Leesfragment: Aftellen

14 oktober 2017 , door Elizabeth Jane Howard
|

Op 16 oktober verschijnt Aftellen, deel twee van Elizabeth Jane Howards succesvolle Cazalet-reeks in het Nederlands. Lees bij ons alvast een fragment!

In Aftellen schrijven we 1939, Hitler is net Polen binnengevallen. De vrouwen en kinderen Cazalet worden geëvacueerd naar Home Place. De idyllische tijd van spelletjes en uitgebreide feestmalen is voorbij. De tienermeisjes Louise, Polly en Clary worden snel volwassen onder invloed van zowel de omstandigheden op het wereldtoneel als de gebeurtenissen in hun eigen leven. Voor hun ouders verandert alles door de oorlog. Edward meldt zich bij de RAF, Rupert gaat naar de marine en wordt na Duinkerken in Frankrijk als vermist opgegeven. Hierdoor rust het hele familiebedrijf op de schouders van Hugh, die door zijn verwondingen uit de vorige oorlog zelf niet ten strijde kan trekken. En ondertussen wordt zijn geliefde Sybil getroffen door een mysterieuze ziekte. Voor de liefhebbers van Downton Abbey!

N.B. Wij brachten eerder een fragment uit het eerste deel, Lichte jaren, en vroegen vertaler Inge Kok om haar werk toe te lichten.

 

Home place

September 1939

Iemand had de radio uitgezet, en hoewel de kamer vol mensen zat, was het doodstil – waardoor Polly haar eigen hart voelde, en bijna hoorde, bonzen. Zolang niemand iets zei en niemand bewoog, was het nog het allerlaatste moment van vrede…
De generaal, haar opa, bewoog. Ze zag hoe hij – nog altijd in stilte – langzaam overeind kwam, even bleef staan, met zijn ene hand bevend op de rugleuning van zijn stoel terwijl hij de andere langzaam over zijn wazige ogen haalde. Vervolgens liep hij de kamer door en gaf hij zijn twee oudste zonen, Polly’s vader Hugh en oom Edward, één voor één een zoen. Ze zat te wachten tot hij oom Rupe een zoen ging geven, maar dat deed hij niet. Ze had hem nog nooit een man een zoen zien geven, maar dit leek eerder een verontschuldiging en een respectvolle groet. Dat is voor alles wat ze hebben doorstaan tijdens de vorige oorlog, en omdat het voor niets is geweest, dacht ze.
Polly zag alles. Ze zag dat oom Edward haar vaders blik ving en vervolgens naar hem knipoogde, en dat haar vaders gezicht vertrok alsof hij zich iets herinnerde waarvan hij het nauwelijks kon verdrágen om het zich te herinneren. Ze zag haar oma, de baronie, kaarsrecht zitten, starend naar oom Rupert met een soort kille woede. Ze is niet kwaad op hém, ze is bang dat hij moet gaan meedoen. Ze is zo ouderwets dat ze denkt dat alleen mannen moeten vechten en sterven; ze begrijpt het niet. Polly begreep alles.
Mensen gingen verzitten op hun stoel, begonnen te mompelen, staken een sigaret op, zeiden tegen de kinderen dat ze buiten moesten gaan spelen. Hun grootste vrees was bewaarheid en ze gedroegen zich allemaal vrijwel hetzelfde als ze zouden hebben gedaan wanneer dat niet was gebeurd. Dat deed haar familie wanneer het niet goed ging. Een jaar geleden, toen het een eervolle vrede was geweest, hadden ze er wel allemaal anders uitgezien, maar Polly had geen tijd gehad om dat goed op te merken, want op het moment dat ze was overvallen door haar verbazing en vreugde leek het alsof ze was neergeschoten. Ze was flauwgevallen. ‘Je trok helemaal wit weg en het was net of je blind werd en je ging van je stokje. Het was ontzettend interessant,’ had haar nichtje Clary gezegd. Clary had het genoteerd in haar Boek met ervaringen dat ze bijhield voor wanneer ze schrijfster zou zijn. Polly voelde Clary’s blik nu op haar rusten, en net toen ze elkaar aankeken en Polly even instemmend knikte dat ze allebei moesten maken dat ze daar wegkwamen, begon in de verte het stijgende en dalende geloei van een sirene, en haar neef Teddy riep: ‘Het is het luchtalarm! Jeetje! Nu al!’ en iedereen stond op, en de generaal zei dat ze hun gasmasker moesten gaan halen en in de hal moesten wachten om naar de schuilkelder te gaan. De baronie ging het tegen het personeel zeggen en haar moeder Sybil en tante Villy zeiden dat ze naar Pear Tree Cottage moesten gaan om Wills en Roly te halen, en tante Rach zei dat ze naar Mill Farm moest vliegen om de directrice te helpen met de geëvacueerde baby’s – in feite deed vrijwel niemand wat de generaal had gezegd.
‘Ik draag je masker wel als jij je schrijfwerk wilt meenemen,’ zei Polly terwijl ze in hun slaapkamer zochten naar de kartonnen dozen met hun gasmaskers. ‘Verdikkeme! Waar hebben we ze gelaten?’ Ze waren nog steeds aan het zoeken toen de sirene opnieuw ging, nu niet huilend omhoog en omlaag, maar gewoon gestaag loeiend. ‘Alles veilig!’ riep iemand vanuit de hal.
‘Het zal wel vals alarm zijn geweest,’ zei Teddy; hij klonk teleurgesteld.
‘Hoewel we niets zouden hebben gezien, weggestopt in die vreselijke schuilkelder,’ zei Neville. ‘En jullie zullen wel hebben gehoord dat ze de oorlog als excuus gebruiken om niet naar het strand te gaan, wat me ongeveer het oneerlijkste lijkt wat ik ooit van mijn leven heb gehoord.’
‘Doe niet zo dom, Neville!’ zei Lydia vernietigend. ‘Als het oorlog is, gá je niet naar het strand.’
Er hing een algemene twistzieke stemming in de lucht, dacht Polly, hoewel het buiten een zachte zondagochtend in september was, met de geur van brandende bladeren van McAlpines vuur, en alles er hetzelfde uitzag. De kinderen waren allemaal uit de salon weggestuurd: de grote mensen wilden praten en iedereen die daar niet toe werd gerekend was er uiteraard gepikeerd over. ‘Je kunt moeilijk zeggen dat ze doorlopend leuke grappen maken en in een deuk liggen als we er wel zijn,’ zei Neville toen ze achter elkaar aan de hal in liepen. Voor iemand daarmee kon instemmen of hem de mond kon snoeren, stak oom Rupert zijn hoofd om de hoek van de salondeur en zei: ‘Iedereen die zijn masker niet kon vinden, gaat dat nu als de gesmeerde bliksem zoeken, en voortaan worden ze bewaard in de wapenkamer. Schiet op.’

‘Het zit me echt hoog dat ik tot de kinderen word gerekend,’ zei Louise tegen Nora toen ze op weg waren naar Mill Farm. ‘Ze zitten daar urenlang voor ons allemaal plannen te maken alsof we louter pionnen in het spel zijn. We horen op zijn minst de kans te krijgen bezwaar te maken tegen de afspraken voordat het faits accomplis zijn.’
‘Je moet er gewoon mee instemmen en dan doen wat je juist vindt,’ antwoordde Nora, wat volgens Louise vermoedelijk inhield dat ze deed wat ze wilde.
‘Wat ga jij doen als we van onze kookschool komen?’
‘Dáár ga ik niet meer naar terug. Ik ga de opleiding voor verpleegster volgen.’
O nee, doe dat niet. Blijf alsjeblieft tot Pasen. Dan kunnen we allebei weggaan. Ik zal het zonder jou echt vreselijk vinden. En bovendien moet je vast ouder dan zeventien zijn om verpleegster te worden.’
‘Ze nemen me wel aan,’ zei Nora. ‘Jij redt het ook wel. Je hebt tegenwoordig lang niet meer zoveel heimwee. Je hebt het ergste gehad. Het is pech dat je een jaar jonger bent, want daardoor moet je wachten voordat je echt nuttig kunt zijn. Maar je zult een veel betere kokkin worden als ik…’
‘Dan ik,’ zei Louise automatisch.
‘Dan ik dan, en dat zal ontzettend nuttig zijn. Je kunt gaan koken bij de krijgsmacht.’
Een uitermate onaanlokkelijk vooruitzicht, vond Louise. Ze wilde eigenlijk helemaal niet núttig zijn. Ze wilde een beroemde toneelspeelster worden, iets wat Nora, zoals ze inmiddels heel goed wist, frivool vond. Tijdens de vakantie hadden ze hierover één keer serieus… niet echt geruzied, maar gediscussieerd, en daarna was Louise behoedzamer geworden over haar ambitie. ‘Toneelspeelsters zijn niet nódig,’ had Nora gezegd, al had ze toegegeven dat het niet veel zou uitmaken wat Louise deed als er geen oorlog zou uitbreken. Louise had de bal teruggekaatst door te vragen wat het nut was van nonnen (Nora’s uitverkoren beroep, dat nu op de lange baan was geschoven – deels omdat ze vorig jaar had beloofd geen non te worden als er geen oorlog zou uitbreken, en nu was het op korte termijn uitgesloten door de behoefte aan verpleegsters). Maar Nora had gezegd dat Louise geen idee had van het belang van het gebed, en de behoefte aan mensen die hun leven daaraan wijdden. Het probleem was dat het Louise niet kon schelen of de wereld toneelspeelsters nodig had of niet, ze wilde gewoon toneelspelen: daardoor verkeerde ze moreel gezien in een inferieure positie ten opzichte van Nora en werd het een onaangename kwestie om hun karakters te vergelijken op waarde. Maar Nora was elke mogelijke bedekte kritiek altijd voor door een veel grotere en onaangenamere spijker op de kop te slaan. ‘Het is voor mij een vreselijk probleem dat ik zo pedant ben,’ zei ze dan, of: ‘Als ze ooit ook maar van plan zijn mij als novice te aanvaarden, zal mijn ellendige zelfgenoegzaamheid me wel de das om doen.’ Wat kon je daarop zeggen?
Louise had er opnieuw werkelijk geen behoefte aan zichzelf te kennen met de afschuwelijke vertrouwelijkheid die Nora bezigde. ‘Hoe kunt je het verdragen als je denkt dat je zo bent?’ had ze na afloop van de ruzie/verhitte discussie gezegd.
‘Er zit niets anders op. Maar het betekent in elk geval dat ik weet waaraan ik moet werken. Daar ga ik weer. Ik weet zeker dat jij je fouten ook kent, Louise, de meeste mensen kennen die, diep vanbinnen. Het is de eerste stap.’
Omdat Louise Nora nog steeds wilde overtuigen van de waarde van acteren, had ze dat geprobeerd met groten als Shakespeare, Mozart en Bach. (Bach had ze er sluw aan toegevoegd – het was algemeen bekend dat hij vroom was.) ‘Je denkt toch zeker niet dat je een van hén zult worden!’ En Louise was tot zwijgen gebracht. Want een klein, geheim hoekje van haar wist zéker dat ze een van hen zou zijn – of in elk geval een Bernhardt of een Garrick (want ze hunkerde altijd al naar de mannenrollen). De discussie eindigde, net als elke discussie die ze ooit met iemand had gevoerd, volkomen onbeslist, waardoor zij koppig nog zekerder wist wat ze wilde, en Nora des te vastberadener was dat ze dat niet zou moeten willen.
‘Je oordeelt de hele tijd over me!’ had ze uitgeroepen.
‘Dat doe jij ook,’ had Nora gepareerd. ‘Dat doen mensen over elkaar. Bovendien weet ik niet precies of het wel oordelen is, het is eerder iemand vergelijken met de norm.
‘En je voldoet natuurlijk altijd.’
‘Natúúrlijk niet!’ De ontkenning in de onschuldige woedende blik bracht Louise tot zwijgen. Maar vervolgens, bij het zien van de zware, overhangende wenkbrauwen en de vage maar onmiskenbare tekenen van een snor op haar bovenlip, had ze beseft dat ze blij was dat zij er niet zo uitzag als Nora, en dát was in zekere zin een oordeel. ‘Ik ben van oordeel dat jij een veel beter mens bent dan ik,’ had ze gezegd, zonder eraan toe te voegen dat ze desondanks liever zichzelf was.

 

© 1991 Elizabeth Jane Howard
© 2017 Nederlandse vertaling Inge Kok

MINDBOOKSATH : athenaeum