Leesfragment: Wil

28 december 2016 , door Jeroen Olyslaegers
| |

Wil, de nieuwste roman van Jeroen Olyslaegers, komt maar liefst vier keer op de eindejaarslijstjes van de kranten en weekbladen voor. Lees bij ons een fragment.

Het is oorlog. Antwerpen wordt bezet door geweld en wantrouwen. Wilfried Wils acht zichzelf een dichter in wording, maar moet tegelijk zien te overleven als hulpagent. De mooie Yvette wordt verliefd op hem en haar broer Lode is een waaghals die zijn nek uitsteekt voor joden. Wilfrieds artistieke mentor, Nijdig Baardje, wil juist alle joden vernietigen. Onbehaaglijk laverend tussen twee werelden, probeert Wilfried te overleven terwijl de jacht op de joden onverminderd verdergaat. Jaren later vertelt hij zijn verhaal aan een van zijn nakomelingen.

Update 14 mei: Wil werd bekroond met de Confituur Boekhandelsprijs en de Fintro Literatuurprijs 2017.

 

Een plotse sneeuwval

Een plotse sneeuwval. Het doet me denken aan de oorlog. Niet vanwege de kou of ander ongemak, maar vanwege de stilte die de stad dan kort in haar klauwen heeft. Nu valt het met pakken uit de lucht. Het is nacht. Ik hoor de geluiden stollen tot een dof niks. En dan moet een mens zoals ik naar buiten, jongen, oud of niet. Ik weet dat iedereen denkt: straks valt hij en breekt hij zijn heup. Straks ligt hij met zijn poten omhoog in een ziekenhuisbed in Sint-Vincentius. En daarna is het gedaan met hem, finaal geveld door een bacterie die ze vooral in ziekenhuizen kweken. Het is curieus hoe oude mensen besmet raken door de angst van anderen. Door die angst laten ze zich opsluiten in tehuizen, laten ze zich voederen met flauwe kul en koude pap, een bingoavond van kusmijnkloten en een Marokkaanse aan hun gat met een stuk wc-papier. Iedereen mag zijn angst houden. Ik heb nooit angst gevoeld, nooit echt, en deze versleten aap leert men geen nieuwe trucs. Buiten kraakt de sneeuw onder mijn bottines. Nee, geen deftige schoenen, maar mijn ouderwetse bottines die ik jarenlang in ere heb gehouden, tientallen keren heb laten lappen en vrijwel elke week ingevet, stapschoenen die mij nu toelaten achteruit de wereld van de tijd in te stappen. Er dwarrelen nog vlokken naar beneden. Onlangs zag ik er een uitvergroting van in een van de gazetten in de leeszaal van de bibliotheek. Allemaal pièces uniques, die sneeuwvlokken, allemaal schoon wiskundig in elkaar gestoken werelden die nu zomaar op mijn jas vallen en mijn muts. Nee, ik ga er geen gedicht over schrijven. Niemand leest ze nog en mijn vat is af. De sneeuw verandert de stad, en dwingt ze niet enkel tot stilte, maar misschien tot nadenken, tot herinneren; bij mij in ieder geval wel. Als het sneeuwt zie ik beter. Als het sneeuwt in de stad weet een mens wat ze echt betekent, wat ze verloren heeft, wat ze wil vergeten. Ze geeft de illusie op van de vervlogen tijd.
Voor mij ligt het Stadspark te blinken in wit. Ik wacht en sluit even mijn ogen. Het gele licht op straat wordt blauw, zo blauw als het geverfde glas van de voormalige gaslantaarns. Beeld u een stad in met nauwelijks licht. Flauw blauw licht op straat uit schrik voor het vuur dat uit de hemel zou kunnen vallen. Wie van ons het geluk had over een zaklantaarn te beschikken tijdens de nachtdienst beschouwde licht als een privilege waar geen Duitser zaken mee had, oorlog of niet. Het was immers al donker genoeg. Ik kan mij herinneren dat de Duitsers razend waren omdat ze dat maar niet onder controle kregen. Ze moesten dreigen met zotte geldboetes en uiteindelijk de doodstraf vooraleer de stadsbewoners wat minder nonchalant met hun licht omsprongen. Ik heb Feldgendarmen in een colère zien schieten omdat wij onze lantaarns gebruikten zonder afscherming. Sabotage! En dit... en dat. Op het bureel keek onze adjunct ons aan: 'Allez, gasten... serieus blijven.' Geen reprimande, we moesten serieus blijven en dat was het. Soit, het Stadspark dat baadt in flauw blauw licht, daar waren we. Maar ik sla rechts af. Ik stap traag de Quellinstraat in. Uw overgrootvader ziet geen etalages meer. Ik bezie de stad zoals ze echt is, als een bloot vrouwmens met om haar schouders wit bont, een van wie de ene dokter na de andere chirurg niet met zijn poten kan afblijven; een nieuwe boezem, dan weer een ander gezicht. Prachtige gebouwen zijn hier tegen de grond gegaan, kantoorgebouwen zijn er voor in de plaats gekomen. Wist ge dat er een grand hotel was op de hoek van De Keyserlei, vlak bij de opera? Gebouwd door een Duitser, nog voor de oorlog van veertien-achttien. Ooit nog iets geleerd op school over Peter Benoît? Waarschijnlijk niet, en dat hoeft ook niet wat mij betreft. Vroeger leerden ze u namen en jaartallen, nu doen ze of dat een vergissing was. Maar geen kat, vroeger of nu, geeft u de pets rond uw oren die geschiedenis echt is.De smeerlapperij is dat het nooit stopt, nooit echt. Het gaat altijd door. Peter Benoît is een straatnaam geworden. Toen ik in de schoolbanken zat moesten we bijna op de knieën voor hem. 'Hij leerde ons volk zingen.' Een echte held dus. Een beeld van deze ooit aanbeden toondichter stond recht tegenover het operagebouw, omgeven door wat de mensen van vroeger het zwemdok van Camille noemden, genaamd naar een burgemeester waar gij zeker nog nooit van gehoord hebt en die ik eigenlijk zelf nog slechts vaag herinner. De gelauwerde kunstenaar, de man die zijn volk ooit zangles gaf, en daar in brons vereeuwigd stond, keek dus uit over een waterbassin waar vooral zatlappen in pisten. Dat beeld is verhuisd, het zogenaamd zwemdok is afgebroken en dat grand hotel waar ook nog tijdens de Tweede Wereldoorlog chique Duitse officieren een aperitief dronken met hun lief... daar staat nu een monster in beton hoog te torenen boven niks in het bijzonder. Was het dan vroeger beter, bompa? Ik hoor het u al denken en trouwens, mochten we elkaar nog zien, mocht de familie die ik mee geschapen heb en die nu niets met mij te maken wil hebben dat toelaten, dan ben ik er al even zeker van dat gij me met 'opa' zou aanspreken. Het woord 'bompa' sterft immers uit. Maar vroeger was het uiteraard niet beter. Het was gewoon even erg. Verbeelding is alles. In den beginnewas er niet het woord en al zeker niet van God. In den beginne was er de verbeelding van het donkere, vergeet dat niet. In het midden van de straat stop ik even. Twee grote zwarte banieren hangen aan een gebouw dat niet meer bestaat. Op elk ervan staan twee runen als bliksemschichten. Ik sta voor het hoofdkwartier van de ss Vlaanderen. Die uniformen, daar werden wij als flik zot van. Een kameraad kreeg de wind van voren omdat hij niet salueerde voor een snoeshaan in zwart. Het was zelfs geen Duitser, ook al had hij duidelijk liever het levenslicht gezien in pakweg BimBamBeieren. Patsers. Zoveel verschillende uniformen... een mens geraakte er gewoonweg niet uit. Wanneer salueren en wanneer niet? Ik zweer u dat ik vaak op mijn tanden moest bijten. Sommige van die aanstellers hadden nul respect, voor zulk volk had ik daar evengoed in mijn pure kunnen staan. Aan het einde van de straat sla ik rechts af. Het moet ongeveer vier uur 's nachts zijn. Nog steeds absolute stilte, nog steeds sneeuw die valt en geen kat te bespeuren. Soit, op een drugsverslaafde na die mij om een euro vraagt. Kus mijn gat, zeg ik. Zeg ouwe, wauwelt hij. Ik kijk diep in zijn roodomrande ogen en zeg dat ik nu al zijn ziel aan het vreten ben als een hellehond vol lintworm en dat hij moet maken dat hij weg komt vooraleer hij helemaal van mij is. Zulke gasten legt uw stamvader tussen zijn boterham, weet ge dat? Ge gelooft me niet? Dat komt nog, wie weet: helaas zelfs. Tour de horizon. Rechts van mij, aan het uiteinde van de Keyserlei, staat de spoorkathedraal die Middenstatie heet, maar die niemand nog zo noemt. Aan mijn linkerkant, op de hoek van de Keyserlei en de Frankrijklei, zit café Atlantic, met daarboven Hotel Weber, het hoofdkwartier van de Feldkommandatur. Daar wemelden al die mannen in Feldgrau rond, eerst triomfantelijk, zich slepend van het ene chique diner na het andere waar ze steevast met de nodige egards ontvangen werden, hun baas bijvoorbeeld buigend voor een farde vol oude pentekeningen van onze stad die hem door onze burgemeester, knipogend als een uil op kalmeringsmiddelen, ten geschenke werd aangeboden... al dat gedoe om dan daarna, slechts na een jaar of drie, vooral hun eigen triomf van voorheen na te spelen, gezien ze maar al te goed wisten dat hun zogenaamde duizendjarig rijk toen al in de blessuretijd zat. Nu sla ik rechtsaf, richting station, en na een tiental meters ga ik weer naar rechts, de Vestingstraat in. Het is koud, ik ben een jaar of twintig. Vijftig meter verderop is het hoofdbureel van de zesde wijk, mijn wijk. Iemand achter mij roept: 'Wilfried!' Dat is niet echt mijn naam, maar dat vertel ik u later wel. Genaamde Metdepenningen, Lode haalt mij in en slaat op mijn schouder. Zegt die naam u iets? Het zou kunnen van wel. Maar ik ga niet ineens al mijn kaarten op tafel leggen. Lees verder en het zal allemaal duidelijk worden. 'De kloten vriezen van mijn lijf, maat.' Lode schuift uit, verzwikt bijna zijn enkel - ik heb 'm nog ternauwernood bij zijn elleboog te pakken - en hij vloekt. We hebben juist samen onze opleiding volbracht. Drie maanden flauwekul aanhoren en dan waren we hulpagent. Het kwam erop neer dat we vooral moesten luisteren naar iedereen met een streep meer en dat we ons uniform rein moesten houden. Ik zag tijdens die periode Lode verwoed op zijn potlood sabbelen en maar intens naar dat schoolbord kijken. Werd er een vraag gesteld, dan hield hij zijn vinger in de lucht. Een uitslover, zeker, een schone jongen evenzeer. Pikzwart haar, guitige glimlach, zoon van een beenhouwer achter het Astridplein. Hij was het die onze vriendschap op gang heeft gebracht. Zo'n kerel die na een week al roept dat we maten voor het leven zijn. 'Gij leert mij elke dag iets bij...' Ik hoor het hem nog zeggen. Krak op het moment dat we die paar treden willen op gaan van het bureel, stappen twee Feldgendarmen naar buiten. Ze kijken ons aan en een van hen brult: 'Sofort mittkommen!' Sommige clichés zijn gewoon waar. Al die Duitsers in uniform spraken zo. Dus wij mee, want we wisten toen al dat het niet anders kon. Normaal gezien moesten we ons melden om onze orders te ontvangen, maar wanneer zo'n Feldflurk brult, dan volgt ge. We stappen de Pelikaanstraat in en gaan zuidwaarts. Lode en ik lopen achter die twee geüniformeerde supermannen in volstrekte stilte, als twee gestrafte kinderen. De Duitsers zijn hier nog maar nauwelijks een maand of zeven en heel het spel lijkt al jaren van hen. De stad is voor die mannen gaan liggen met haar benen wijd open. Alles wordt geregeld. Voetgangers die van de Middenstatie naar de Meir lopen moeten op het rechtervoetpad, mensen die de omgekeerde richting op willen dienen het linkervoetpad te nemen en o wee als men per ongeluk tegen de stroom in gaat. Mocht iemand dat tijdens de jaren voor de oorlog voorspeld hebben; iedereen had plat gelegen, een bulderlach weg hikkend in schuimend bier. Maar na een piep van dat herenvolk, doet nu iedereen wat er bevolen wordt. Meer nog: ze zijn nog blij ook. Eindelijk orde. We steken de straat over en gaan onder de spoorwegbaan naar de Kievitswijk. Twee straten verder houden we halt bij een huis met een afgebladderde gevel. Een van die Feldgendarmen schudt de poedersneeuw van zich af en klopt krachtig op de deur. De andere kijkt intussen naar ons met een blik van 'nu gaat ge wat meemaken'. Maar er gebeurt niets. Het huis lijkt juist stiller te worden door het geklop. De vuist hamert nogmaals op die deur. Nu horen we enig rumoer. Iemand komt jammerend in een taal die ik niet versta de trap af. De deur gaat krakend open. Door de spleet zien we een onheilspellend gezicht met grote ogen. Hij krijgt meteen de voordeur tegen zijn kop die door die twee ruw verder wordt opengeduwd. 'Chaim Lizke?' brult een van hen. We horen wat gemompel. De twee Duitsers stappen meteen binnen en een van hen gebaart ons buiten te wachten en sluit de deur. 'Weer een werkweigeraar, zeker?' fluister ik. Lode zegt niets. Hij stampvoet om de kou te verdrijven. Malchance voor hem dat hij zich de stevige bottines niet kan veroorloven die ik aan mijn voeten heb. Dat moet ge weten: de uniformering was in die tijd 'nen annekensnest' zoals ze dat hier in de stad zeggen. Degene die geld had voor genoeg textielbonnen zag er beter uit dan de andere. Ook dat maakte de Duitsers zot. Een paar jaar later moesten we allemaal nieuwe uniformen kopen die zij hadden ontworpen. Maar die maatregel maakte het nog erger.Op dat moment hadden alleen nog maar een paar adjuncten de mogelijkheid om er een aan te schaffen. Iedereen probeerde iets aan te hebben dat er vooral van ver goed uitzag, hopende niet naar zijn kloten te krijgen van de ene of de andere. Intussen is er kabaal in dat huis. Er wordt geroepen en gehuild. We horen wat kinderen krijsen. Een kast valt om. Iemand dondert van de trap. Nog meer gekrijs. Maar de gebrulde bevelen in het Duits komen er ver bovenuit. De deur zwaait weer open en daar staan ze: het gezin Lizke. Vijf half aangeklede kinderen van tussen de vier en twaalf, ee nwenende vrouw met een doek schots en scheef over haar coiffure gedrapeerd en de huisvader die zijn blik naar de grond heeft gericht terwijl er bloed uit zijn opzwellend oor sijpelt. Een keur der Israëlieten, zou Nijdig Baardje spottend zeggen. Hem zult ge later wel tegenkomen in dit verhaal. Ik ga het u zeggen zoals het is: geen idee wat die mensen in hun kookpot draaiden, maar de gevolgen daarvanmaakten geen al te beste indruk. Ze walmden.

[...]

 

Copyright © 2016 Jeroen Olyslaegers

Delen op

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum