Leesfragment: Alleen omdat ik een Van Hall ben

06 juli 2017 , door Dirk Wolthekker
| | | |

Onlangs verscheen Alleen omdat ik een Van Hall ben, Dirk Wolthekkers biografie over de Amsterdamse oud-burgemeester Van Hall. Deze zomer is het een van de Zomerboeken van Athenaeum Roeterseiland. Vandaag brengen wij een fragment.

‘Hij loopt niet in de rails van de ambtenaar en werkt niet aan zijn imago, zoals de politicus. Hij is een zakenman,’ aldus Emma van Hall-Nijhoff vlak na het gedwongen aftreden van haar man Gijs van Hall als burgemeester van Amsterdam. De gevierde verzetsstrijder Van Hall, burgemeester tussen 1957 en 1967, was door de regering naar huis gestuurd. Een unicum! Het waren echter ook unieke problemen die Gijs van Hall onvoldoende had weten te beteugelen: Provo, het omstreden huwelijk van Beatrix, het bouwvakkersoproer en een geweldsfetisjist als politiecommissaris.

Als telg van een negentiende-eeuwse Amsterdamse patriciërsfamilie, opgevoed in een liberaal en rijk grachtengordelmilieu, meende Van Hall dat zijn familienaam de reden was van alle kritiek: ‘Alleen omdat ik een “Van Hall” ben, zegt men dat ik een regentenmentaliteit heb. Als ik Pieterse had geheten zouden ze daar eenvoudig niet over gedacht hebben.’ Was Van Hall inderdaad de dupe van zijn eigen familiegeschiedenis? En was die geschiedenis een excuus voor de problemen tijdens zijn burgemeesterschap? Regering en protesterende jongeren vonden van niet. Vastberaden en eensgezind wilden zij maar een ding: Van Hall – ten val! In deze meeslepende en genuanceerde biografie stelt Dirk Wolthekker de vraag of deze eis wel terecht was.


Inleiding

‘Hij is geen politicus en ook geen ambtenaar. Hij loopt niet in de rails van de ambtenaar en werkt niet aan zijn imago, zoals de politicus. Hij is een zakenman.’

Aldus Emma van Hall-Nijhoff in een ‘exclusief interview’ in mei 1967, vlak na het gedwongen aftreden van haar man Gijs van Hall als burgemeester van Amsterdam. De regering had hem – ‘met dank voor de vele en gewichtige diensten’ – eervol ontslag verleend na een reeks uit de hand gelopen rellen en de ermee samenhangende gezagscrisis in de jaren daarvoor. Zelf vond Van Hall zijn ontslag allerminst eervol. ‘Barbertje moet hangen,’ had hij het journaille toegebeten, voorafgaand aan het laatste gesprek met premier De Jong. Deze zou inderdaad onverbiddelijk zijn en aan Van Halls burgemeesterschap rücksichtslos een einde maken. Al was Van Hall het er niet mee eens, in het interview dat zijn echtgenote gaf over het ontslag van haar man school haar impliciete opvatting dat hij in het verkeerde metier terecht was gekomen: hij hoorde helemaal niet thuis in de politiek, maar hij had wel, zei ze in hetzelfde interview, ‘een enorm gevoel voor heel veel andere dingen: rotzooi opruimen, nieuwe dingen maken, plezier hebben in teamwork’. Aan zijn imago had hij niet gewerkt nee. Maar was dat niet juist een voordeel? ‘Je moet niets geven om populariteit, want dan ga je al binnen twee jaar kapot.’Het had tien jaar geduurd.
Het burgemeesterschap van Gijs van Hall ving aan op 1 februari 1957, toen hij op 52-jarige leeftijd eerste burger van de hoofdstad werd nadat zijn voorganger, de bij de bevolking zeer populaire Arnold d’Ailly, een maand daarvoor tussentijds was teruggetreden. Van Halls burgemeesterschap zou tragisch aflopen, hoewel hij tijdens zijn eerste ambtstermijn verschillende mooie wapenfeiten op zijn naam had gezet: de bouw van de Bijlmermeer, de financiering en bouw van de IJ-tunnel en de verzelfstandiging van de universiteit. Maar tijdens zijn tweede ambtstermijn ging het mis: hij bleek een controversieel politiebeleid te voeren, het kroonprinselijk huwelijk was omgeven door geweld, demonstraties liepen uit de hand en er ontstond een sterke roep om meer democratie waar Van Hall onvoldoende antwoord op had. De ordeverstoringen die erop volgden, werden nauwgezet geregistreerd door de oprukkende televisie, het nieuwe medium dat Van Hall midden in de publiciteit zette en waar hij geen raad mee wist. Het net aangetreden kabinet had genoeg van Van Halls politieke en publieke optreden en nam de unieke beslissing de burgemeester van de hoofdstad aan de kant te zetten.

De val van Gijs van Hall als burgemeester van Amsterdam staat centraal in dit boek. Die val en de daaraan voorafgaande jarenlange ordeverstoringen in de hoofdstad roepen vragen op als: waarom was deze man burgemeester geworden? Wat ging er precies mis tijdens zijn burgemeesterschap? Lag dit echt allemaal aan Van Hall zelf of was hij ook slachtoffer van de omstandigheden, slachtoffer van een nieuwe tijd en van de snel aan invloed winnende beeldcultuur? Van Hall meende dat zijn ontslag te maken had met hemzelf, of liever gezegd: met zijn a.omst als telg van het negentiende-eeuwse regentengeslacht Van Hall. Hij meende dat hij symbool was geworden van de verwerpelijke regentenklasse en haar paternalistische regentenmentaliteit en het slachtoffer van verzet daartegen. Alle kritiek die hij kreeg, het was in zijn eigen ogen allemaal ealleen omdat ik een Van Hall benf. De vraag of dat inderdaad zo was, zal in dit boek worden beantwoord.

Gijs van Hall – zijn officiële naam was ‘Gijsbert’, maar zijn hele leven werd hij door iedereen ‘Gijs’ genoemd – was zoals gezegd telg uit het bekende geslacht Van Hall. Daartoe behoorde bijvoorbeeld ook de negentiende-eeuwse minister en staatsman Floris Adriaan baron van Hall. In tegenstelling tot Floris Adriaan, een halfbroer van Gijs’ overgrootvader Anne Maurits, had Gijs van Hall allesbehalve ervaring in de praktische politiek toen hij geroepen werd tot het openbaar bestuur. Hij had in de jaren twintig rechten gestudeerd in Leiden en was tijdens zijn studententijd verschillende keren met zijn vader, bankier en effectenhandelaar Aat van Hall, mee geweest op zakenreis naar de Verenigde Staten, waar hij diep onder de indruk was geraakt van de American way of lifewaar ieder zijn individuele droom in alle vrijheid leek te kunnen waarmaken. Na zijn huwelijk met uitgeversdochter Emma Nijhoff vertrok hij in 1928 met haar naar New York, waar hij enige jaren werkte op een beleggingskantoor op Wall Street. De vrijheid in de Verenigde Staten leek grenzeloos, te meer daar de afstand tot Nederland hem vrijstelde van familieverplichtingen aan deze kant van de oceaan en de vrijheid dus des te meer kon worden beleefd. Het verblijf in Amerika werd een succes en Gijs van Hall deed er – zonder het toen nog te weten – inspiratie op voor zijn visie op het latere burgemeesterschap. Midden in de economische crisis van de jaren dertig keerde hij, met vrouw en dochter, toch terug naar Nederland, waar hij directeur werd van het Amsterdamsch Trustee’s Kantoor. Zij streken als forensen neer in het Noord-Hollandse Laren. Daar bleek eens te meer hoe het Amerikaanse vooruitgangsdenken hen had veranderd: de benauwde en verzuilde Nederlandse samenleving stond hun niet meer aan. Met generatiegenoten voerden zij geregeld gesprekken over een nieuwe inrichting van het politieke bestel en doorbreking van de verzuiling, die de Nederlandse samenleving domineerde.

In de Tweede Wereldoorlog speelde Gijs van Hall samen met zijn broer Walraven een belangrijke rol in de financiering van het Nederlandse verzet door in geheime samenwerking met functionarissen van De Nederlandsche Bank, die onder toezicht stond van de NSB’er Meinoud Rost van Tonningen, schatkistpromessen te vervalsen en deze bij nacht en ontij in de kluizen van de bank om te ruilen tegen authentieke schuldbewijzen, waarmee het verzetswerk werd gefinancierd. Zijn broer moest het verzetswerk met de dood bekopen.
Na de oorlog nam Gijs zitting in vele besturen van organisaties die zich bezighielden met de afloop en verwerking van de oorlog. Bij de oprichting van de PvdA in 1946 werden hij en zijn vrouw direct lid. Zoals Emma later zei: ‘De PvdA is gedeeltelijk voortgekomen uit het verzet. Mijn man en ik hebben de Tweede Wereldoorlog heel intens meegemaakt, wij waren er met hart en ziel bij betrokken. In 1945 was er voor ons maar één weg. De PvdA heeft een gevoelsklimaat waarin ik mij thuis voel, al is de verwerkelijking natuurlijk nooit wat de idealen beogen.’ Een opvallende bekentenis van twee mensen die beiden uit liberale families kwamen en in liberale kringen verkeerden. ‘De meesten van onze vrinden zijn VVD-lid of neutraal, wij accepteren dat van elkaar.’ Gijs zette in die periode een nieuwe stap in zijn bankcarrière: hij werd directeur van de Bank Labouchere en werd bovendien toezichthouder of commissaris van vele commer - ciële ondernemingen en (semi)publieke organisaties.
Enige politieke betekenis kreeg Gijs van Hall pas toen hij namens de PvdA in 1956 lid werd van de Eerste Kamer, een half jaar later gevolgd door het burgemeesterschap van Amsterdam. Een man uit een zeer goede Amsterdamse familie met een geweldig oorlogsverleden, het was bijna logisch dat deze man tot burgemeester was benoemd, was het veel gehoorde commentaar. Van Hall was ‘een telg uit een oud Amsterdams patriciërsgeslacht, dat reeds vele vooraanstaande figuren in stad en landsbestuur heeft opgeleverd. In de late achttiende eeuw was reeds een Maurits van Hall hoofdschout van Amsterdam. De bekende financier van Willem II, Floris Adriaan van Hall, behoort ook tot zijn voorgeslacht.' Hij werd getypeerd als ‘een sympathieke patriciër en kapitalist onder de aegide van de Partij van de Arbeid’, een man in wie men ‘veel vertrouwen’ had. ‘Vóór alles, omdat hij gedurende de bezetting getoond heeft een man te zijn, een man van nationale gezindheid.’
Maar het burgemeesterschap zou jammerlijk eindigen. Wat daarna restte was een zwaar geschonden politiek blazoen, al bleef Van Hall nog vijf jaar lid van de Eerste Kamer, waar tot zijn frustratie zijn disfunctioneren als burgemeester nog geregeld aan de orde kwam. Meer plezier leek hij – als fervent voorstander van de Europese gedachte – te beleven aan zijn zetel in de Raad van Europa en de West- Europese Unie, maar ook dat viel uiteindelijk tegen. In mei 1977 overleed hij plotseling op 73-jarige leeftijd.

 

[...]

 

Copyright © 2017 Dirk Wolthekker/Uitgeverij Balans, Amsterdam

MINDBOOKSATH : athenaeum