door uw lichaamslengte en uw hoge hakken. U houdt de punt van het mes ter hoogte van zijn maag, onhandig, een beetje zoekend, niet helemaal zeker of het wel gaat lukken. Hij spert zijn mond open, diep in zijn keel vormt zich een schreeuw. Nu weet u dat u niet moet aarzelen. U stoot het mes vlak onder de onderste rib, boort het tot aan het heft in het vlees. De ingewanden zijn zacht als boter. U gaat omhoog naar de long, maar de kleine man blaast zijn laatste adem al uit, hij ligt aan de voet van de leunstoel vanwaaruit hij niet langer zijn patiënten het leven zuur zal maken.
Het bloed breidt zich uit op het blauwe overhemd. Algauw wordt het een hele vlek op de linkerzij, dan een plas die uitdijt tot op het vloerkleed. U draait de neuzen van uw schoenen een beetje weg. U denkt nergens aan, u hebt geen enkele strategie, maar misschien schiet op dat moment de herinnering aan een misdaadfilm of -roman door u heen, en het schijnt u toe dat u de eerstvolgende minuten, als u met een verwilderde blik en besmeurd met bloed de spreekkamer uit komt, maar beter niet kunt worden gezien. U veegt het mes af aan uw trui, het vocht dringt door de wol heen en de huid van uw buik wordt nat. In de zak van uw regenjas ontdekt u een verfrommeld tasje. Het mes wordt erin verpakt, u gaat na of u niets bent vergeten en verlaat het vertrek. Achter u liggen wel duizend verpletterende bewijzen tegen u, maar zelfs als u de hele nacht zocht zou het u heel wat moeite kosten om ze op te sporen, aangezien u nooit op het idee bent gekomen uw vaardigheden als moordenares te perfectioneren.
In de rue de la Clef even weinig volk als daarnet. De eerste die u tegenkomt is een jonge vrouw op de hoek van de rue Monge, met een stokbrood onder de ene arm, een jongetje aan de andere en een chagrijnig maandagavondhoofd. U komt uit bij het kruispunt met het metrostation, verschillende grand cafés met verwarmd terras, dus tientallen klanten die niets beters te doen hebben dan mensen kijken en het signalement van de opvallendste voorbijgangers in hun geheugen prenten. U vlucht naar de ondergrondse.
Het elektronische display op het perron meldt drie minuten wachttijd voor de volgende metro. U gaat op een oranje kuipstoeltje zitten en bespiedt de reizigers in uw nabijheid – drie jongemannen in pak, twee studentes met sierspijkertjes in hun neus, bij de aanzet van hun wenkbrauwen en in de lelletjes van hun mooie oren, een Afrikaan in een wijd groen gewaad. U wacht tot ze u ontmaskeren. Het moet op uw gezicht te lezen zijn dat u zojuist een man hebt gedood. Toch is de Afrikaan verdiept in een gratis krantje, kijken de studentes naar de drukte van de trippelende muizen tussen de rails, en bespreken de anderen de maandelijkse bulletins over de ontwikkelingen op de automarkt.
De metro rijdt het station binnen. De passagiers drukken zich tegen de ruiten tot de deuren opengaan, stromen het perron op, stromen op bevel van het geluidssignaal gedwee weer naar binnen, en de nieuwkomers werken zich met hun ellebogen de wagon in. U vordert langzaam naar het hart van de mensenmassa. Een paar mannen nemen u verstrooid op, maar uw gezicht lijkt uit hun geheugen te verdwijnen zodra ze hun blik verplaatsen.
Bij Stalingrad wordt u met de stroom de metro uit gegooid en bovengronds gevoerd, de boulevard de la Chapelle op. Binnen vijf minuten staat u onder aan het gebouw waar u woont. Tot aan de vijfde verdieping komt u geen levende ziel tegen, behalve de kat van tweehoog die klaar is met zijn rondje en wacht tot hij binnen wordt gelaten. U zoekt in het voorvakje van uw handtas naar uw sleutelbos en herinnert u dat dit onnodig is, u hebt de deur niet op slot gedaan. Een draai aan de deurknop en u hoort gebrabbel vanuit de wieg – de baby wordt net wakker. U rent naar de wasmachine om er al uw kleren in te gooien. Helemaal naakt onder het al even naakte peertje maakt u het mes schoon met afwasmiddel, met bleekwater, met terpentine, en daarna bergt u het op bij de andere, in het etui. Het flesje wordt warm, u wiegt de kleine, die drinkt en in slaap valt. In de schommelstoel midden in de lege salon vergeet u alles.

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum