Leesfragment: Amsterdam in de wereld

20 januari 2017 , door Mariëlle Hageman
| |

Op 26 januari verschijnt Amsterdam in de wereld van Mariëlle Hageman. Lees bij ons vast het eerste hoofdstuk!

Mariëlle Hageman: 'Al vanaf de tijden van de VOC reizen Amsterdammers de hele wereld over. Tegelijk oefent de hoofdstad al eeuwenlang een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit op vreemdelingen. Welke sporen lieten Amsterdammers na in de wereld, en welke sporen liet de wereld achter in Amsterdam? Amsterdammers bouwden in Brazilië de eerste synagoge van Zuid-Amerika en legden een Kalverstraat aan in India. Amsterdam kon dankzij Duits bier uitgroeien tot een echte handelsstad, en de tapijtjes die je nu nog ziet in bruine cafés vinden hun herkomst in zestiende-eeuwse handel met het Osmaanse rijk. Het waren ook Amsterdammers die een cruciale rol speelden in de slavernijhandel, en de architect van de apartheid kwam uit Amsterdam. Het is maar een greep uit de voorbeelden van Amsterdamse invloed in het buitenland, en andersom. Aan de hand van verrassende verhalen en prachtig beeldmateriaal toont Amsterdam in de wereld de wisselwerking tussen Amsterdam en de rest van de wereld.'

Hageman is schrijver en (kunst)historicus. Ze publiceert over de geschiedenis van Amsterdam en over het cultureel erfgoed dat de stad deelt met andere landen. Voor Het Parool schreef ze daarover de reeks Amsterdam Elders.

 

Amsterdammers

Amsterdammers hebben overal ter wereld hun sporen achtergelaten, en andersom hebben mensen en culturen uit alle windstreken Amsterdam beïnvloed.

Cornelis Cruys was geboren in het Noorse Stavanger maar hij was een Amsterdammer in hart en nieren. Zoals zoveel andere immigranten in de zeventiende eeuw was hij als jongeman in wereldstad Amsterdam zijn geluk komen beproeven. Hij was er eerst zeeman geworden, was vervolgens in 1681 getrouwd met een Amsterdamse kapiteinsdochter en had uiteindelijk een goede baan gevonden bij de Amsterdamse admiraliteit, waar hij toezag op het uitrusten van de oorlogsschepen. Dat deed hij zo goed dat tsaar Peter de Grote hem in 1697 vroeg om voor hem in Rusland te komen werken. Cornelis Cruys aarzelde. Pas nadat burgemeester Nicolaas Witsen stevig op hem had ingepraat, nam hij het aanbod van de tsaar aan. In 1698 reisde hij naar Rusland, waar hij in de decennia daarna met de expertise die hij in Amsterdam had opgedaan de leiding had bij de bouw van een nieuwe vloot en de oprichting van een Russische marine – en de tsaar hielp de basis te leggen voor zijn nieuwe hoofdstad, Sint-Petersburg. Toen hij zichzelf te oud vond worden voor al dat zware werk smeekte hij de tsaar hem terug te laten gaan naar Amsterdam. Het kwam er niet meer van. Pas na zijn overlijden werd hij teruggebracht naar zijn geliefde Amsterdam.
Dat Amsterdam dankte zijn bloei aan zijn internationale oriëntatie. Overal ter wereld is dat nog te merken, natuurlijk ook in de stad zelf. Dit boek toont een greep uit de rijkdom aan sporen die Amsterdammers als Cornelis Cruys overal ter wereld hebben achtergelaten, en van de invloed van zulke internationale contacten in de stad zelf: wat daarvan te zien is – en soms ook te horen, te voelen of te proeven. Amsterdams gedeelde culturele erfgoed dus. Maar wie waren, en zijn, eigenlijk die Amsterdammers? Ergens in de tweede helft van de twintigste eeuw was dat – in ieder geval voor sommigen – heel duidelijk: een echte Amsterdammer was iemand die geboren en getogen was in Amsterdam, en dan het liefst in de Jordaan of een van de andere oude volkswijken. Al het andere was import. Maar van oudsher lag dat heel anders, net als toen trouwens. Vooral sinds de late zestiende eeuw was Amsterdam razendsnel gegroeid door het grote aantal mensen van buiten dat zich in de stad vestigde.
Eigenlijk was Amsterdam van het begin af aan een stad van immigranten geweest. Vanaf het moment dat de kleine nederzetting begon te groeien hadden de inwoners zich verbonden met mensen van buiten: mensen die in Amsterdam kwamen werken en mensen die de producten verbouwden en verhandelden waarvan de Amsterdammers leefden. Wat dat ‘buiten’ was, dat veranderde steeds. In 1275, het jaar waaruit het eerste document dateert waarin Amsterdam genoemd wordt, maakte de stad deel uit van het gebied van de bisschop van Utrecht. Toen was Holland in feite het buitenland. Vanaf 1317 hoorde Amsterdam bij het graafschap Holland. Toen was Utrecht ‘buiten’. Naarmate Amsterdam groeide en Amsterdams invloed toenam, kwam het buiten waarmee de Amsterdammers contact onderhielden steeds verder weg te liggen. Met de rest van de Nederlanden, met Duitsland, Scandinavië, het Oostzeegebied, het zuiden van Europa en de Levant, met Rusland zelfs, en vooral vanaf de zeventiende eeuw met Azië en Amerika.
Van de zestiende eeuw tot het begin van de negentiende eeuw bestonden er officiële Amsterdammers: de poorters. Veel Amsterdammers werden als poorter geboren, gewoon omdat hun ouders poorters waren, en Amsterdammers van buiten konden poorter worden door bijvoorbeeld te trouwen met een Amsterdamse. Zo had Cornelis Cruys het gedaan. En anders konden ze het poorterschap altijd nog kopen. Poorters hadden meer rechten dan andere Amsterdammers. Zo konden ze lid worden van een gilde, en dat was bij veel beroepen een voorwaarde om in de stad te mogen werken, en mochten ze ook deel uitmaken van het stadsbestuur. Maar er woonden ook veel Amsterdammers in de stad die geen poorter konden worden – bijvoorbeeld omdat ze het niet konden betalen – en er waren nieuwkomers die een tijdje bleven, of uiteindelijk toch voor altijd. Dankzij die immigranten, die net als Cornelis Cruys Amsterdammers werden, kon Amsterdam in de zeventiende eeuw uitgroeien tot middelpunt van de wereldhandel.
Het was niet alleen werk dat nieuwkomers naar Amsterdam trok. De stad stond bekend als tolerant; mensen met allerlei verschillende achtergronden waren er welkom. Vooral vanaf de late zestiende eeuw droeg de stad gewetensvrijheid hoog in het vaandel. De Amsterdammers waren toen zelf in opstand gekomen tegen de religieuze dwang van de katholieke Spaanse landsheer. Zelfs joden, die elders vervolgd en verjaagd werden, konden daarom in Amsterdam een plek vinden. Toch was de protestantse godsdienst de enige officiële; alle andere werden hooguit gedoogd en van een volledige acceptatie van minderheden was dan ook geen sprake. Niet alles mocht, en zeker niet alles mocht gezien worden.
De buitenlanders die naar Amsterdam kwamen brachten de stad dikwijls economisch voordeel, en terwijl in andere landen religieuze overwegingen het beleid stuurden, met onderdrukking en vervolging als gevolg, was het de Amsterdammers vooral te doen om economische groei, om geld. Daarom waren ze bereid behoorlijk wat door de vingers te zien. Te tolereren dus, al was dat lang niet hetzelfde als accepteren, laat staan integreren. Mensen van buiten konden zich ook in Amsterdam lang vreemdelingen blijven voelen, en als zodanig beschouwd worden. Decennialang, zo niet eeuwenlang. Ze waren geen buitenlander meer, maar ook geen Nederlander. Ze waren wel Amsterdammer: met zijn allen vormden ze de stedelijke samenleving en gaven ze de stad een gezicht. Juist die smeltkroes van mensen en culturen, die diversiteit, hoorde bij Amsterdam. En in een stad waar iedereen weer anders is, is juist ook iedereen gewoon. De Amsterdammers in dit boek zijn al die mensen: zij die in de stad geboren waren en de mensen die er vanuit de hele wereld naartoe kwamen om Amsterdammer te worden, en ook degenen die zoals Cornelis Cruys daarna weer vertrokken om een stukje Amsterdam mee te nemen naar het buitenland.
En de Amsterdamsen? Rond de tijd dat Cornelis Cruys in Sint-Petersburg verlangend uitkeek naar een terugkeer naar Amsterdam kon de jonge Amsterdamse Maria ter Meetelen niet wachten om de stad achter zich te laten. Dat was lastig voor een vrouw alleen, maar Maria was vindingrijk. Maria ter Meetelen was in 1704 geboren als dochter van een suikerbakkersknecht, maar zwierf al sinds haar dertiende alleen door de straten van Amsterdam. Toen ze eenentwintig was verkleedde ze zich als man en reisde zo via Frankrijk naar Spanje, waar ze dienst nam in een regiment dragonders. Heel lang duurde het niet voor ze ontmaskerd werd en moest vertrekken. Maria trouwde daarna in Madrid met de Nederlandse zeeman Claes van der Meer. Op de terugweg naar Nederland werd hun schip overvallen door zeerovers die hen naar de Marokkaanse havenstad Salé brachten. Maria en haar man kwamen vervolgens als slaven terecht in Meknès, toen de hoofdstad van Marokko. Hij overleed daar al na zes weken. Omdat het leven voor een vrouw alleen daar veel te gevaarlijk was, wilde Maria zo snel mogelijk weer trouwen. Haar nieuwe verloofde, de bootsman Pieter Janszoon Iede, leefde al twaalf jaar als slaaf in Meknès en runde daar een herberg waar de Europese slaven de wijn en sterke drank konden drinken die voor moslims verboden was. Om te trouwen had Maria toestemming nodig van de sultan, terwijl die haar nu juist in zijn eigen harem wilde. Zo onaantrekkelijk mogelijk, met ongekamde haren en in haar oudste kleren, smeekte ze de sultan om haar te laten trouwen. Pas toen ze deed alsof ze zwanger was gaf hij toe. Maria toverde daarna de herberg van haar man om tot een van de populairste gelegenheden van de stad.
Na twaalf jaar als slavin te hebben geleefd werd Maria in 1743 vrijgekocht door Hollandse onderhandelaars. Ze keerde terug naar Holland, waar ze een boekje publiceerde over haar belevenissen. Hoewel Maria ter Meetelen niet uniek was, en er veel meer verhalen bestaan over vrouwen en meisjes die vermomd als man meevoeren op bijvoorbeeld de schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, was het tot in de twintigste eeuw toch vrij uitzonderlijk dat een Amsterdamse zomaar alleen het avontuur opzocht. Daarom gaat dit boek vooral over Amsterdammers, en veel minder over de Amsterdamsen.
Als zeelieden en soldaten, als ontdekkingsreizigers en waterbouwkundigen, als koopmannen en als bankiers – op allerlei manieren waren die Amsterdammers in de wereld van invloed. Een Amsterdammer schreef de vroegste tekst van Australië, Amsterdammers bouwden de eerste synagoge van Zuid-Amerika, legden een Kalverstraat aan in India en hielpen de jonge Verenigde Staten te financieren. Het waren ook Amsterdammers die honderdduizenden tot slaaf gemaakte Afrikanen naar Suriname brachten, en de architect van de Zuid-Afrikaanse apartheid kwam uit Amsterdam. In hun eigen stad publiceerden de Amsterdammers over wat ze in de rest van de wereld hadden aangetroffen en de wereld kwam in allerlei vormen hun straten en hun huizen binnen. Amsterdam was een internationale stad en dat mocht gezien worden. En natuurlijk is Amsterdam nog altijd een internationale stad. Dit boek toont hoe het zich door de eeuwen heen verbond met de rest van de wereld: een gedeelde geschiedenis die leidde tot het diverse Amsterdam van nu.

 

© 2016 Mariëlle Hageman

MINDBOOKSATH : athenaeum