Leesfragment: Daar komen de vliegen

22 januari 2017 , door David Pefko
| |

26 januari verschijnt Daar komen de vliegen van David Pefko. Lees bij ons vast de eerste twee hoofdstukken!

Wat hebben de onvoorspelbare ups-and-downs in de aandelenmarkt, een bejaarde ex-ijskastenkoning met twijfels, een naderende beurscrash, vier Koreanen met allemaal dezelfde voornaam, Coney Island, een Chileense chauffeur met de naam Eduardo, een hondje dat net zijn Barkmitzwa heeft gevierd, een zonovergoten appartement aan 5th Avenue, Lorazepam, een kniezende diamanthandelaar, een beurshandelaar uit Kentucky die in New York zijn weg niet kan vinden, tien rijpe ananassen, een geniale wiskundige die Wall Street verkoos boven de wetenschap, matzeballensoep en een familie bestaande uit een man met lobbige hamsterwangen die op zijn privérekening een saldo van miljarden heeft staan, een kapitale kunstcollectie bezit en soms stiekem testritten maakt in sportauto's die hij makkelijk kan betalen maar nooit zal kopen, zijn vrouw die liefdadigheid en geld doneren tot een hoger plan heeft getild en dan natuurlijk hun zoon niet te vergeten, die het syndroom van Down heeft, in hemelsnaam met elkaar te maken?

Daar komen de vliegen is een levendig portret van een New Yorkse zakenman die dertig jaar lang dacht dat zijn geheim veilig was en misschien wel nooit aan het licht zou komen. Een man die een systeem hanteerde waar iedereen in geloofde maar waar niets van klopte. Een zenuwslopend en ontroerend familiedrama, een roman over schuld en boete, over onwrikbaar vertrouwen en sluimerend ongeloof, over eeuwigdurend afscheid.

 

1

Ze waren er allemaal die morgen: de oudere Upper East Siders, de overgevlogenen uit Florida en Hawaï, de voorzitters van stichtingen, scholen en universiteiten, de staalmagnaten, makelaars, stoffenfabrikanten, winkeleigenaren, filmproducenten, uitgevers, acteurs en actrices, de mensen met oud geld, degenen met nieuw geld; zelfs de jetset van Tel Aviv ontbrak niet. Allemaal zaten ze kaarsrecht in de zaal van de synagoge op 5th Avenue en glimlachten.
Abby Friedland, die voor de officiële gelegenheid Abigail genoemd werd, hield een speech waar werkelijk geen touw aan vast te knopen was. Ze droeg een fluorescerende flamingoroze jurk en een strik in haar haar, iets waar haar ouders, Ann en Aron Friedland, vast niet heel blij mee waren geweest, maar goed, Abby was net twaalf geworden en je viert je bat mitswa maar één keer.
De zaal was versierd met exotische roze bloemen en witte slingers en ergens helemaal achterin zaten Jerry en Ruth Kirschenbaum, die iets te laat waren aangekomen omdat het verkeer die zaterdag helemaal vastzat. Jerry droeg een donkerblauw linnen jasje met opgestikte zakken en Ruth een veelkleurig mantelpakje en opvallende roze schoenen. Ze waren er waarschijnlijk helemaal niet naartoe gegaan als er de dag ervoor niet onverwachts een uitnodiging was bezorgd die voorzien was van een persoonlijke boodschap van Abby’s vader. ‘Hoe de kaarten er ook voor liggen, wees alsjeblieft welkom, we zijn allemaal één grote familie, vergeet dat niet!’ stond te lezen in een sierlijk handschrift.
Het was dat Ruth de uitnodiging het eerst tussen de post had ontdekt en er absoluut heen wilde gaan – ze konden het écht niet missen, iedereen in de stad zou het er later over hebben, maar als Jerry die gevonden had, had hij haar waarschijnlijk laten verdwijnen. Het meisje stak voorzichtig een kaarsje aan, en meteen daarna, alsof ze de smaak te pakken had gekregen, nog een.
Jerry keek vermoeid naar de achterhoofden voor hem. Een snelle berekening leerde hem dat in deze synagoge op 5th Avenue, de absolute favoriet binnen de joodse gemeenschap, ongeveer zeventig procent van de bezoekers klant van hem was en er op de met roze bloemen versierde stoelen grofweg een miljard dollar aan investeringen zat.
Toen Aron Friedland aan zijn speech begon, probeerde Jerry hem zo strak mogelijk aan te kijken, maar een vervelend spierverrekkinkje in zijn linkerooglid maakte het moeilijk. Hij hoorde nauwelijks wat hij zei, zo veel moeite kostte het hem om zijn blik op de ogen van de ex-landbouwmagnaat gericht te houden.
‘Abigail, Abby, lieverd van me,’ zei Friedland, ‘maanden heb ik je zien ploeteren. Met liefde, met toewijding en natuurlijk met de hoognodige hulp van de geweldige mensen van de Bat Mitzwa Club op 77th Street...’
Er klonk bulderend gelach uit de zaal, en Aron Friedland, die een zwarte smoking droeg met een hoge boord, sloeg zichzelf op zijn knieën van het lachen toen hij naar het beteuterde gezicht van zijn dochter keek.
‘Nee hoor, lieverd,’ ging hij snel verder, ‘het is een prestatie van niveau en je moeder en ik zijn beiden gewoon apetrots op je. Onze dochter die hier nu staat als een hele vrouw. We hopen dat het je in het leven aan niets zal ontbreken, dat je nog even zult wachten met uit huis gaan en trouwen en al die vervelende dingen. Maar in de tussentijd, lieve Abby, ja, ik weet dat je me vroeg dit absoluut niet te zeggen, maar ik doe het toch, voor je eigen bestwil; je moet plechtig beloven je kamer iets netter te houden.’ Bij dat laatste liet Friedland de microfoon los, gooide zijn handen theatraal in de lucht en bad jammerlijk richting het gewelfde plafond, alsof hij hoopte dat zijn God dit wel even voor hem zou gaan regelen.
Weer lachte iedereen in de zaal. Jerry deed alsof hij ook moest lachen, Ruth deed hetzelfde.
‘Wat een vreselijke, vreselijke mensen zijn dit toch,’ fluisterde Ruth in Jerry’s oor, ‘ik snap opeens heel goed waarom je zijn geld niet wilde hebben.’
‘Ik zei het je toch,’ mompelde Jerry. Zijn linkerooglid trilde nog steeds, maar echt opvallend was het waarschijnlijk niet. Aan zijn linkerkant knikte iemand naar hem. Jerry knikte terug en glimlachte verder naar het schouwspel.
Het meisje bloosde naar de zaal met haar handen op haar rug. Ze keek ongeduldig op naar haar vader. Een in het zwart geklede vrouw die al een tijdje in de hoek klaarstond met een versierde theedoek waarin waarschijnlijk de challe zat, verdween haastig van het toneel toen Friedland op zijn horloge keek en zijn hoofd naar haar schudde.
‘Ik zal je niet langer pesten, poppetje. Ons cadeau voor jou is een reis,’ las Friedland op van zijn blaadje. ‘Je gaat die niet alleen maken, wij gaan natuurlijk gezellig mee. Over twee weken vertrekken we naar Griekenland, waar we negentien eilanden gaan bezoeken, per zeilboot. Ik hoop dat je daar ook een beetje voor hebt geleerd?’ In het spotlicht liet Friedland een denkbeeldig zeil vieren in de wind.
Met blosjes op de wangen schudde het meisje haar hoofd en sloeg theatraal haar handen voor haar gezicht. De hele zaal was vertederd.
‘O mijn god,’ hoorde Jerry Ruth zeggen, ‘dat kind is voor het leven verpest.’
‘Het gaat nog veel erger worden,’ fluisterde hij in haar oor, ‘ik heb gehoord dat er een olifant komt.’
‘Niet!’ riep Ruth iets te hard en proestte van het lachen achter haar hand.
‘Jawel,’ zei Jerry en gaf haar een knipoog.
Jerry had Friedland in de afgelopen jaren verschillende malen in zijn kantoor gehad. De eerste keren had hij koffie en water voor hem laten halen, de keren daarna had hij hem niets meer aangeboden in de hoop dat hij snel zou weggaan. Elke keer had Jerry als reden gegeven dat hij er niemand meer bij kon hebben, dat zijn fonds vol zat, en Friedland was er absoluut niet blij mee geweest. Alle prominente joden in New York konden een graantje meepikken van Jerry’s florerende onderneming, iedereen maakte hij nog rijker dan hij al was, maar hem sloeg hij volgens Friedland bewust over.
Nu, maanden na het laatste gesprek, waarin hij Jerry bij het verlaten van zijn kantoor een klootzak had genoemd, schudde Jerry na afloop van de ceremonie handen met vrijwel iedereen om hem heen. Ze bedankten hem hartelijk, prezen zijn werkzaamheden en gaven hem schouderklopjes. Toen hij de vader van Abby eindelijk de hand schudde en feliciteerde met zijn oogverblindende dochter, pakte Friedland zijn arm vast en kneep er zachtjes in.
‘Wat goed dat je er bent,’ zei hij schor van het lachen om zijn eigen grappen.
‘Ik zei net tegen Jerry dat het toch wel heel jammer is dat onze Andy zoiets nooit heeft kunnen meemaken,’ hoorde Jerry Ruth zeggen tegen Ann Friedland, Arons vrouw, met wie ze in het weekend wel eens golfte.

In zestien limousines werden de gasten naar een volgende locatie gereden, die op slechts een paar blokken afstand lag. In de limousine van Ruth en Jerry zaten ook nogal veel schreeuwende kinderen die vieze vingers op de geblindeerde ruiten achterlieten en allemaal een fles Snapple in hun handen hielden.
Bij aankomst stond een ordinair geklede oudere vrouw met hoogblond haar voor de deuren klaar. Ze had haar handen in elkaar gevouwen. Ze glimlachte van oor tot oor toen ze de gasten welkom heette.
‘Wie is dat ook alweer?’ vroeg Jerry dicht bij Ruths oor.
‘Dat is Lea Blumenthal, de bar- en bat-mitswakoningin van New York,’ fluisterde Ruth. ‘De meest uitbundige zalen, de meest krankzinnige prijzen.’
‘Het middengedeelte graag even vrijhouden,’ zei de vrouw tegen iedereen die langs haar naar binnen liep.
Blijkbaar was roze de lievelingskleur van de kleine Abby, want de zaal waarin de Kirschenbaums voet zetten, was roze. Geen accenten hier en daar, nee, alles was er roze. Zelfs de muren waren beplakt met roze papier, en op de vloer lag een stuk vinyl in dezelfde kleur.
Jerry kneep in de arm van zijn vrouw. ‘Ik heb hier geen zin in, lieverd,’ fluisterde hij terwijl hij probeerde te glimlachen naar de mensen.
‘Halfuurtje,’ zei ze, ‘dan hebben we een afspraak.’
Het gerucht dat Jerry had opgevangen in een lunchroom waar hij met klanten afsprak, bleek te kloppen. Toen de volwassenen en de kinderen zich op het buffet stortten, schalde het onmiskenbare geluid door de hoge ruimte.
‘Nee, papa, je hebt het gedaan!’ riep het meisje opgewonden toen er twee schuifdeuren opengingen en een olifant aan een lange lijn door een clown naar binnen werd geleid. Nog twee clowns sjokten erachteraan.
Met een toastje gerookte zalm en een glas champagne in hun handen, keken ze naar de kinderen die in groepjes op de olifant mochten rijden; Abby mocht natuurlijk als eerste. Er was een klein zandbedje in het midden van de zaal gemaakt waar de obers met een grote boog omheen liepen en waar de olifant nederig neerknielde toen het meisje op zijn rug werd gezet. Er was een opblaaszwembad gevuld met water waarmee het dier zijn slurf een paar keer vulde en op commando – en zeer gecontroleerd – mensen natspoot.
Uit de menigte kwam Aron Friedland opeens op Jerry af. Hij was doorweekt. Met hysterisch gelach had zijn dochter hem zonet natgespoten.
‘Excuseer me, kinderen,’ lachte Friedland en wees naar zijn druipende smoking, ‘hoe is het met je?’
‘Prima,’ zei Jerry, ‘wat een feest is dit, niet te geloven.’
Friedland keek naar zijn dochter, die de olifant voorzichtig aaide, aan zijn oor trok en moest lachen. ‘Dit was haar grote droom, dat moet je ze toch geven, vind ik. Als je het kunt tenminste,’ zei hij met een grijns.
‘Absoluut,’ zei Jerry. Een staalmagnaat schudde tussendoor snel zijn hand, stelde voor zo snel mogelijk weer eens uit eten te gaan.
‘Zeg, Jerry, wil je er toch niet eens over denken?’ vroeg Friedland met een glas champagne in zijn hand. ‘We kunnen elkaar helpen, jij en ik.’
Jerry hoefde er geen moment over na te denken. Hij schudde zijn hoofd en keek vol medelijden in de ogen van de man. ‘Het spijt me, Aron, er is niets veranderd aan de situatie, hoe ik het je ook gun, het zal echt niet gaan.’
‘Ik zou eigenlijk geen nee van je moeten accepteren,’ bromde de man, die zijn fortuin had gemaakt met genetisch gemanipuleerde zaden en nu op een enorme berg spaargeld zat waar hij zich waarschijnlijk geen raad mee wist.
‘Toch ben ik bang dat je dat wel zult moeten,’ zei Jerry met een verdrietige glimlach. ‘Hé, wij moeten er echt vandoor, we moeten naar onze zoon.’ Jerry haalde een envelop uit zijn binnenzak en overhandigde die aan Friedland. ‘Dit is voor Abby,’ zei hij.
‘Bedankt,’ mompelde Friedland kortaf en liep zonder te groeten weer naar het midden van de ruimte. Onderweg duwde hij de envelop door de gleuf van een tot collectebus omgetoverde schatkist en griste een volgend glas champagne van een dienblad. Hij wees zijn dochter op zijn doorweekte instappers, Jerry zag ze lachen.
‘Hoeveel heb je gegeven?’ vroeg zijn vrouw.
‘Tweehonderdvijftig,’ zei Jerry.
‘Wát?’ vroeg Ruth verschrikt. ‘Zo weinig?’
‘Nee,’ bromde Jerry, ‘tweehonderdvijftig keer achttien natuurlijk, vijfenveertighonderd, dat noem ik niet weinig.’
‘Oké, dat is netjes,’ zei ze opgelucht.
‘Laten we gaan, dit soort mensen geeft ons een slechte naam,’ zei Jerry en trok zijn vrouw mee naar de uitgang, waar ze beiden een roze giftbag in hun handen gedrukt kregen waar met grote witte letters ABIGAIL op stond.

 

2

‘Fluisterzacht sputterend licht,’ had Ruth het genoemd toen ze het huis begin jaren negentig kochten. Jerry vond het op dat moment, tegenover hun makelaar, vrij aanstellerig klinken. Alsof zijn vrouw het eigenlijk over een muziekstuk had en er in haar volkomen doorgedraaide hoofd tussen de muren in het appartement aan 5th Avenue sprake was van tempo en toonhoogte.
Eigenlijk had ze er helemaal niet ver naast gezeten: in de vroege morgen dwarrelde het ritmisch over de banken en de salontafels, scheen het spookachtig op de bladeren van een plant en rond kwart voor acht goot het zich haast over de rest. Eerst langs de muren, dan over de tapijten, glanzend op het visgraatparket. Een warme gloed gleed over kastjes en koperen lampenvoeten; of het nu zomer of winter was, het was altijd een zonovergoten appartement.
Het had tien kamers en besloeg twee verdiepingen. Er was een immens groot dakterras met druivenranken en vijgenboompjes dat uitkeek over Central Park, een inpandige gym, een bibliotheek opgetrokken uit mahoniehout, een galerij, een vrij kleine maar functionele thuisbioscoop en een keuken vol schitterende rvs-apparatuur en glanzende kristallen glazen in de kasten. Er was genoeg bergruimte voor een heel leven en het huis had inloopkasten zo groot als een gemiddelde studentenkamer. Van de drie slaapkamers werd er de laatste jaren nog maar één gebruikt. De grootste natuurlijk, grenzend aan de badkamer met jacuzzi en douche.
Daar, in die slaapkamer, lagen Jerry en Ruth Kirschenbaum te slapen.
Jerry sliep zoals altijd op zijn rechterzij, met zijn rechterarm onder zijn kussen en zijn hand losjes in de lucht, Ruth sliep plat op haar rug. Hij droeg een ouderwetse pyjama uit twee delen met een fijn blauw streepje, zij een lichtbruin t-shirt dat zo groot was dat ze haar knieën erin kon optrekken.
Het was Jerry die die ochtend zijn ogen het eerst opende. Hij had maagpijn en zocht meteen naar zijn BlackBerry, die onder zijn kussen lag.
Om zijn vrouw niet wakker te maken, zette hij het licht op het scherm wat zachter en logde in op zijn bankrekening. Versuft staarde hij naar zijn banksaldo en zuchtte diep.
Jerry had die nacht gedroomd dat hij naar de wc ging in een Koreaans barbecuerestaurant op West 32nd Street en precies hetzelfde deed als nu: inloggen op zijn bankrekening. Maar in zijn droom zag hij tot zijn grote verbazing dat de bank een fout had gemaakt en hij elke cent die hij in de afgelopen dertig jaar had uitgegeven weer teruggestort had gekregen. Terwijl hij in zijn droom nerveus grote bedragen overmaakte naar zijn verschillende andere bankrekeningen, naar die van zijn vrouw en zoon, en het vanaf de wc-bril haast uitschreeuwde van geluk, perste hij onverwachts een grote hoeveelheid diarree in de wc-pot. Het zweet brak hem uit. Net voor hij alle betaalopdrachten had kunnen verzenden, viel toen plots zijn telefoon uit.
Jerry Kirschenbaums gezicht had iets zachts en veerkrachtigs, een beetje alsof hij met zijn zeventig jaar zijn babyvet nog steeds niet helemaal was kwijtgeraakt. Zijn voorhoofd vertoonde nauwelijks rimpels en de wallen die hij vroeger onder zijn ogen had gehad, waren een paar jaar geleden vakkundig weggewerkt door een specialist. Zijn wenkbrauwen groeiden normaal alle kanten op, maar werden wekelijks bijgewerkt door zijn kapper in een hotel om de hoek. Zijn gezicht glom die morgen van de nachtcrème en zijn zilvergrijze haar zat in wilde pieken.
Toen Ruths wekker afging, ze haar slaapmasker omhoogschoof en de oordopjes uit haar oren peuterde, gromde Jerry naar haar.
‘Hé tijger, ben jij al wakker?’ vroeg ze slaperig. Ze zoende hem op zijn neus. Jerry zoende haar terug op haar voorhoofd. Jaren geleden hadden ze afgesproken dat in de morgen, voor ze hun tanden hadden gepoetst, alleen op die manier gezoend mocht worden.
‘Hoe laat is het?’ vroeg ze met schorre stem.
‘Acht uur al,’ zei Jerry.
Ruth ging op haar zij liggen en trok haar benen op. Jerry kon voelen dat ze naar zijn gezicht keek, dat verlicht werd door het scherm van zijn telefoon.
‘Heb je veel te doen vandaag?’
‘Ja,’ zei hij vluchtig en zonder op te kijken, ‘ontzettend veel.’
‘Hm,’ zei ze en duwde haar onderlichaam tegen hem aan.
‘Morgen heb ik niets, dan is het weekend,’ zei Jerry en sloeg de deken van zich af, ‘morgen kunnen we lekker in bed blijven.’
‘Nee, nee, morgen moeten we naar de galerie, en kom eens terug.’ Ze pakte zijn schouder vast en kneep er zachtjes in.
Jerry zat op de bedrand en draaide zijn horloge op. ‘Ik moet weg,’ zei hij zachtjes, ‘ik heb zo een klant.’
Zijn vrouw kermde en trok zijn hand naar zich toe en legde hem op haar linkerborst. Meteen voelde hij haar tepel hard worden. ‘Eventjes,’ fluisterde ze.
Snel maakte hij zich los. ‘Stel je niet zo aan,’ zei hij terwijl hij zijn pyjama losknoopte, ‘jij wilt altijd als ik haast heb.’
‘Fuck you, Jer!’ zei ze en draaide zich weer om.
‘Vanavond, beloofd,’ zei hij en liep naar de garderobekamer om een overhemd uit te zoeken. Ze hingen in keurige rijen, gesorteerd op kleur. Eigenlijk waren het voornamelijk witte en lichtblauwe. Jerry trok er een witte uit en net voordat hij het wilde aantrekken, zag hij de zwarte vegen op de manchetten.
‘Hier gaan dingen niet goed,’ mompelde hij en hield het overhemd in de lucht.

 

© 2017 David Pefko

Gerelateerde boeken

MINDBOOKSATH : athenaeum